zaterdag 11 augustus 2018

Nieuwe bijdragen

Vanaf 10 augustus vind u nieuwe bijdrage op


https://drpdevries.com/



Ook oude bijdragen zullen daarop worden geplaatst

donderdag 26 juli 2018

God has spoken in his Son. A biblical theology of Hebrews

The series New Studies in Biblical Theology is a series I can heartily recommend. Key issues in the discipline of biblical theology are addressed to learn Christians to understand the Bible better. In this series Peter T. O’Brien, formerly Vice-Prin-cipal of and Senior Research Fello0w in New Testament at Moore College, Sydney has written a monograph on the epistle to the Hebrews.
O’Brien characterizes this New Testament epistle as a sermon sent as a letter. It is a hortatory letter which urges its readers to endure in their pursuit of the promised reward. They are written that they can find the power of this endurance in their new covenant relationship with the Son.
In this context the superiority of Christ above angels and above the high priests of the old covenant is addressed. Texts and themes of the Old testament and especially the Aaronic priesthood and the ritual of the Day of Atonement are shown to be fulfilled and surpassed in Jesus Christ and his work.
Important is the remark that only after his sufferings were completed at the cross that Jesus was perfected and fit to serve as an eternal high priest in heaven before God. So it is completely wrong to suggest that in the epistle to the Hebrews Jesus’ death is only a preparatory to the atonement. Jesus’ work as high priest in heaven cannot be separated from his once for all sacrifice on the cross.

Peter T. O’Brien, God has spoken in his Son. A biblical theology of Hebrews, NSBT 39 (Downers Grove: InterVarsity Press, 2016) paperback 256 pp., $24,99 (ISBN 978-0-8308-2640-7)

Reading Romans in Context. Paul and Second Temple Judaism


Through a nontechnical collection of short essays in Reading Romans in Context. Paul and Second Temple Judaism the message of Paul in his epistle to the Romans is set against the background to texts of the Second Temple period. Each of the authors is an expert in the field he or she treats.
Each chapter pairs a major unit of Paul’s letter with one or more sections of a thematically related Jewish text. It intro-duces and explores the theological message of the com-parative text and shows how the ideas unfolded in these texts illuminate our understanding of Paul’s major letter.
Again and again the difference between Paul and the com-parative texts appears to be Paul’s insight that the law as such can not produce obedient people. The only source of real obedience is the gospel of Christ applied by the Holy Spirit.

Ben C. Blackwell, John K. Goodrich and Jason Maston (ed.) Reading Romans in Context. Paul and Second Temple Judaism (Grand Rapids: Zondervan, 2015) paperback 192 pp., $19,99 (ISBN 9780310517955)

woensdag 25 juli 2018

Johannes. Een exegetische gids bij het vierde evangelie


In de serie Exegetical Guide to the Greek New Testament wordt gebruikt gemaakt van de beschikbare lexicale en gram-maticale gereedschappen om de Griekse tekst van het Nieuwe Testament beter te verstaan. Deze serie staat onder redactie van Andreas J. Kösten­berger en Robert W. Yarbrough.
Bij Exegetical Guide to the Greek New Testament  gaat om commentaren van een niet al te grote omvang. Juist daarom zijn ze goed bruikbaar bij de preekvoorbereiding. Om deze serie met vrucht te kunnen gebruiken is basiskennis van het Grieks een minimale vereiste. Wie deze kennis heeft zal in daarin veel goeds vinden.
Het ­deel op het evangelie naar Johannes is verzorgd door Murray J. Harris, emeritus-hoogleraar exegese en theologie van het Nieuwe Testament van Trinity Evangelical Divinity School in Deerfield, Illinois. De auteur is een vooraanstaand nieuwtestamenticus die niet in de laatste plaats bekend staat door zijn grote kennis van en aandacht voor de Griekse gram-matica en syntaxis.
Harris begint met een veertien pagina’s tellende inleiding. Harris houdt vast aan het klassieke standpunt dat Johannes, de zoon van Zebedeüs, de auteur is van het vierde evangelie. Hij wijst erop dat het vierde evangelie meerdere spitsen heeft: een pastorale, een missionaire een apologetische en een liturgische.
Het is bedoeld om hen die reeds Jezus als de Heere en de Zoon van God belijden, in het geloof te versterken en nader te onderwijzen. Het wil ook hen die daarvan nog niet overtuigd zijn dat dit geloof  bewegen. Het wil zowel gelovigen als hen die nog buiten staan, de gronden van het geloof in Jezus als Heere en God tonen. Het mag ook dienen om christen te helpen bij de lofprijzing van het geloof.
Juist de val van de Tweede Tempel bood Johannes de mogelijkheid te lasten zien hoe de tempel en de feesten verbonden met de tempeldienst, vervuld zijn en ook overtroffen in de Heere Jezus Christus .
De structuur van het evangelie naar Johannes is eenvoudig:
1:1-18             proloog
1:19-12:50      boek van de tekenen (vooral toelichting op 1:11)
13:1:20:31       boek van de verhoging (vooral toelichting op 1:12)
21:1-25           epiloog.
In het tweede deel vinden we een zevental tekenen. In totaal komen we in het vierde evangelie twaalf ‘Ik ben’-uitspraken met een predicaat tegen. Daarnaast zijn er absolute ‘Ik ben’-uitspraken. Deze zinspelen op de ‘Ik ben’-uitspraken uit de twee helft van Jesaja. Zij onder­strepen de gelijkheid van de Vader en de Zoon. 
Op de inleiding volgt de aanbeveling van een aantal com-mentaren. Van elk van de aan­bevolen commentaren wordt een korte typering gegeven.
Het hoofddeel van het commentaar door een tekst voor tekst geboden exegese. Elke literaire eenheid eindigt met een aantal homiletische suggesties. Soms gaan daaraan nog aanbeve-lingen voor verdere studie vooraf.

Murray J. Harris, John, Exegetical Guide to the Greek New Testament (Nashville: Broadman & Holman, 2015), paperback 366 pp., $34,99 (ISBN 9781433676871)

dinsdag 24 juli 2018

The Message of the Twelve


Already before the Christian era the twelve Minor Prophets (minor because of the size of their books) were considered as unity. Old Testament scholars Richard Alan Fuhr, jr. and Gary E. Yates, both connected with Liberty University School of Divinity, wrote an excellent commentary on this part of the Old Testament.
It is useful both for pastors and laymen. It is substantial in character but not technical of too elaborate for private and devotional study of the Bible; a study that can be useful for pastors in preparing their sermons. Certainly, it can also be used as an introductory textbook for courses on the Minor Prophets.
The Minor Prophets ministered for over three centuries in the most tumultuous times in Israel’s history, yet their message remains relevant for the chaotic times in which we live. The Old Testament prophets courageously confronted the sinfulness and idolatry of God’s people and called for repentance.
They offered reminders of Yahweh’s sovereignty over the nations in times of international crisis, painting unforgettable images of God in the process. They warned of catastrophic judgment but also pointed to the future hope of Messiah’s kingdom of peace when all would be made right in the world. In a single volume, The Message of the Twelve explores the background and theological message of the Minor Prophets while providing specific exposition of each book.
I can heartily recommend The Message of the Twelve; first of all because of its content, but also for its users friendly format.

Richard Alan Fuhr, jr. and Gary E. Yates, The Message of the Twelve (Nashville: Broadman & Holman Academic, 2016), paperback 360 pp., $34,99 (ISBN 978-1-4336-8376-3).

zaterdag 21 juli 2018

Geloof en wetenschap. Schepping en/of evolutie


Het boek En de aarde bracht voort van prof. dr. G. van den Brink dat in 2017 uitkwam, heeft de discussie aangezwen­geld over geloof en wetenschap en heel in het bijzonder over de vraag of het geloof in God als Schepper te verenigen is met het aanvaarden van de evolutieleer. In de Christelijke dogmatiek die Van den Brink samen met dr. C. van der Kooi schreef, werd duidelijk dat dit voor Van den Brink zonder meer het geval is.
In En de aarde bracht voort geeft hij nog meer argumenten voor zijn visie. Ik wil de integriteit van Van den Brink niet betwijfelen. Hij wil een brug slaan tussen geloof en wetenschap en meent dat eerlijk bedrijven van wetenschap onvermijdelijk het aanvaarden van de evolutieleer betekent. Integriteit is ech-ter niet hetzelfde als gelijk hebben.
Geloof en wetenschap zijn twee eigen terreinen, maar die terreinen bestaan niet geheel onafhan­kelijk van elkaar. Het christelijke geloof geeft het kader waarbinnen wetenschap bedreven moet en mag worden. Dat is het kader van schep-ping, zondeval, verlossing en voleinding. Op de meeste ter-reinen levert de verhouding van geloof en wetenschap niet veel vragen op. Dat laatste wordt nog al eens vergeten. Een wetenschappelijke verklaring is een deelverklaring en nooit de gehele verklaring.
Het feit dat een bekering altijd ook psychologisch kan worden verklaard, betekent niet dat bekering louter een psychologisch verschijnsel is. Godsdienst heeft een sociologische kant, maar wie meent in de diepste kern van godsdienst - en dan vooral van het christelijk geloof als de enige ware godsdienst – te kunnen doordringen, heeft er, ondanks alle wetenschappelijke kennis die men kan hebben, weinig van begrepen.
Bij geologie en biologie komen ook de vragen naar de oor-sprong van het leven aan de orde. Een van de vragen betreft de ouderdom van de aarde en daarmee samenhangend de uitleg van het fossielenbestand.
Op een belangrijk punt raken het Bijbelse getuigenis en huidige weten­schappelijke inzicht (afgezien van de datering) elkaar en dat is de oerknal. Dit betekent namelijk dat onze werkelijkheid een absoluut begin heeft. De bekende atheïst Herman Philipse beweert om daaraan te ontkomen dan ook dat er een oneindig aantal oerknallen is geweest, maar daar­voor ontbreekt elk bewijs.
De wetenschap kan de vraag waarom er überhaupt iets is, waarom het leven ontstond en waarom er een menselijk be-wustzijn is dat gericht is op het zoeken naar waarheid en een menselijke moraal die uitgaat van absoluut goede en kwade zaken, niet beantwoorden. Het Bijbelse getuigenis geeft die ant-woorden wel.
Als het gaat om de werkelijkheid om ons heen, moet het Bijbelse getuigenis voorrang hebben boven elk ander getui-genis. Dan lezen we in de Bijbel dat deze werkelijkheid ont-staan is door Gods scheppend handelen. Er is sprake van een aantal afzonderlijke scheppingsdaden van God. Onze week en Gods scheppingsweek corresponderen met elkaar.
Heel in het bijzonder maakt de Bijbel duidelijk dat de mens een uniek wezen is dat wezenlijk onderscheiden is van de dieren. In Genesis 1 lezen we dat God de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis en in Genesis 2 dat God Eva, Adams vrouw, maakte uit zijn rib. Hij plaatste het eerste mensenpaar in het paradijs. Door hun ongehoorzaamheid zijn Adam en Eva uit het paradijs verdreven en kwam de dood in de wereld.
In de voorstellingswijze van Van den Brink stamt niet de gehele mensheid van Adam en Eva af en is de dood van de mens geen straf op de zonde, maar een natuurverschijnsel. Dat wijkt funda­menteel af van het Bijbelse getuigenis en heeft gevolgen voor het gehele verstaan van de Schrift.
Wie de Christelijke dogmatiek van Van den Brink en Van der Kooi las, weet dat zij de Bijbel niet als het Woord van God, maar als het boek van God en mensen zien. Als zij daarmee zouden willen aangeven dat God Zijn Woord door middel van menselijke Bijbelschrijvers heeft gegeven, zou er niets mis zijn, maar het woord en laat al zien dat zij aan de menselijke bijbelschrijvers een zelfstandige betekenis geven.
De Bijbel is het collectieve geheugen van Gods kerk dat ons herinnert aan Gods omgang met Israël en de vroegste Kerk. De Bijbel is volgens de Christelijke dogmatiek het middel dat God gebruikt om Zijn Kerk te bewaren, maar niet meer. De Schrift is geen rechtstreekse openbaring waarin God Zichzelf aan ons bekendmaakt. De betekenis van de Schrift is een wis­sel­werking tussen de Schrift zelf en de lezer.
Niet alleen als het gaat om de oorsprong van de dood van de mens en de aanvang van de mensheid, maar ook op andere punten wijkt de Christelijke dogmatiek af van het Bijbelse getuigenis. Zo wordt zonde louter in het kader van Gods (genade)­verbond geplaatst. Dan is het niet vreemd meer dat een duidelijk getuigenis over de realiteit van eeuwige straf ontbreekt. Daarmee wordt het kruis van Christus van haar betekenis beroofd. Als het onduidelijk is of er wel een eeuwige straf is, wordt ook onduidelijk of het kruis van Christus wel verlossing is van de eeuwige straf.
In een commentaar van de hoofdredactie van het RD stond dat men zelf wil vasthouden aan het Bijbelse getuigenis van de schepping, maar vond dat wij elkaar op dit punt niet moeten verket­teren. Zo denken meerderen. Ik vond dat erg ongelukkig uitgedrukt. Wij moeten altijd een onderscheid maken tussen personen en hun overtuigingen. Voor personen moeten wij altijd respect tonen, maar het kan zijn dat wij overtuigingen radicaal moeten afwijzen.
Er zijn ver­schillen die de kern van het geloof niet raken en ook heeft men een voorkeur. Ik denk bi­j­voorbeeld aan de vraag aan welke Bijbelvertaling je de voorkeur geeft of aan de vraag of je uitsluitend Psalmen in de dienst moet laten zingen. Een vraag die ikzelf heel nadrukkelijk bevestigend beantwoord.
Echter, als het gaat of heel de mensheid van één mensenpaar afstamt, dan zijn we op een heel ander terrein aangekomen. Dat geldt ook voor de vraag of de dood van de mens een gevolg is van de zonde. Wie deze vragen niet bevestigend be-antwoordt, wijkt de kern van de Bijbelse getuigenis af.
Dan mag een dringende waarschuwing niet ontbreken. In deze zaken moe­ten predikers een helder geluid laten horen. Laten wij ook vurig bidden voor hen die hierin van Gods Woord afwijken, opdat zij terugkeren op hun schreden.
Verblijdend was de bijdrage van prof. dr. C. K. van der Ent in het RD. Hij schreef: ‘Besef van eigen beperktheid en Gods grootheid betekent voor de christelijke wetenschapper een enorme bevrijding. (..) Ik wil christelijke jongeren graag sti-muleren om de wetenschap in te gaan. Want alles wat je observeert, kan leiden tot verwondering en blijdschap. God zet de mens op het brandpunt van de weidse grootheid van de aarde en het heelal enerzijds en de eindeloze diepte van de moleculaire (bio)chemie anderzijds. Daar heb je een geweldig uitzicht en wil je steeds meer zien en weten. Daar verlang je er ook naar om Hem niet meer ten dele te kennen, maar van aangezicht tot aangezicht, in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde (1 Kor. 13:12).’

woensdag 27 juni 2018

Wanneer mogen we over een huwelijk en de opdracht elkaar trouw te blijven spreken?


De Nederlandse wet en de wet van God
Terwijl tot voor kort iedereen onder het huwelijk de door de wet bevestigde relatie tussen één man en één vrouw verstond, is dit sinds een aantal jaren niet het geval. Volgens ons burgerlijk wetboek kan het een relatie m/v zijn. Dat wil zeggen dat het ook om twee personen van het­zelfde geslacht kan gaan. Dat is een zienswijze die volstrekt haaks staat op de Bijbel.
Heel duidelijk verwoordde Mike Pence, de hui­dige Ameri-kaanse vicepresident, dit een viertal jaar geleden. Hij was toen nog gou­verneur van de staat Indiana. In het Huis van Afge-vaardigden van deze staat werd gedebat­teerd over een wets-voorstel dat het huwelijk zou openstellen voor personen van hetzelfde geslacht.
Pence bracht toen het volgende in: ‘Ik geloof dat het huwelijk (tussen één man en één vrouw moet worden beschermd, omdat het niet ons idee is. Ettelijke dui­zen­den jaren geleden werden de woorden geschreven dat een man zijn vader en moeder moet verlaten en zijn vrouw aanhangen en dat die twee tot één vlees zullen zijn. Dit was niet onze gedachte, maar Gods gedachte. En ik zeg dit, voorzitter onbe­schaamd in een zaal waar boven uw stoel de woorden staan: In God we trust.’
Vanuit de scheppingsorde moeten we de uitdrukking ‘huwelijk’ alleen voor een voor de wet bevestigde relatie tussen één man en één vrouw gebruiken. Onder de oude bedeling heeft God polygamie getolereerd. Echter, onder de nieuwe bedeling wordt de scheppingsorde niet alleen norm maar ook absolute eis. De Nederlandse wetgever kan normen veranderen. God doet dat niet. Hij blijf bij Zijn omschrijving van het huwelijk. Iedere man zal zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man.

Wanneer geldt trouw?
Wonen een man/jongen en een vrouw/meisje samen zonder te zijn getrouwd, dan moeten zij ertoe worden opgeroepen te trouwen. Als er sprake is van schuldbesef en de bereidheid is dat te belijden, is er in principe geen verhindering om over dat huwelijk in een kerkdienst Gods zegen te vragen.
Trouw aan elkaar totdat de dood scheiding maakt, geldt in het huwelijk tussen één man en één vrouw. Dat geldt niet voor een homoseksuele relatie. Evenals bij een overspelige relatie moet worden op­geroepen tot het verbreken ervan. Hier mogen wij nooit het woord ‘trouw’ gebru­iken.
Wij moeten predikanten, politici, opinieleiders die dat wel doen, niet volgen, maar vasthouden aan het Bijbelse getuigenis. Overspelers en zij die bij mannen liggen, kunnen tenzij zij zich be­keren het koninkrijk van God niet binnengaan. Overigens geldt dit ook voor hebzuchtigen, dron­kaards en dieven. We moeten niet het ene noe­men en het andere verzwijgen. Dui-delijk is dat trouw niet geldt voor relaties die onder Gods oor-deel liggen.
Er mag geen trouw zijn aan de zonde. De trouw moet altijd trouw zijn in overeen­stemming met Gods Woord. Zowel onder de oude als nieuwe bedeling was en is homoseksueel gedrag in welke vorm dan ook een verhin­de­ring om Gods ko­ninkrijk binnen te gaan, als er geen bekering volgt. Meeleven met hen die er achter komen of erachter gekomen zijn dat zij homo-seksueel geaard zijn, is geboden, maar moet wel altijd gestalte krijgen binnen de kaders van het bijbelse getuigenis.

Hoe gebruiken we de woorden huwelijk, echtgenoot enz.?
Helaas zien we ook binnen de kerken verschuivingen. De woorden huwelijk, echt­ge­­noot, schoon­­­zus, schoonzoon, zwa-ger en schoonzuster worden ook in het kader van een door de Nederlandse wet bevestigde homoseksuele relatie gebruikt. 
On­langs woonde een kennis van mij een rouwdienst bij waar de predikant afkondigde dat schoonzoon Wim van de overle-dene de Schriftlezing zou verzorgen. Schoon­zoon Wim bleek ‘getrouwd’ te zijn met Hans. Dubbel schokkend is wel dat de predikant een gemeente dient die gerekend wordt bij een bond die Schrift en belij­denis tot haar uitgangspunt heeft.
In het RD werd naar aanleiding van de door het RD verspreide flyer van de rooms-katholieke organisatie Civitas Dei een brief-wisseling gestart tussen Steef de Bruijn en John Kamphuis. U zult zich afvragen waarom ik John Kamphuis schreef. Het gaat toch om John Lapré? Echter, de achternaam Lapré heeft Kamphuis voor de wet aange­nomen toen hij een wettelijke relatie met een andere man aanging. 
Weliswaar geeft de Nederlandse overheid daarvoor ruimte geven inclusief het veranderen van achternaam, maar bijbels licht dat anders. Naar goed, op de Bijbel gefundeerd gebruik, noem ik hem als man bij zijn eigen achternaam.
In een briefwisseling in het RD tussen De Bruijn en Kamphuis een christelijke homoactivist, schreef De Bruijn aan Kamphuis dat voor hem en anderen duidelijk is dat God in Zijn Woord homoseksuele relaties ondubbelzinnig afwijst zoals ook andere seksuele verhoudingen binnen of buiten het huwelijk. Tegelijkertijd heeft hij  het over de  echtgenoot van Kamphuis.
Het zal duidelijk zijn dat met dit spraakgebruik duidelijk wordt dat men een wissel heeft omge­zet. Immers wie over echt-genoot in een homoseksuele relatie spreekt, kan nooit meer onverkort de Bijbelse boodschap laten klinken dat zo’n relatie ver­broken moet worden, omdat men anders Gods koninkrijk niet kan binnengaan. Dan zal men immers aansluitend bij eigen spraakgebruik het gebod: ‘Gij zult niet echtbreken’ voor-gehouden krijgen.
Juist vanwege omdat het RD bijdraagt aan opinie­vor­ming bid ik dat men op deze benadering terugkomt en laten anderen dit ook doen. Wat we nu bij het RD zien is het begin van een ont-wikkeling die al een behoorlijk aantal jaren geleden zichtbaar werd bij de EO. Daarmee bewijst men de kerk van Nederland bepaald geen dienst. Zowel de bewuste predikant als de hoofdredacteur van het RD volgen in de om­schrij­ving van het huwelijk het Nederlandse wetboek, ondanks dat die om­schrij­ving haaks staat op Gods scheppings­orde.
Een scheppingsorde die heel nadruk­kelijk door de Heere Jezus in Zijn onder­wijs tot norm en eis is gesteld. Erkenning van het Bijbelse onderwijs over het huwelijk is onverenigbaar met spreken over ‘huwe­lijk’, echtgenoot, schoonzoon, enz. als het gaat om een homoseksuele relatie.
In de briefwisseling tussen De Bruijn en Kamphuis is de insteek van De Bruijn dat hij en anderen de Bijbel zo lezen dat homoseksuele relaties onverenigbaar zijn met Gods Woord. Zo schrijft hij: ‘De Bijbel is naar mijn inschatting (cursivering PdV) veel minder uitgesproken over visies rond de doop dan over het afwijzen van homo­seksueel gedrag.’
Door het zo te formuleren wordt de scherpe kant van de Bijbelse boodschap over seksuele onreinheid weg gevijld. Het wordt als een menselijke interpretatie van Gods Woord gepre-senteerd die in principe de mogelijkheid tot andere inter-pretaties openlaat. Dat sluit aan bij het argument van De Bruijn dat veel lezers van het RD zich zouden storen aan een adver-tentie van twee mannen die elkaar verliefd aankijken. Ook hier wordt de mens als uitgangspunt genomen en niet Gods getui-genis.
De motivatie van het gebruik van de woorden ‘huwelijk’, ‘echt-genoot’, ‘schoon­zoon’, enz. is als het gaat om een homo-seksuele relatie verschillend. Voor het overgrote deel van de samenleving is dit geen enkel punt, omdat de mens en wat de mens als geluk ziet, het uitgangspunt is.
Velen binnen de kerken doen een beroep op wat zij Gods onvoorwaardelijke liefde noemen om een homoseksuele relatie in principe van eenzelfde karakter te zien als het huwelijk tussen één man en één vrouw. Anderen geven aan dat homo-seksuele relaties zondig zijn, maar menen dat ter voorkoming van erger stabiele homoseksuele relaties als noodoplossing aan­vaard­baar zijn. Dan is het maar een kleine stap om over echtgenoot, schoonzoon, enz. te gaan spreken.
De Bruijn gaf in zijn derde brief aan dat hij een homoseksuele relatie als zonde ziet, maar hij riep Kamphuis niet op tot het verbreken ervan. Onder andere met een beroep op de poly-gamie van Salomo liet De Bruijn in het midden of een homo­seksuele relatie onverenigbaar is met de ingang in Gods koninkrijk. In deze bijdrage ga ik niet nader in op dit beroep. Wie er meer over wil weten verwijs ik naar mijn weblog http://drpdevries.blogspot.com. Er moet dan geklikt worden op het label ‘polyga­mie’.
Veelzeggend is ook dat het RD een dag na hemelvaat Elze Reinders, een vrouw die geen moeite heeft met haar biseksuele geaardheid, de gelegenheid gaf een column te laten schrijven die eindigde met de woorden: ‘Ik wens een veilige plek in kerken en gezinnen voor mensen die nog niet uit de kast zijn. Waar de veilig­heid om meer gaat dan de vraag of men het met hem of haar eens is, waar de mens gezien wordt en niet het probleem. Waar de liefde sterker is dan het verschil. Want de liefde is levens­reddend.’ 
Civitas Christiana mag dan een rooms-katholieke organisatie zijn, maar zij gaat er wel van uit dat seksualiteit bedoeld is voor het huwelijk tussen één man en één vrouw. Waarom mocht deze organisatie via het RD wel ene flyer laten verspreiden, iets waarvoor zij heeft moeten betalen, maar kreeg zij niet zoals de homoactivisten Kamphuis en Reinders gelegenheid in een artikel of interview haar geluid te laten horen. In heel de ophef rond de flyer van Civitas Christiana heeft de hoofdredactie van het RD zelf geen bijbels en confessioneel geluid laten horen en evenmin anderen gelegenheid gegeven dat te doen.

We kunnen niet in Gods liefde in Christus delen zonder geloof en bekering
In onze samenleving worden homoseksuele relaties verdedigd met het feit dat niemand belemmerd mag worden in zijn zelfontplooiing. Ieder mens mag volgens eigen inzichten geluk­kig zijn. In de kerken zien we dat homoseksuele relaties wor­den verdedigd met een beroep op het feit dat Gods liefde onvoorwaardelijk is. In die zin schreef Kamphuis in zijn brief­wisseling met De Bruijn in het RD. Het RD gaf ook Elze Reinders gelegenheid een column met dit geluid te plaatsen.
Gods liefde kunnen we onvoorwaardelijk noemen als we daarmee bedoelen dat de grootste der zondaren welkom is bij Christus. Nooit is het in dit leven te laat de zonde te belijden en na te laten. Dan is er vergeving zelfs voor de grootste der zondaren. Het zal duidelijk zijn dat Kamphuis en Reinders het zo niet zien. Zij noemen geen zonde wat de Schrift wel zonde noemt en roepen dus al helemaal niet op tot het breken met zonde en het belijden van zonde.
Door zijn wijze van benadering heeft De Bruijn geen echt weerwoord op de ziens­wijze van Kamphuis dat het al dan niet aanvaarden van homoseksuele relaties verschil­len zijn die niet de kern van het Evangelie raken. Hij schrijft Kamphuis het vol-gende: ‘Pas op met absolute uitspraken over zaken waarin de Bijbel niet klip-en-klaar ant­woord geeft en laat dan de liefde het hoofdgebod zijn.’ In zijn kijk op wat de Bijbel liefde noemt, deelt hij in principe kennelijk de opvatting van Kamphuis.
Daarmee geeft hij aan dat hij weliswaar zelf de Bijbel zo leest dat homoseksuele relaties niet kunnen, maar dat dit niet betekent dat hij geen ruimte wil geven aan een andere visie. Hij laat de mogelijkheid open dat men de Bijbel op dit punt anders kan lezen.
Aan het slot van zijn briefwisseling verdedigt hij zijn benadering vanuit de gedachte dat wij allen slechts ten dele kennen (vgl. 1Kor. 13:9). Ik weet: dan schrijft hij ook over de noodzaak van geloof en bekering, maar of die betekent dat het nalaten van breken met homoseksueel gedrag iemand buiten het koninkrijk Gods (wat voor alle duidelijkheid niet minder geldt voor afgoderij, fraude, hebzucht en overspel) blijft tot het einde toe onduidelijk.
Met dit beroep op het ten delen kennen waarover Paulus in 1 Kor. 13:9 schrijft rela­tiveert hij diens duidelijk onderwijs in 1 Kor 6:9-10 over gedrag dat onverenig­baar is met de ingang in Gods koninkrijk. Dat is bepaald niet de bedoeling van de apostel geweest en daarom ook niet van de Heilige Geest. Vanwege deze relati­ve­ring ontbreekt zowel het krachtige en concrete appel tot bekering als het getuigenis over de ver­los­sende kracht van Christus’ bloed en de vernieuwende werking van Gods Geest zoals dat onder andere wordt verwoord in 1 Kor 6:11.
Het fundamentele beginsel door de Reformatie krachtig naar voren gebracht dat de Schrift volkomen genoegzaam is en in zichzelf helder en duidelijk wordt door De Bruijn feitelijk van een vraagteken voorzien. In de context betekenen de woorden over het ten dele ken­nen dat meerdere vragen in dit leven onbeantwoord blijven. Het wil echter niet zeggen dat wij een vraagteken mogen zetten bij zaken waarin Gods Woord vol­strekt eenduidig is.

Omkering van het Bijbelse getuigenis
Lapré interpreteert de woorden van de Heere Jezus dat een boom aan zijn vruchten wordt gekend dan zo dat het principieel en volledig afwijzen van een homoseksuele relatie strijdig is met het liefdesgebod. Juist een dergelijke houding zou onver-enig­baar zijn met het echte christen-zijn.
Zondermeer is waar dat mensen die de brede weg bewan­delen daarop niet liefdeloos, onbewogen en hooghartig moeten worden gewe­zen. Is dat wel het geval dan moet de vraag rijzen of degene die zo doet, niet zelf de brede weg bewandelt.
We moeten echter geen twee vormen van het bewandelen van de brede weg naast elkaar stellen, maar het bewandelen van de brede en de smalle weg. Dan is de Bijbel niet onduidelijk dat zij die een homoseksuele relatie hebben de brede weg bewande­len. Het antwoord op farizeïsme is niet het goed-keuren of relativeren van de zonde maar in bewogenheid op-roepen tot geloof en bekering, tot navolging van Christus en zelfverloochening.
Kamphuis kan dat alleen stellen omdat hij het concrete Bijbelse getuigenis niet zonder reserve gelijk stelt met het Woord van God en Gods liefde totaal anders invult dan de Bijbel dat doet. Wij kunnen nooit in Gods liefde delen zonder geloof en bekering.
Dan hoeven we maar te verwijzen naar de Bijbeltekst die wel het Evange­lie in het klein wordt genoemd: ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet ver­derve, maar het eeuwige leven hebbe.’ (Johannes 3:16). Ik noem ook Lukas 24:27. Daar lezen we dat de Heere Jezus Christus zegt dat in Zijn Naam bekering en verge­ving van zonden aan alle volkeren moet worden verkondigd. We kunnen geen vergeving ontvangen zonder bekering.
God maakt ons in Zijn Woord duidelijk van welke zonden wij ons moeten bekeren. Mensen kunnen wetten veranderen. God verandert Zijn normen niet. Nog altijd geldt wat Paulus – of beter gezegd uiteindelijk de Heilige Geest – schreef: ‘Of weet u niet, dat de onrechtvaardigen het konin­krijk Gods niet zullen beërven? Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgoden­die­naars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij man-nen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven. Sommigen van u zijn dit wel geweest (cursivering van mij; er staat niet: zijn dit nog altijd); maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerecht-vaardigd, in de Naam van den Heere Jezus en door de Geest van onze God.’ (1 Kor. 6:9-11)
Bij Kamphuis is er sprake van een totale omkering van het Bijbelse getuigenis. Wat kwaad is, wordt goed genoemd en wat goed is kwaad. Ik verwijs hier naar het indruk­wekkend boek van R. Albert Mohler Jr. We Cannot Be Silent (Wij mogen niet zwijgen) dat in 2015 bij Nelson Books verscheen. Mohler is president van Southern Baptist Theological Seminary.
Zonder reserve belijdt hij het Evangelie van Gods genade en weet hij zich gebonden aan de Bijbel als het onfeilbare Woord van God. Vanuit deze gezindheid analyseert hij ont­wik­ke­lingen in de kerk en de samenleving. Voor wie er belangstel­ling voor heeft, ver­wijs ik naar zijn website https://albertmohler.com.
De ondertitel van We Cannot Be Silent is een korte weergave van de inhoud van het boek Speaking truth to a culture redefining sex, marriage, & the very meaning of right and wrong (Het spreken van de waarheid in een cultuur die seksualiteit, huwelijk en de werkelijke betekenis van goed en kwaad herdefinieert). 
Deze ontwikkelingen zien we wereldwijd.Ik spreek de hoop uit dat een Nederlandse uitgever de moed en durf heeft dit boek van Mohler te vertalen. Een analyse van dit niveau met betrekking tot de genoemde pro­ble­matiek is in de Nederlandse taal tot dusver niet verschenen. Het feit dat de auteur de problematiek vanuit de Amerikaanse context behandeld zal voor de geïnteresseerde lezer geen verhindering zijn,

Er is vergeving voor alle zonden en ook voor zondige gevoelens, waartegen wij ons leven lang moeten strijden
Het grote wonder is dat het bloed van Jezus Christus van alle zonden reinigt. Wie daarvan persoonlijk mag weten, heeft zijn zonden leren belijden en nalaten. Belijde­nis van zonden is voor iedereen nodig en daarmee een leven tot eer van God, gedrongen door de liefde van Christus.
Dan is ook waar dat een nette kerkganger die nooit zondaar voor God werd, buiten moet blijven staan. Een overspeler of iemand die een relatie had met een persoon van hetzelfde geslacht en die daarmee vastliep en voor God in de schuld kwam, mag binnen gaan.
Met nadruk onderstreept ik dat zondige gevoelens als zodanig een mens niet uit de hemel houden. Zijn hele leven moet een christen tegen zijn zondige aard en zondige gevoelens strijden. Het feit dat je dat wilt doen, is weer een bewijs van het ware christen-zijn.
Er is geen enkele christen die geen zondige gevoelens heeft. Bij zondige gevoelens kunnen we aan gevoelens van hoog-moed en van hebzucht den­ken, aan overspelige gevoelens en ook homoseksuele gevoe­lens. In Christus’ bloed is er ook vergeving voor onze zondige aard en zondige gevoelens, waartegen wij tot onze dood toe moeten strijden.Dat getuigenis mogen wij hen die homoseksueel geaard zijn steeds voor-houden en zo mogen we en behoren we met hen mee te leven en te worstelen.
De Heere vraagt van ons allen geloof en bekering. Dan geldt wat bij mensen onmo­gelijk is, is moge­lijk bij God. Dat geldt voor hen die homoseksueel geaard zijn. Juist dan kunnen deze woorden een bijzondere klank krijgen.
Echt gelukkig worden we niet als zelfontplooiing onze hoogste norm is, maar wel als we Gods wil doen en in verband daar-mee onszelf ver­loo­che­nen. Het feit dat wij in dit leven een god hebben aanbeden en gediend die alles toestond wat wij graag wilden en ons aanvaardde zoals wij van nature zijn, zal ons niet baten als wij gedaagd worden voor de rechterstoel van de levende God.
Dan is de vraag of wij door genade in dit leven de levende God zijn gaan verheer­lijken, omdat Hij ons door Christus verloste van de toekomende toorn en ons zo de kracht gaf Hem te dienen. Is dat het geval dan mogen we eeuwig in de nabijheid van de levende God zijn. Is dat niet het geval dan moeten we eeuwig zijn genadige en liefdevolle tegenwoordigheid missen. Dan zullen we tot in alle eeuwigheid vergaan onder zijn toorn.

De Naam van Jezus als Heere belijden
Laten wij deze boodschap belijden. Dan zullen we de woorden huwelijk, echtgenoot, schoon­zoon, enz. niet anders willen gebruiken dan de Bijbel doet. Ook hier geldt wat de Heere Jezus zei: ‘Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.’ (Mat. 10:32-33).
Nooit mag er van vaagheid in deze zaken sprake zijn. Opnieuw citeer ik het onderwijs van onze Heere Jezus Christus: ‘Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.’ (Mat. 12:30). Dit belijden zal ons in onze samen-leving bepaald niet in dank worden afgenomen. Er zullen deuren dichtgaan. Smaad en spot zal ons deel zijn. Jezus Christus is het waard dat wij Hem als Heere belijden. Is dat een zaak van ons hart dan vragen wij telkens weer: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?
Wie echt een belijder is, is tot lijden om Christus’ wil bereid en wie tot lijden om Christus’ wil niet bereid is, is geen echte belijder. Wat wij in onze tijd nodig hebben, zijn echt belijdende christenen. We dienen het zelf te zijn om zonder vrees voor de rechterstoel van Christus te kun­nen verschijnen.
Dan gelden nog altijd de woorden van onze Heere Jezus Christus: ‘Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en ver­vol­gen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mij­nentwil. Ver-blijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.’
De botsing tussen het belijden van Christus als Zaligmaker en Heere voltrekt zich in onze tijd niet in de laatste plaats op het punt van het bijbelse getuigenis over huwelijk en seksualiteit. Wie echt een christen is, is bereid op dit punt de confron­tatie met de samenleving aan te gaan.
Als christenen hierin nalatig zijn, zijn ze de naam christen feitelijk niet waard. Een kerk die hier gene helder getuigenis geest mogen we niet zien als een zichtbare openbaring van de ene heilige, algemene of katholieke christelijke kerk
Ik besluit deze bijdrage met woorden die de grote christen-staatsman Groen van Prins­terer in de negentiende eeuw schreef. Groen wilde naar eigen getuigenis niet allereerst een staatsman, maar een belijder van het Evangelie zijn: ‘De belij­denis, waartoe men wordt geroepen, staat tel­kens met den aard der tij­den waarin men leeft, in verband. Het belij­den, waar de kracht des Christelijken ge­loofs zich openbaart, ligt niet altijd in het getrou­welijk opzeggen van al de Artikelen des Ge­loofs; niet altijd in een onvoor­waardelijke onderschrijving van de Symboli­sche Schrift; zelfs niet in eene predi­­king waarin geen enkel woord aange­troffen wordt, dat den meest regtzin-nigen keurmees­ter erge­ren zou. Het belij­den is het uitkomen voor de waarheid waar de verde­diging bezwaar­lijk is, waar het belijden met lijden vergezeld is. Ge­lijk de aanval het kritieke punt aanwijst, zoo volgt, uit den aard der ver­looche­ning, de aard der be­lijdenis, welke in ieder tijds­ge­wricht de geloovi­gen voegt.’

zaterdag 23 juni 2018

The Son of God and the New Creation



Short Studies in Biblical Theology is a series edited by Dane C. Ortlund and Miles V. Van Pelt. The purpose this series is to connect the results of research in the academic field of biblical theology with everyday believers. The ultimate aim is to mag-nify the Savior and build up his church. This first volume fulfils this expectation.
In this volume the Australian Bible scholar Graeme Golds-worthy traces the divine sonship from Adam, through the nation of Israel and king David, and ultimately to Jesus Christ. The bottom line to his study is that Jesus as Son of God is also God the Son, the eternal second person of  the Godhead. But our salvation and eternal destiny depend on his being the incarnate one who is revealed as Son of God.
Jesus, in het person and work sums up the pattern of creation. Through his redemptive work the creation reaches its final destination The consummation of this total regeneration is described in the book of Revelation as resurrection and the new heaven and earth. So we get a view of the final nature of the kingdom of God established by God the son and inherited by all the adopted sons of God.

Graeme Goldsworthy, The Son of God and the New Creation, Short Studies in Biblical Theo­logy (Wheaton: Cross-way, 2015), paperback 144 pp. $14,99 (ISBN 978-1-4335-5631-9).

maandag 11 juni 2018

Het belang van een begrijpelijke Bijbelvertaling


Inleiding

Regelmatig merk ik dat gemeenteleden alleen op zondag, of enkel zaterdag en zondag, uit de Bijbel in de Statenvertaling wordt gelezen. De andere dagen houdt men het bij Bijbelse vertellingen (Snoek, Van Dam, Vreugenhil) of een dagboek. 

Dat vervult mij met grote zorg. Elke dag moeten wij uit de Bijbel lezen in een begrijpelijke en verstaanbare vertaling. Dat was het standpunt van de Statenvertalers in de zeventiende eeuw en hoort ook vandaag de dag ons standpunt te zijn.

De Statenvertalers hadden als uitgangspunt dat het Hebreeuw-se en Griekse taaleigen van de brontalen moest doorklinken in hun vertaling. Daarom vertaalden zij ‘knecht der knechten’ en niet ‘geringste knecht’ en ‘God der goden’ en niet ‘Allerhoogste God’. 

Eigenlijk had naar dit principe het boek Hooglied ‘Lied der lie-deren’ moeten heten. Echter, bij het kerkvolk was de naam Hooglied zo ingeburgerd, dat men hierin het kerkvolk tegemoet kwam. Het gebruik van het kerkvolk lieten zij in dit geval voor-gaan boven hun vertaalprincipe.

De Statenvertalers hadden als beginsel elk Hebreeuws of Grieks woord met een Neder­­lands woord te vertalen. Zij wilde geen woord onvertaald laten en stonden er in het Hebreeuws of Grieks drie woorden dan streefden zij ernaar dat dit ook gold voor het Nederlands, al lukte dat lang niet altijd.  

De Statenvertalers hebben ook geprobeerd zoveel mogelijk eenzelfde Hebreeuws of Grieks woord met eenzelfde Neder-lands woord te vertalen. Dat noemen we ‘concordant vertalen’.

Taalverandering. Een hertaling in de negentiende eeuw
Elke taal verandert. Er komen nieuwe woorden bij en andere woorden worden niet meer gebruikt en verdwijnen zo op de duur. Kijken we naar de Nederlandse taal dan is het Vlaams conservatiever dan het Nederlands. In het Vlaams behoren woorden als ‘wenen’, ‘bekommeren’ en ‘toespijs’ nog tot de taal van alledag. Zij worden ook op de Vlaamse radio gebruikt.

Door de taalontwikkeling werd de Statenvertaling van 1637 voor lezers steeds moeilijker. Eigen­handig pasten drukkers veranderingen toe. Dat bracht verwarring onder het kerkvolk. Aan die verwarring kwam grotendeels een einde door de her-taling die het Nederlands Bijbelgenoot­schap in 1888 op de markt bracht. 

Na enkele jaren las vrijwel iedereen de Statenvertaling in deze her­taling. Het werd steeds meer een uitzondering als iemand de Statenvertaling van 1637 las.

Taalontwikkeling. De twintigste en de eenentwintigste eeuw
In 1951 kwam de Nieuwe Vertaling uit, verzorgd door het Nederlands Bijbelgenootschap. Op die vertaling is kritiek geko-men. Een belangrijk deel van de kerken in Nederland bleef bij de Staten­vertaling.

Vooral de laatste tientallen jaren is de taalontwikkeling snel gegaan. Zelf merkte ik vanaf de jaren negentig dat catechi-santen moeite kregen met de taal. 

Steeds meer woorden moest ik gaan toelichten, omdat jon-geren die nooit gebruikten of omdat die inmiddels een andere betekenis hebben gekregen. Ook vinden we in de Statenver-taling meer dan eens een woordvolgorde die wij niet nu meer gebruiken

Ik denk aan een zin: ‘Als zij de ster zagen’ (Mat. 2:10). Op deze wijze wordt in de omgangstaal het woord ‘als’ niet meer gebruikt. Wij gebruiken nu ‘toen’. Van sterk verouderde woor-den in de Jongbloed- en de GBS-editie van de Statenvertaling zijn gemakkelijk meer dan duizend voorbeelden te vinden. Dan komen daar nog verouderde taalconstructies en woord­volgorde bij.

Niet alleen gebruikers van de GBS- en de Jongbloed-editie van de Statenvertaling krijgen moeite met de taal van de Bijbel-vertaling door de taalontwikkeling. Dit geldt ook gebruikers van de Nieuwe Vertaling. Zo kwamen er nog nieuwere Bijbelver-talingen. 

Ik noem Groot Nieuws voor u en Het Boek. Het Boek is eigen-lijk geen vertaling van de Bijbel, maar een omschrijving. Inmid-dels al weer een aantal jaren geleden kwam de Nieuwe Bijbelvertaling. Een groot deel van de kerken van Nederland is daarop overgestapt. 

Ik deel volkomen dat meerderen vanaf de jaren negentig een appel gedaan op het bestuur van de GBS om tot een nieuwe hertaling te komen. De GBS is daar echter niet op ingegaan. Zo kwam er ruimte voor de stichting herziening van de Statenvertaling; een stichting waar­aan de GBS niet wilde deelnemen. 

De herziening van de Statenvertaling bleek een groter project dan gedacht. Op een website werden telkens weer gedeelten, die herzien waren, geplaatst. Kritiek die op de herziening kwam, is in een behoorlijk aantal gevallen gehono­reerd en bleek verwerkt te zijn in de gedrukte editie.

Na verschijning van de Herziene Statenvertaling kwam kritiek. Veel onterechte kritiek. Hier en daar ook terechte kritiek. Min-der strikt dan de Statenvertalers dat deden wordt in de Herziene Staten­ver­taling vastgehouden aan het beginsel dat elk woord in het Hebreeuws of Grieks als het even kan moet worden weergegeven. 

In het algemeen is de Herziene Staten-vertaling dan ook iets minder concordant dan de oorspronkelijke Statenvertaling, al zijn er voorbeelden waar de Herziene Statenvertaling con-cordanter is.

Wat voor vele Bijbellezers het meest wennen is, is dat woorden die voor hun gevoel een meerwaarde hebben, zijn vervangen. Er wordt niet meer over ‘krankheden’ maar over ‘ziekten’ gesproken, niet over ‘medicijnmeester’ maar ‘dokter’. 

Echter, wij moeten dan wel beseffen dat wij deze woorden als bij­zonder ervaren, omdat wij ze niet meer in het dagelijkse leven gebruiken. Dat gebeurde in de zeven­tiende eeuw wel. Je ging niet naar de dokter, maar naar de medicijnmeester. Je vrouw was niet ziek, maar krank.

Appel van kerken en scholen op de GBS
Voor meerdere lezers van de Nieuwe Vertaling van 1951 was het een zegen dat de Herziene Statenvertaling kwam. In plaats van over te stappen op de Nieuwe Bijbelvertaling of de Bijbel in gewone taal, kon men van de Herziene uitgave van de Staten-vertaling gebruik maken.

Zoals ik aangaf, was er ook kritiek. Daarom is na de verschij-ning van de Herziene Statenvertaling onder andere door de Hersteld Hervorm­de Kerk een appel gedaan op de GBS zelf met een goede hertaling te komen. Eenzelfde geluid kwam uit de Gereformeerde Gemeenten. Ook middelbare scholen heb-ben hiertoe zeer dringend opgeroe­pen.

Aanvankelijk heeft de GBS bereidheid getoond, maar inmid-dels ziet men er toch vanaf. Een heel duidelijke reden ervoor is niet gegeven en in ieder geval geen principiële en theologische redenen. Zou er echter een goede hertaling komen, dan zal die er ongeveer net zo uitzien als de Herziene Statenvertaling met hier en daar een tekst anders weergegeven.

Het besluit van de GBS om niet tot hertaling over te gaan, draagt eraan bij dat velen van een andere Bijbelvertaling-gebruik zullen gaan maken. Eigenlijk is het genomen besluit een indirect advies omdat te doen, als de taalkloof een pro-bleem is. 

Jammer is dat men niet aangeeft aan welke vertaling men dan denkt. Nu moet iedereen dat voor zichzelf uitmaken. De Bijbel in Gewone Taal is wel heel plat en vak en moet daarom, hoe makkelijk die ook leest, niet worden aanbevolen.

Taalvaardigheid
Door predikanten en ambtsdragers wordt wel eens opgemerkt dat jongelui heel gemakkelijk een theo­rie-examen voor een rijbewijs onder de knie krijgen of computer­vaardigheden leren. Daaruit wordt dan afgeleid dat het voor jongelui – niet alleen met vwo-niveau maar ook met vmbo-niveau –makkelijk zou moeten zijn een verouderde vorm van Nederlands onder de knie te krijgen. 

Echter, die vergelijking gaat niet op. Bij een theorie-examen voor een rijbewijs bekijk je plaatsjes/foto’s met multiplechoice-vragen en computervaardigheden leren kinderen spelenderwijs door dagelijks gebruik.

Taal leer je in de eerste plaats door gebruik. Door het aanhoren ervan. De woordenschat wordt vergroot ook door lezen. Hoe meer woorden er in een Bijbelvertaling voorkomen die verder in geen enkel boek, artikel en ook preek worden gebruikt, hoe moeilijker zo’n Bijbelvertaling wordt. 

Je kunt het vergelijken met een boek waarin tal van Latijnse woorden voorkomen zonder dat je die taal kent. Menig pre-dikant ervaart dat bij het lezen van de dogmatiek van Bavinck. De huidige generatie predikanten is namelijk veelal minder goed thuis in het Latijn als de vorige.

Een vertaling van de Bijbel mag aangepast, herzien en her-taald worden. Elke vertaling moet aan de Bijbel in haar oor-spronkelijke vorm getoetst worden. Dat is een grondbeginsel van de Reformatie en ook van de Statenvertalers. Daarom was men ook van mening dat in principe elke predikant de Bijbel in de brontalen moest kunnen lezen. Een regel waarvan slechts bij hoge uitzondering kon worden afgeweken.

Ook hier geldt dat oefening kunst baart. Onterecht vind ik het en ook meten met twee maten als predikanten die zelf niet – of hooguit matig – de brontalen beheersen, jongelui verwijten dat zij de Bijbel in een sterk verouderde vorm van Nederlands nauwelijks of niet meer begrijpen.

Lees elke dag de Bijbel
We moeten de Bijbel biddend en ook elke dag lezen. Het gebruik van bijvoorbeeld een Bijbeluitgave van de Staten-vertaling met kant­tekeningen kan helpen bij het beter begrijpen van de Bijbel. Dat geldt ook voor de Bijbel met uitleg van uitgeverij De Banier. 

Welke Bijbelvertaling we ook gebrui­ken, toelichting blijft nodig. Bijvoorbeeld: wie zijn farizeeërs en sadduceeërs? Hoe zit het met de verschillende Herodessen in het Nieuwe Testament? Op wel­ke veldslagen zinspelen profet­en in hun profetieën enz.?

Wie mede met behulp van de Bijbel met uitleg de Staten-vertaling goed kan begrijpen, moet hier gewoon aan vast-houden. Maar wat moet er worden gedaan als de taal echt een probleem is en wij die niet begrijpen? Wie daarom de Bijbel ongelezen laat en alleen maar Bijbelse vertellingen en dagboeken leest, raad ik de Herziene Statenvertaling aan.

Die heeft een aantal gebreken, maar die wegen niet op tegen de betrouwbaarheid en leesbaarheid ervan. Evenals de zeventiende-eeuwse editie van de Statenvertaling is het een Bijbelvertaling in begrijpelijk en toch enigszins verheven Neder-lands, omdat men aan de rijkdom van taal van het Hebreeuws en Grieks recht wil doen.

Praktische adviezen
Willen kinderen de rijkdom van de Bijbeltaal kunnen volgen dan moeten zij zeker een paar jaar vóór het verlaten van de basisschool zelf de Bijbel zijn gaan lezen. Dan is enige op-lossing dat zeker degenen die vmbo-niveau hebben, al zeer vroeg tot het gebruik van de Herziene Statenvertaling gesti-muleerd worden.

Anders zal ook die vertaling voor hen te moeilijk zijn, vanwege de woor­denrijkdom van de Bijbel. Wil men later overstappen met de Statenvertaling of die mede gaan gebrui­ken, dan kan dat altijd nog

Ten slotte
Bij het lezen, bestuderen en onderzoeken van de Bijbel kunnen en mogen wij allerlei midde­len gebruiken. Laat in allerlei ver-banden dan ook elkaar ertoe aansporen de Bijbel elke dag te lezen, biddend om de werking van Gods Geest. 

Dat geldt evenzeer voor hen die onbekend zijn met de Bijbel, als voor hen die er jongs af aan al mee vertrouwd zijn. Juist omdat de Bijbel het Woord van God is, mogen wij van het lezen – en vooral als dat lezen een biddend lezen wordt – grote dingen verwachten.

Een uitgebreidere versie van deze bijdrage werd op 8 mei 2018 op deze weblog gepubliceerd.

woensdag 30 mei 2018

Een prinselijke bruiloft


Op 19 mei trouwden Harry, de tweede zoon van Charles, de prins van Wales, en Meghan Markle. Hun huwelijk werd in de St. George kapel behorend bij Westminster Castle bevestigd. De liturgie stond verder af van het Book of Common Prayer van 1662 (de klassieke versie het Gemeenschappelijk Gebe-denboek) dan die bij het huwelijk van Charles en Diana, de ouders van Harry.
Evenals Diana beloofde Meghan wel trouw en liefde, maar geen gehoorzaamheid. Verder was de liturgie zeer bijbels en klassiek. Telkens werd gesproken over de Drie-enige God. Er werd op gewezen dat het gezin een kweekplaats van gods-vrucht voor kinderen moet zijn. Het leven werd als een aardse reis getypeerd. De eeuwigheid wacht. Er klonken ook klas­sieke gezangen. Ik noem alleen het lied:
Guide me, O thou great Jehovah!
Pilgrim through this barren land;
I am weak, but thou art mighty;
Hold me with thy powerful hand;
Bread of heaven,
Feed me now and evermore.
De preek werd gehouden door de Afro-Amerikaanse bisschop Michael Curry, de primaat van de Episcopale Kerk van de Verenigde Staten. Hij is kennelijk een begaafd en gepassio-neerd spreker. Veel kijkers/luisteraars is opgevallen dat niet het bruidspaar centraal stond, maar de liefde. Dat is in menige trouwdienst anders.
Daarin gaat het van het begin tot het einde over het bruidspaar. Dat is gelukkig in trouwpreken binnen de gereformeerde gezindte niet het geval. Wat mij desondanks wel verwonderde dat ook christenen uit de gereformeerde gezindte positief waren over de inhoud van de preek. Dat gold ook voor een hoofdredactioneel commentaar in het RD.
De liefde waarover Curry sprak werd door hem, al werd zij met God verbonden, alleen horizontaal ingevuld. Het ging alleen maar over naastenliefde. Eenmaal verwees Curry naar het offer van Christus, maar dat vulde hij dan weer helemaal alge-meen en horizontaal in.
Onder de Anglicaanse primaten staat Curry trouwens bekend als een  voorstander om de burgerlijke overheid in haar defini-tie van het huwelijk te volgen en daarmee ook ruimte te schep-pen voor een kerkelijk stempel op homoseksuele relaties. 
De noodzaak van geloof en bekering om te delen in Gods liefde in Christus kwam en in de trouwpreek op geen enkele wijze ter sprake. Gezien zijn hele theologie kan dat ook niet. Dan spraken de liturgie en meerdere liederen een duidelijkere taal.
Mijn gemeenteleden en catechisanten leer ik dat het wereld-wijd gaat om de ene Naam (door Curry slechts eenmaal genoemd en dan nog volstrekt algemeen ingevuld), de twee wegen (we moeten de brede verlaten en de smalle bewande-len) en de drie stukken (zondaar zijn voor God, verzoening en verlossing in en door Christus en je leven wijden aan de Drie-enige God in Wiens Naam je bent gedoopt/gedoopt wenst te worden).
Aan deze punten moet wereldwijd en de eeuwen door elke preek worden getoetst. Door die boodschap, en geen andere, werkt de Heilige Geest het geloof en schenkt Hij ons de zalig-heid. Dat was zo, dat is zo en dat blijft zo tot aan de jongste dag.
Ook in de Anglicaanse Kerk werd en wordt dit geluid gehoord. Hier en daar in Groot-Brittannië. Veel en veel meer op het zui-delijke halfrond. Gaan we naar het verleden dan denk ik aan J.C. Ryle, de eerste Anglicaanse bisschop van Liverpool (1816-1900). Meer naar het heden denk ik aan sir Marcus Loane (1912-2009). Hij was van 1966 tot 1982 aartsbisschop van Sydney en daarbij van 1977 tot 1982 primaat van Au-stralië.
Deze aartsbisschop was een groot kenner van de puriteinen. Op het zuidelijke halfrond zijn er nog altijd meerdere Angli-caanse bisschoppen en aartsbisschoppen die onverkort de boodschap van zonde en genade verkondigen. Hoe anders zou de inhoud van de trouwpreek bij het huwelijk van Harry en Meghan zijn geweest, als een van hen de preek had mogen houden.
Harry en Meghan hoorden in ieder geval een bijbelse liturgie waarin doorklonk dat seksualiteit thuis hoort in het huwelijk tussen één man en één vrouw die elkaar trouw blijven tot aan de dood. In moreel opzicht hebben Harry en Meghan bepaald geen smet­te­loos verleden. 
Meghan is al een keer gescheiden en Harry heeft jaren lang een losbandig leven geleid. We moeten wel zeggen dat zij geen goed voorbeeld hebben gekregen. Dat maakt hun gedrag begrijpelijk, al kan het niet worden goedgekeurd. Overigens betekende dat wel dat aan hun huwelijk een kerkelijke verma-ning voorafging. Dat schrijft de kerkorde van de Anglicaanse Kerk voor .. 
Meghans ouders scheidden van elkaar toen zij nog maar zes jaar was. Charles pleegde al overspel, toen hij nog maar nauwelijks was getrouwd. Desondanks wilde Diana met hem doorgaan. Zij kregen twee kinderen: William en Harry. 
oen bleek dat Charles in overspel volhardde, ontwikkelde ook Diana een seksueel losbandige levensstijl. Uiteindelijk werd het huwelijk tussen Charles en Diana in 1996, na ruim vijftien jaar, ontbonden. Ruim een jaar later kwam zij samen met de min-naar die zij toen had, in Parijs door een auto-ongeluk om het leven. Harry was bijna twaalf jaar.
Pas twee dagen na de dood van Diana kwam er onder zeer zware druk van Tony Blair, de toen­malige Britse premier, een reactie van de koningin. Blair had er haar op gewezen dat door niet te reageren het voortbestaan van de monarchie in gevaar kwam, vanwege de grote po­pu­la­riteit van Diana. 
Onder druk van dezelfde Tony Blair stonden de mannelijke leden van de ko­ninklijke familie niet langs de kant bij het pas-seren van de auto met het lichaam van Diana. Dat was in eerste instantie niet de bedoeling. 
Dianne had bij haar scheiding weliswaar de titel van prinses van Wales behouden, maar die van koninklijke hoogheid ver-loren.  Zij behoorde niet meer tot het koninklijke huis. Deson-danks liepen haar zoons, voormalige man, zwagers en schoonvader direct achter de lijkauto. 
Blair had erop gewezen dat in het eerste geval televisie­kij­kers wereldwijd een negatief beeld zouden krijgen van de Britse monarchie (tweeën­half mil­jard mensen zouden de begrafenis via de tv volgen). Zo moesten, ter wille van het imago van het Britse koningshuis, ook William en Harry achter de baar lopen.
Terecht heeft Harry later opge­merkt: ‘Dit mag je een kind van die leef­tijd na het overlijden van zijn moeder niet aandoen.’ Dat hij zo beschadigd is, behoeft geen betoog en ook dat een der-gelijke beschadiging een voedingsbodem is voor losbandig gedrag. 
We weten echter ook uit Gods Woord dat wie zijn zonde Hem belijdt en nalaat, barmhartigheid ont­vangt. Bij de Heere is ver-geving en genezing. Genezing ook voor innerlijke beschadigin­gen.
In de Angelsaksische traditie is het de gewoonte dat zinssnede na zinssnede van de trouwbelofte door de predikant/geestelijke wordt uitgesproken en vervolgens door de bruidegom en de bruid wordt herhaald. Dat scherpt de trouwbelofte nog meer in. Wij hebben de roeping te bidden voor koningen en allen die in hoogheid zijn gezeten. 
Laten wij met Britse christenen meebidden dat Harry en Meghan elkaar metterdaad trouw blijven tot de dood en vooral dat zij door geloof deel krijgen aan het bloed van Christus dat van alle zonden reinigt en zij daarom godzalig gaan leven. Om die zaken gaat het in ons aller leven.