Posts tonen met het label Augustinus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Augustinus. Alle posts tonen

zaterdag 26 mei 2018

Kunnen met een beroep op het feit dat in het Oude Testament polygamie geoorloofd was homoseksuele relaties worden getolereerd?


Hoe moeten we beoordelen dat dat met een beroep op het feit dat polygamie onder de oude bedeling wordt goedgekeurd, homoseksuele relaties aanvaardbaar worden geacht? Volgens deze zienswijze kunnen homoseksuele relaties nog wel als zonde worden gezien, maar of deze zonde iemand buiten de hemel houdt, wordt in het midden gelaten. Polygamie is immers ook niet in overeenstemming met Gods scheppings-orde en toch heeft dat Abraham en Jacob niet buiten Gods koninkrijk gehouden.
Zo’n beroep verraadt geestelijke onkunde. Onkunde met betrekking tot de inhoud van de Schrift en het feit dat er een voortgang in openbaring is van de oude naar de nieuwe bedeling. De Schrift is volstrekt duidelijk als het gaat om de ernst van homo­seksueel gedrag. Evenals overspel is het een zonde die een mens buiten Gods koninkrijk als hij die zonde niet voor God belijdt en ermee breekt. 
Ik noem slechts 1 Korinthe 6:9-10: ‘Of weet u niet, dat de onrechtvaar­di­gen het konin­krijk Gods niet zullen beërven? Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgoden­die­naars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beër­ven. 
Verdediging van homoseksuele relaties met een beroep op polygamie getuigt ook van onkun­de van de kerkgeschiedenis. Al vroeg in de geschiedenis van de kerk in haar nieuwtesta­mentische vorm is de vraag naar polygamie in relatie tot homoseksueel gedrag gesteld en beant­woord.
Vanuit Gods goede schepping is het huwelijk tussen één man en één vrouw norm. We spreken terecht van een scheppings-ordening. Na de zondeval kwam polygamie voor het eerst onder de nakomelingen van Kaïn voor. Echter, ook van de drie aartsvaders Abraham, Izak en Jacob, had alleen Izak een monogaam huwelijk. Daarin liet Izak zien dat hij in dit opzicht in positieve zin geen kind was van zijn tijd zoals zijn vader Abraham en niet alleen zijn zoon Ezau, maar ook zijn zoon Jacob.
Door de HEERE is onder de oude bedeling polygamie getolereerd. Als David overspel heeft gepleegd met Bathseba, een getrouwde vrouw, zegt Nathan zelfs in naam van de HEERE tot hem: ‘Ik heb u het huis van uw heer gegeven (Saul; PdV), en de vrouwen van uw heer erbij in uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda geven. En als dat te weinig was ge-weest, zou Ik u nog wel meer gegeven hebben.' (2 Samuel 12:13).
In het Oude Testament wordt Salomo niet verweten dat hij meer vrouwen had, maar wel dat het getal van vrouwen dat hij genomen had wel heel hoog was. Daarmee overtrad hij de koningswet (Deuteronomium 17:17). Evanuitgaande dat Salomo het boek Prediker op oudere leeftijd schreef hebben trouwens kerkvaders, hervormers en puriteinen als een impliciete schuldbelijdenis over zijn zondige gedrag en wel heel weelderige levensstijl gezien. Daarom zagen zij geen reden aan de zaligheid van Salomo te twijfelen.
Al was onder de oude bedeling polygamie getole­reerd, in de praktijk leefde het overgrote deel van het volk Israël mono-gaam. Al­leen de rijkeren konden zich meer vrouwen permitteren. Ook laat het Oude Testament ons wel telkens de schaduwzijden ervan zien. Denk aan de problemen in de huisgezinnen van geschiedenis van Abraham, Jacob en Elkana.
In de wetten van Mozes kwalijke zijden van polygamie worden ingeperkt. Een man moet de oudste zoon van zijn eerste vrouw het eerstgeboorterecht schenken en niet de oudste zoon van de vrouw van wie hij het meest houdt. (Deuteronomium 21:15-17). Hij mag seksuele gemeenschap ook niet beperken tot de vrouw van zijn voorkeur. Elk van de vrouwen die hij trouwt, heeft recht op seksuele gemeenschap. (Exodus. 21:10).
In het Nieuwe Testament wordt uitdrukkelijk de scheppingsorde norm en ook eis. Onder de nieuw­testamentische bedeling kan in een overgangssituatie polygamie nog altijd getole­reerd worden. In onze tijd kan dat concreet worden gemaakt naar aan een moslim met vier vrouwen die tot bekering komt. Dan is het niet de bedoeling dat hij drie van zijn vier vrouwen wegstuurt. Ook in een overgangssituatie kan echter zo iemand geen ambtsdrager zijn (1 Timotheüs 3:2).
Voor hen die als christen opgroeien of ongetrouwd tot bekering komen, geldt in een samen­leving waar polygamie mogelijk is, de scheppingsorde van het huwelijk tussen één man en één vrouw. Echter, zowel onder de oude als de nieuwe bedeling is homo­seksueel gedrag zondig. Het is zelfs een gruwelijke zonde. Dat wordt om jet Oude Testament niet alle zonden gezegd. Een gruwelijk zonde is een zonde die een mens buiten Gods koninkrijk houdt.
Als het gaat om de verschillen tussen de oude en de nieuwe bedeling sprak reeds de eerste kerkvader Irenaüs sprak al de goddelijke opvoedkunde. Het volk van God was heilshistorisch onder de oude bedeling op weg naar de volwassenheid. Die fase is onder de nieuwe bedeling bereikt.
Uitgaande van dit beginsel verklaart de kerkvader Augustinus waarom onder de oude bede­ling polygamie wel geoorloofd was, maar onder de nieuwe bedeling niet. ‘De recht­vaar­digheid is niet veranderlijk, maar de tijden die de rechtvaardigheid regeert, verlopen niet gelijk.’ (Belijdenissen III, vii, 13). 
Homoseksueel gedrag van welke vorm ook (stabiele homoseksuele relaties niet uitgezon­derd) heeft God in alle tijden afgekeurd. Het is namelijk een zonde die tegen de natuur, dat wil zeggen tegen Gods scheppingsorde is. Deze zonde is strijdig met het gegeven dat seksualiteit een zaak hoort te zijn tussen man en vrouw.
De Schrift zelf is niet onduidelijk over homoseksueel gedrag en homoseksuele relaties. Ook de Vroege Kerk dacht en sprak op dit punt met één stem. Niet anders dan in onze tijd kwam homoseksueel gedrag in de oudheid in allerlei vormen voor. Van pure promis­cuïteit tot stabiele homosek­suele relaties die eindigden als één van de partners. Het argument dat de laatste acceptabel zouden zijn, omdat er sprake is van trouw is vreemd aan de Schrift. Nergens verbindt de Schrift trouw met wat zij uitdrukkelijk zonde noemt. Aan zondig gedrag moet men niet trouw blijven, maar daarmee moet men breken.
Augustinus schrijft: ‘Is het soms ooit of ergens onrechtmatig God lief te hebben met geheel uw hart en met geheel uwe ziel en met geheel uw verstand en uw naaste als uzelf. Daarom zijn schanddaden die tegen de natuur zijn, overal en altijd verfoeilijk en strafwaardig, zoals die van de inwoners van Sodom. En als alle volken die begingen dan zouden ze in dezelfde staat van beschuldiging worden gesteld door de goddelijke wet die de mensen niet zo heeft gemaakt dat zij op die manier met elkaar omgaan. Immers de gemeenschap zelf die wij met God moeten hebben, wordt geschonden, wanneer de natuur waarvan Hij de Schepper is, door tegen­natuurlijke lusten wordt bezoedeld.’ (Belijdenissen III, viii, 15).
Ook mag nooit met een beroep op neigingen als hoogmoed en hebzucht gedaan worden alsof homo­seksuele gevoelens niet zondig zijn. Van al die gevoelens geldt dat zij strijden met het goede beeld van God waarin en waarnaar wij geschapen zijn. Zulke zondige gevoelens (en dat geldt ook voor homoseksuele gevoelens) houden ons echter niet uit het koninkrijk van God als wij ziende op Christus er door de kracht van Zijn Geest tegen strijden. 
Heel vertroostend is dan dat gedeelte uit antwoord 56 van de Heidelbergse Catechismus waar wordt verwoord dat de vergeving van zonden ook onze zondige aard betreft waar­tegen wij ons leven lang strijden. Het is eerste is waar en het tweede. Vergeving van zonde leidt altijd tot breken met de zonden en strijd tegen onze zondige aard en zondige gevoelens.
Hoe moeten we het zien dat ambtsdragers en opinieleiders met een beroep op de polygamie van Salomo of met een beroep op het feit dat hoogmoed en hebzucht ook zonden zijn, homo­seksuele gevoelens niet als zonde zien en niet duidelijk aangeven dat ook een stabiele homo­seksuele relatie iemand uit het koninkrijk van God houdt? Het antwoord is eenvoudig. 
Hier gel­den de woorden van Paulus en daarmee van de Heilige Geest: ‘En ik roep u ertoe op broe­ders, acht te nemen/op te passen voor hen die onenigheden teweeg brengen en struikel­blokken opwerpen tegen de leer/het onder-wijs dat u van ons hebt geleerd, en keer u van hen af.’ (Romeinen 16:17). Waakt en bidt opdat u niet door wie dan ook in verzoeking wordt gebracht af te wijken van God in Zijn Woord tot ons zegt.
Van levensbelang in de diepste zin van het woord is dat de kerk zonde noemen wat de Schrift zonde noemt en dat waar de Schrift duidelijk zegt dat een concrete zonde iemand buiten Gods koninkrijk houdt, tenzij er sprake is van bekering, de kerk de Schrift ondubbelzinnig naspreekt. Immers hoe zullen mensen de strijd van het geloof gaan strijden als de bazuin van de prediking en van het kerkelijke getuigenis een onhelder geluid geeft (vgl. 1 Kor. 14:8). 
Een kerk is alleen de naam van kerk waar als de sleutels van het koninkrijk van God op de juist wijze worden gebruikt. Dat is een kerk waar de gelovigen horen dat zo dikwijls zo de toevlucht nemen tot Gods beloften al hun zonden hun on Christus’ wil zijn vergeven en aan hen die zich niet van harte bekeren wordt betuigd dat Gods toorn op hen rust, zolang zij in hun onbekeerlijkheid volharden (vgl. antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus).
Een kerk is pas kerk als zij het bijbelse getuigenis getrouw bewaard. Zo alleen ook is een christen werkelijk een christen. Een christen verheft zich niet boven de wereld zoals een farizeeër. Het bewaren van het bijbelse getuigenis is wat anders dan legalisme of moralisme. 
Een christen onderscheidt zich ook van de wereld. Dat komt niet in de laatste plaats in seksuele reinheid naar voren. De houding van Jozef is hier voor iedereen een voorbeeld. Hij bedwong zijn seksuele gevoelens, omdat hij wist dat als hij er zijn omstandigheden aan zijn toegeven hij een groot kwaad zou doen en tegen God zondigen (Gen. 39:9).
De kerk heeft de roeping mee te leven met hen die homo-seksueel georiënteerd zijn. We doen mensen geen recht als wij stellen dat zij daar zelf bewust voor hebben gekozen. Geven zij aan die oriëntatie toe en uiten zij dat in homoseksueel gedrag al is dat in een stabiele relatie dan moet liefdevol en ernstig de boodschap van bekering worden gebracht. 
Evenmin als over­spelers, hebzuchtigen, dronkaard en dieven zijn hen die zich overgeven aan homo­seksueel gedrag buiten het bereik van Gods  vergevende en vernieuwende genade. Dat blijkt duidelijk uit 1 Kor. 6:11: ‘En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.’
Er zijn voorbeelden van mensen die van hun homoseksuele oriëntatie verlost worden. Gebeurt dat niet dan mogen we als mensen als een arm zondaar tot Christus hebben leren vluchten dat niet aan een gebrek aan geloof wijten. Dit leven blijft ten gevolge van de zondeval altijd gebroken. Zeker is dat elke christen is het niet op het ene terrein dan wel op het andere tegen zondige neigingen moet strijden. Wie dat in Christus’ kracht mag doen, mag weten dat hij ook in de overwinning van Christus mag delen. Die boodschap mogen wij allen voorhouden. Wie deze boodschap van harte gelooft, mag weten dat niets hem van Gods liefde zal scheiden.

zaterdag 21 januari 2017

Het jansenisme. Een rooms-katholieke ketterij?

De Reformatie is niet ten onrechte als een augustijns reveil getypeerd. In het nadrukkelijk onder­scheiden van rechtvaardiging en heiliging gaat de Reformatie boven Augustinus uit. Ook voor Rome is Augustinus een kerkvader, al heeft zij zijn erfenis niet geheel over­ge­no­men.
Op het concilie van Trente heeft Rome de Reformatie afgewezen. Dat geldt niet alleen de reformatorische visie op de recht-vaardiging maar ook op de gebondenheid van de wil. Nu waren er in Trente verschillende stromingen. De besluiten over de ver-houding tussen Gods genade en de menselijke wil konden ver-schillend worden geïnterpreteerd.
In de rooms-katholieke kerk van de Contra-Reformatie komt dan een stroming op die heel uit­druk­kelijk teruggrijpt op de genadeleer van Augustinus en die in het gedachtegoed van de Je­zuïe­ten een groot gevaar ziet. Zij zoekt de uiterste grenzen op in haar inter-pretatie van Trente. Deze stroming heeft de naam jansenisme gekregen.
De naamgever is Cornelius Jansen. Jansen of Jansenius was hoogleraar in Leuven en eindigde zijn loopbaan als bisschop van Ieperen. Na zijn dood verscheen het werk Augustinus. Nadruk-kelijk verdedigt Jansenius in dit werk dat God niets aan de mens verplicht is en het ontvangen van genade louter een zaak is van ge­na­de. Het jansenisme wenste ook terug te keren tot de boetepraktijk van de Vroege Kerk. Daar­naast stimuleerde deze stroming het lezen van de Bijbel – uiteraard in kerkelijk goedgekeurde vertaling – door leken.
In de noordelijke Nederlanden maar vooral in Frankrijk vond het jansenisme veel weerklank. De bekendste verdediger van het jansenisme is Blaise Pascal. In verscheidene pauselijke bullen is het jansenisme veroordeeld, namelijk In Eminenti (1643), Cum Occa­sione (1653), Vineam Domini (1705) en en tenslotte Unigenitus (1713). De Franse kerk raakte door de jansenistische strijd tot op het bot verdeeld. Naast theologische speelde ook politieke factoren een rol. In Nederland ontstond in de achttiende eeuw de oud-katholieke kerk.
Tegenstanders van het jansenisme beschuldigden hen van crypto-calvinisme. Echter, de jansenisten beleden con amore de transsubstantiatie en hadden geen moeite met het ambt van de paus als opvolger van Petrus. Wel mogen wij zeggen dat zij binnen de rooms-katholieke kerk voluit bij de genadeleer van Augustinus wilden leven en die wilde paren met een wat wij zouden kunnen noemen godzalige levenswandel. Zo wilden zij binnen de rooms-katholieke kerk een alternatief bieden voor de Reformatie.
Naast de sacramentsleer en kerkleer is het be­lang­rijkste verschil met de Reformatie dat men de zekerheid van het geloof ontkent. Alleen wie volhardt tot het einde, mag weten een uitverkorene te zijn. De volle zekerheid kan mens pas hebben als men in de staat van genade sterft.
In de bundel Der Jansenismus – Eine <Katholische Häresie>? komen tal van aspecten van het jansenisme en de strijd die deze stroming ontketende ter sprake. Wie meer van deze stroming wil weten – en breder van de doorwerking en verwerking van Augustinus in de zeventiende en achttiende eeuw binnen de rooms-katholieke kerk is deze bundel echt een aanrader.

Dominik Burkard en Tanja Thanner (red.), Der Jansenismus – Eine <Katholische Häresie>? Das Ringen um Gnade, Recht-fertigung und die Autorität Augustins in der frühen Neuzeit, Reformationsgeschichtliche Studien und Texte Band 159 (Münster: Aschendorff Verlag, 2014), hardback. 464 pp., €56,-- (ISBN 978-3-402-11583-1)

zaterdag 22 oktober 2016

Pascal over de noëtische gevolgen van de zondeval


William Wood, fellow en tutor in de theologie aan het Oriel College te Oxford, schreef al weer enige jaren geleden een studie over de visie van Blaise Pascal over de cognitieve gevolgen van de zondeval. Deze studie verscheen bij Oxford University Press in de serie Changing Paradigms in Historical and Systematic Theology. Wood werkt uit dat voor Pascal de zonde­val een val is in dubbelhartigheid.
Sinds de zondeval is de mens gericht op zichzelf. De liefde tot zichzelf staat niet meer onder de koepel van de liefde tot God. Daarom heeft de gevallen mens een aangeboren aversie tegen de waarheid. Deze is altijd ook een aversie tegen God. We vinden het niet alleen gemakkelijk God te verwerpen, maar houden onszelf ook voortdurend voor de gek als het gaat om eigen zondigheid.
In de lijn van Augustinus is het de mening van Pascal dat kennis van het uiteindelijke karakter van de werkelijkheid altijd religieus of moreel van karakter is. Wil, intellect en gevoelens zijn door de zondeval verontreinigd. In plaats van ootmoed karakteriseert trots de gevallen mens. Het menselijke leven is zolang een mens niet vernieuwd is door de Heilige Geest een voort­du­rende illusie. Voor Pascal is het hart de cognitieve faculteit die de activiteiten van de wil en het intellect aanstuurt.
Wood maakt duidelijk dat we tegen deze achtergrond ook het bekende fragment van de weddenschap over het bestaan van God uit de Pensées moeten verstaan. We moeten dit lezen als een ad hominem argument, gericht tot zijn libertijnse vrienden die hij in zijn wereldse periode had leren kennen en breder tot allen die ontplooiing van het eigen ik en leven om eigen lusten te bevredigen als uitgangspunt hebben. 
Veelal is de filosofische analyse van dit fragment vooral gefocust op de waarschijnlijkheidsargumenten. Echter, terecht stelt Wood dat de notie van zelfbedrog centraal moet staan. De natuurlijke mens beoordeelt zijn morele situatie onjuist.
Moraal en gedrag hebben met elkaar te maken. In het fragment van de weddenschap zet Pascal in op het tweede met de bede dat dit leidt tot een verandering in de kijk op eigen ik, op moraal en daarmee verbonden op het bestaan van God. Hij raadt de libertijnse mens aan te gaan handelen alsof het christelijke geloof waar is. Ik wijs er zelf nog op dat Pascal hier een inzicht heeft dat ook opgepakt is door Plantinga is zijn ‘reformed epistemolgy’.
De ‘sensus divini­tatis’ (Godsbesef) verbonden met het bestaan van God en het innerlijke getuigenis van Gods Geest verbonden met de Bijbel als het geïnspireerde Woord van God hebben een juiste episte­mische omgeving nodig om goed te functioneren. Wood wijst erop dat Pascal er diep van overtuigd is dat wij psychisch zo in elkaar zitten dat gedragingen en overtuigingen elkaar beïnvloeden.
Pascal wist dat het geloof een genadegift van God is. Hij gebruikt evenals Augustinus voor de gave van het geloof het woord ‘inspiratie’. Zaak is wel dat de mens niet zichzelf blijft bedriegen, maar naar het onderricht van de Kerk luistert om te weten wat genade is en er zo op te worden voorbereid. De inspiratie of de gave van het geloof zelf blijft een onverdiend geschenk.
Ik wijs in dit verband ook nog op fragment 808 (uitgave Louis Lafuma): ‘Er zijn drie wegen tot het geloof: het verstand, de gewoonte en de inspiratie. De christelijke godsdienst die als enige redelijkheid erkent, erkent degenen die zonder inspiratie zijn niet als zijn ware kinderen. Dat betekent niet dat hij het verstand en de gewoonte uitsluit, in tegendeel: je moet je geest openstellen voor de bewijzen, door de gewoonte daarin worden bevestigd, maar je door verootmoediging ontvankelijk maken voor de inspiratie, het enige dat de ware en heilzame werking kan teweeg brengen, ne evacuetur crux Christi.’
Om de waarheid over onszelf en de werkelijkheid te leren kennen is liefde tot de waarheid nodig. Daartoe moet onze liefde op God en op Christus en Zijn kruis worden gericht. Dat is een werk van Gods genade en niet iets wat wij door introspectie kunnen bereiken. Genade is zowel cognitief als affectief.
Voor de lezer van de studie van Wood over Pascal lijkt het mij goed zich te realiseren dat Wood een anglo-katholiek is en geen evangelical. Hinderlijk vind ik dat hij vrouwelijke voornaam­woorden gebruikt ook waar onze algemeen gebruikte taal mannelijke hanteert. Wood geeft ook niet aan of hijzelf evenals Pascal de zondeval als een historisch feit ziet. Wie dat niet doet, haalt de feitelijke pijler onder Pascals betoog weg.
Niettemin schreef Wood een mooie studie waarvan de kritische lezer veel kan leren. Helemaal in de lijn van Pascal is het als Wood erop wijst dat kennis van de waarheid en liefde tot de waarheid ons nooit ten deel zal vallen en ons deel zal blijven, buiten de weg van het gebed.

William Wood, Blaise Pascal on Duplicity, Sin, and the Fall: The Secret Instinct, Changing Paradigms in Historical and Systematic Theology (Oxford: Oxford University Press, 2013), hardcover, 243 p., prijs £72,-- (ISBN 978-0-10-965636-3).



dinsdag 8 maart 2016

Wat kunnen wij leren van kinderen van God?

De jaren door heb ik na het overlijden van geestelijke vrienden iets over hen in de kerkbode meegedeeld. Voor Zwartebroek-Ter-schuur en Elspeet was dat de Veluwse Kerkbode. In de tijd dat ik de gemeente van Opheusden diende, hadden de Hervormde Ge-meenten van Opheusden, Kesteren, Lienden en Ochten een gemeenschappelijke kerkbode. In Waarder en Boven-Har­dinxveld ging het om de plaatselijke kerkbode.
In al die kerkbodes was er ruimte om meer te plaatsen dan alleen maar allerlei mededelingen. Van die ruimte heb ik dankbaar gebruik ge­maakt. Ik zag en zie het als een middel om via kleine bijdragen gemeenteleden – en dan vooral die gemeenteleden die weinig tot geen stichtelijke lectuur lezen – iets mee te geven.
Een gebeurtenis of levensschets is dan veelal nog toegankelijker dan een leerstellige uiteen­zetting hoe eenvoudig die ook verwoord is. Ik weet dat de mening wel wordt gehuldigd dat het on­juist is iets uit het leven van mensen mee te delen. Dat zou tot mens-verheerlijking leiden.
Nu is dat gevaar er inderdaad. Maar gevaren zijn er op allerlei terreinen. Die moet je proberen te vermijden. Het betekent niet dat je het bewuste terrein niet mag betreden. Het misbruik heft ook het goede gebruik niet op. De Bijbel zelf bestaat voor een groot deel uit geschie­de­nis­sen. Daarin gaat het om de grote daden van God.
De Schrift getuigt niet alleen van de oprichting en de bevestiging van Gods verbond, maar ook van de verbondsomgang tussen God en Zijn kinderen. De evangeliën geven ons niet alleen een portret van de Heere Jezus Christus, maar ook van Zijn volgelingen: van hun geloof, maar ook van hun zwakheden en falen.
In al deze zaken zijn zij voor ons een spiegel. In het elfde hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën wordt ons een wolk van oudtesta-mentische geloofs­getuigen ten voorbeeld getekend. Daarbij worden we er tenslotte toe aangespoord om te zien op Jezus Christus de overste Leidsman en Voleinder van het geloof (Hebreeën 12:2). Onder andere de brief aan de Hebreeën maakt ons op deze wijze ook duidelijk dat wij in kinderen van God iets van God Zelf zien of anders gezegd in navolgers van Christus iets van Christus Zelf zien.
Moeten we ons echter bij het geven van voorbeelden niet beperken tot de voorbeelden van gelovi­gen in de Bijbel zelf? Omdat de Bijbel de uiteindelijke bron en norm van ons geloof is, zijn die voorbeelden wel grondleggend en primair. Echter, Jezus Christus, Die al direct na de zondeval begon met Zijn Kerk te vergaderen, gaat daarmee door tot de jongste dag.
Wie alleen Bijbelse voorbeelden van gelovigen geeft, kan hoewel onbedoeld, de indruk wekken dat dit werk eigenlijk aan het einde van de eerste eeuw is gestopt. We mogen echter weten dat de HEERE de eeuwen door Zijn trouw heeft betoond. Hij leeft nog. Het is goed voorbeelden te ge­ven die dat kenbaar maken. We mogen niet vergeten dat de HEERE nog altijd doorgaat met Zijn werk zodat een schare zal zalig worden die niemand tellen kan.
Augustinus kwam mede door het getuigenis, dat de grote kerk-vader Atha­nasius in schriftelijke vorm, over de monnik Antonius had gegeven tot zijn beslissende keuze. Of nog beter gezegd: God gebruikte het om hem te leren de Heere Jezus Christus aan te doen. Augustinus zelf hield naast preken over Schriftgedeelten en preken naar aanleiding van de christelijke feesten ook preken over heiligen. Dan ging het om martelaren. Hij hield preken over Johannes de Doper en Stephanus, maar ook over martelaren uit de kerkgeschiedenis.
Ik zeg niet dat wij geen kritische vragen kunnen stellen bij de waardering van Athanasius voor het monnikwezen en bij de aan-dacht van Augustinus voor de heiligen. Christenen van de Refor-matie weten dat niet alleen martelaren of andere christenen met een uitzonderlijk geloof heiligen zijn, maar elke ware christen die door de Heilige Geest is wedergeboren tot een levende hoop.
Echter, als Augustinus zegt dat wij van de oversteek van heiligen door de Doodsjordaan kunnen le­ren, moeten wij hem daarin bijvallen. Die brug is na hun oversteek, zo zegt de kerkvader, niet ver­nietigd. Wij worden juist door hun voorbeeld tot een veilige oversteek aangespoord. Voor ons hebben deze heiligen de weg aangewezen naar het hemelse Vaderland. Daarin zijn zij straten-makers van God.
Augustinus zelf heeft in zijn Belijdenissen verteld hoe God hem opzocht en naar Zichzelf toetrok. De Belijdenissen zijn als gees-telijke autobiografie onovertroffen in hun betekenis voor de christelijke Kerk. Nu weet ik dat de Belijdenissen meer zijn dan een geestelijke auto­biografie, maar toch zeker niet minder. Zowel geestelijke autobiografieën als geestelijke biografieën hebben als genre de eeuwen door hun recht bewezen om de boodschap van het christelijke geloof te verduidelijken. De een is beter dan de ander. Daarin zijn ze niet uniek. Dat geldt ook van Schriftver-klaringen en preken.
In het boek Hoe zalig is het volk bied ik de lezer een aantal schet-sen van kinderen van God. Deze schetsen dragen geen volledig karakter. Ik teken de bewuste personen vanuit de ontmoetingen en gesprekken die ik met hen had. Ten opzichte van de vorm, waarin zij in de kerkboden zijn verschenen, zijn zij geredigeerd en een aantal is ook uitge­breid.
Mijn bede is dat ook deze schetsen als bruggenbouwers en stratenmakers mogen dienen om de pelgrimstocht naar het nieuwe Jeruzalem te beginnen of voort te zetten. Laat dan de bede zijn en blijven: ‘Zend, HEER’, Uw licht en waarheid neder’ (Psalm 43:3 berijmd).
De biografische schetsen zijn geordend naar het geboortejaar van de persoon die wordt beschreven met uitzondering van de eerste en de laatste. Ik begin met ds. A.P. Verloop. Hij gaf mijn ouders op 3 januari 1952 Gods zegen over hun huwelijk in een dienst in de Her­vormde evangelisatie op gereformeerde grondslag in Lekker-kerk. Hij was ook de predikant die mij op zondag 7 juni 1956 in de Gereformeerde Samenkomst van Alblasserdam doopte en aan mij daar in Gods voorzienigheid het teken en zegel schonk van opname in de ene heilige, algemene christelijke Kerk.
Ik eindig met de schets over mijn vader, die mij meer dan hijzelf heeft beseft, voorging in de vreze des HEEREN. Daarmee wil ik onderstrepen dat zalig worden haar oorsprong vindt in Gods verbondstrouw. Hij bevestigt Zijn verbond van kind tot kind.
Naar Zijn eeuwig voornemen trekt God van geslacht tot geslacht zondaren uit de duisternis tot Zijn wonderbare licht. Hij zond Zijn Zoon naar deze wereld ter verzoening van de zonde. De Heilige Geest stort de liefde van God geopenbaard in de kruisdood van Jezus Christus in het hart. Zo maakt de HEERE een mens nieuw en wordt hij een vreemdeling op aarde en een pelgrim naar een beter vaderland.
Hier op aarde in beginsel en straks in volkomenheid wordt door Gods kinderen gezongen: ‘Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie.’ (Openbaring 5:9) en ‘Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.’ (Openbaring 5:12).
Zelf heb ik er de goedheid van God in gezien dat ik reeds op jonge leeftijd kinderen van God mocht ontmoeten. Ik denk aan oma De Vries, de moeder van mijn vader, aan meester Van Wijk, het hoofd van de lagere school in Kinderdijk. Aan ds. H. Hofman, ds. A.P. Verloop en aan meerdere anderen. Kinderen van God uit de kring waartoe mijn ouders behoorden zoals oom Freek Maasland en zijn vrouw, tante Bastiaantje (een oom en tante van mijn moeder). Oom Freek was evenals mijn moeder van huis uit hervormd en ook evenals mijn moeder door zijn huwelijk in de kring van ds. Hofman en ds. Verloop gekomen.
Al jong merkte ik dat God ook buiten de kring waarin ik opgroeide Zijn kinderen had. Toen wij in Kinderdijk woonden – ik was veertien toen wij naar Alblasserdam verhuisden - was mevrouw Van Dam een goede vriendin van mijn moeder. Als kind herinner ik mij haar als een wat oudere dame. Zij moet tussen de vijftig en de zestig jaar zijn geweest. Haar man werkte evenals mijn vader in die tijd bij IHC Smit. Hij had ook een acte van godsdienstonderwijzer in de Hervormde Kerk. In die tijd betekende dit dat je dan preek-bevoegdheid had.
De heer Van Dam was wat afstan­de­lijk. Dat gold niet van zijn vrouw. Die was heel open en had een vriendelijk karakter. Zij mocht weten dat zij Christus toebehoorde en dat haar zonden haar om Christus wil vergeven waren. Daar sprak zij over met mijn moeder. Ook over haar strijd en zorgen. Maar dat het uiteindelijk zo is, dat wie op God vertrouwt, belijdend dat hij niets heeft verdiend en God niets aan hem verplicht is, mag bemerken dat hij met God nooit beschaamd uitkomt. Meer dan eens heb ik erbij gezeten als zij over deze dingen sprak en zo mijn moeder probeerde op te beuren en de weg te wijzen.
Ook oom Joost van Wijk, zoals wij als leden van de familie De Vries hem waren gaan noemen, kerkte in de plaat­selijke Hervormde Gemeente van Kinderdijk bij dr. C.A. Tukker. Tijdens mijn vakan­tie­werk, dat ik door bemiddeling van oom Joost de eerste jaren van mijn middelbare schooltijd in de zomer een viertal weken in de Bommelerwaard deed, ontmoette ik ook daar kinderen van God. Vooral denk ik aan Aaike (Arie) van Wijk, de vader van oom Joost die vele jaren ouderling is ge­weest van de Hervormde Gemeente van Gameren.
Toen ik theologie ging studeren en ik hem daarna weer ontmoette zei hij in zijn dialect: 'Nu heb ik gehoord dat je voor dominee gaat leren, zul je nooit vergeten dat je dan je hele leven nodig hebt wat er staat in Psalm 130.' Toen citeerde hij Psalm 130:3 (berijmd):
Ik blijf den HEER' verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord;
Ik hoop, in al mijn klachten,
Op Zijn onfeilbaar woord;
Mijn ziel, vol angst en zorgen,
Wacht sterker op den Heer',
Dan wachters op den morgen;
Den morgen, ach, wanneer?
Hij hield mijn hand vast, totdat ik ‘Ja’ had gezegd. Ik studeerde al theologie toen oom Jo Koutstaal tot inkeer kwam. Naar het scheen was hij door en door neo-gerefor­meerd. ‘Je moest geloven,’ zo zei hij, ‘want je was gedoopt.’ Tegen mijn oma, zijn oudste zus Neeltje, heeft hij vaak gezegd dat zij teveel twijfelde.
Helemaal ongelijk had hij niet. Toch mocht zij weten dat de HEERE naar haar had omgezien. ‘Jo,’ zei ze dan ten slotte, ‘maar vertel jij dan eens wat je aan de HEERE mag hebben.’ Dan werd hij stil, want uiteindelijk kon hij die vraag niet beantwoorden.
Wij hadden in Kinderdijk altijd tegenover oom Jo gewoond. Als kind waren we wat bang voor hem en hadden wij liever met zijn vrouw tante Anna te doen, want hij had een wat bars karakter. Oom Jo was 78 jaar toen hij beleed: ‘Ik mis het geloof van mijn ouders. Ik kan zo God niet ontmoeten.’
Mensen uit zijn omgeving wezen hem op zijn vele prestaties in dienst van God. Als echte neo-gereformeerde was hij overal uitge-komen voor zijn christen-zijn. Op zich konden anderen daarvan nog veel leren. Nu zei hij dat hij miste dat hij gereinigd was door Christus bloed. ‘Ik ben mijzelf voorbij gelopen,’ zo zei hij, ‘en dat 78 jaar lang. Kan dat nog goed komen?!’ Bij een ziekenhuisopname kwam er een doorbraak net als bij Paulus. Hij had altijd bij een boezem niet ver van een gemaal gewoond.
Hij zei ervan: ‘Als een vies papier dreef ik in de boezem naar het gemaal. Toen ik bijna de vijzels van het gemaal had bereikt, ben ik als een vies pa­pier uit de boezem gehaald. Ik ben geweldig in mijn sas. Ik kan niet zeggen hoe verblijd ik ben, want nu mag ik weten dat mijn zonden mij zijn vergeven. Neeltje, zou het anders hebben gezegd, maar zij bedoelde hetzelfde. Hier heeft zij altijd om gebe-den en nu twee jaar na haar dood heeft God haar gebed verhoord. Wat zou ik nu graag nog een keer met Neeltje praten.’
Telkens weer en dat tot op de dag van vandaag heeft de HEERE kinderen van Hem op mijn weg geplaatst. In de gemeenten die ik diende en daarbuiten. In ons eigen vaderland en elders in de wereld. Zo heeft voor mij het geloofsartikel: ‘Ik geloof één heilige, algemene of katho­lieke christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen’ vlees en bloed gekregen. Al die heili­gen die ik mocht ont-moeten, hadden iets eigens. Zij hadden hun eigenaardigheden en beperkingen, al viel dat bij de een meer op dan bij de ander. Wie weet dat hijzelf maar ten dele kent en ten dele aan Christus gelijkvormig is, kan verdragen dat dit ook voor anderen geldt.
Wie de hier geboden beschrijvingen leest, zal niet alleen verschillen in karakter opmerken maar ook verschillen in opvatting en inzicht. Dat mag toch geen bezwaar zijn. De eenheid van geloof moeten we nooit invullen als eenvormigheid van het geloof. Waar leven is, is altijd behalve de diepliggende onderlinge eenheid ook veel-vormigheid. Bekend is het beeld van de vele verschillenden bla-deren aan één en dezelfde boom. Dan gaat uiteindelijk de eenheid ver boven de veelvormigheid uit.
Wat mij aan al deze mensen verbond – en dat geldt ook van de personen beschreven in dit boekje – was een diepe eenheid in geloofsleer en geloofsbeleving. Een eenheid die ik het best kan weergeven met Psalm 89:8 (berijmd):
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht;
Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen
Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen,
Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.
Mijn diepe wens is dat de lezers van dit boekje een levend lid mogen worden van de ene heilige, algemene of katholieke Kerk en zo zij het al zijn, in het algemeen, ongetwijfeld christelijk geloof bevestigd mogen worden. Van allen van wie dat geldt mag gezegd en gezongen worden:
Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!
Zij wand’len, HEER', in 't licht van ’t Godd’lijk Aanschijn voort;
Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;
Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in 't lijden,
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,
Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.
(Psalm 89:7 berijmd)

Ds. P. de Vries, Hoe zalig is het volk. Herinneringen aan kinderen van God, Den Hertog, Houten 2014; ISBN 978-90-331-2663-5; hb. 176 pp., prijs 18,90.

donderdag 11 februari 2016

Boeken die mij hebben gevormd

Er zijn boeken die mij hebben gevormd en een diepe indruk op mij hebben gemaakt. Boeken die door Gods genade in samenhang met de Bijbel als Zijn onfeilbare Woord mijn leven richting hebben gegeven. Ga ik terug naar mijn kinderjaren dan denk ik aan De Christenreis van John Bunyan. Bunyan tekent het leven van een christen als dat van een pelgrim en strijder op reis naar een beter vaderland en al jong werkte de Heere in mij het verlangen ook zo’n pelgrim en strijder te mogen zijn.
Op de middelbare school werd ik diep getroffen door het meester-werk van Augustinus de Belijdenissen. Op een andere toonzetting dan bij Bunyan hoorde ik hier toch dezelfde me­lodie. Augustinus beschrijft hoe God hem deed terugkeren naar Hem Zelf en Zijn Kerk. 
Onder de boeken die mij hebben gestempeld zijn werken die heel diep de theologische bood­schap van de Schrift verwoorden. Ik denk aan de werken van de grote puritein John Owen. Om hem beter te leren kennen las ik al zijn werken en schreef ik over hem een proefschrift.
Ik heb ook eenvoudige stichtelijke werken gelezen waardoor ik die-per ging verstaan wat nu ge­meenschap met God door Christus is zoals die door de Heilige Geest wordt gewerkt. Als voorbeeld noem ik Gebedsgestalten van ds. F. Bakker. Van dit eenvoudige boek dat inmiddels al in heel wat talen is vertaald, zijn vele honderddui-zenden exemplaren gedrukt en gelezen.
Ik noem ook een andere naam die – naar ik vermoed velen minder bekend of totaal onbekend is  – en wel die van ds. Murdoch Campbell (1900-1974). Campbell is predi­kant geweest in de Free Church of Scotland. Hij was afkomstig van het eiland Skye. In mijn studen­tentijd kocht ik in een boekwinkel in Schotland zijn auto-biografie Memories of a Way­faring Man (Herinneringen van een pelgrim). Ik was al predikant, toen er een Neder­landse vertaling van dit werkje verscheen.
Niet vaak heb ik op een zo tere en bevindelijke wijze de ge-meenschap met God in Christus uit persoonlijke ervaring uiteen horen zetten als Campbell dat deed. In de kern is de christelijke geloofservaring universeel. Toch heeft de ene geloofservaring ver-schillende variëteiten of kleuren. In Nederland was de godsvrucht van het Reveil toch weer iets anders van kleur dan die van de Afgescheidenen, al zie je ook veel overeenstemming.
De godsvrucht van Campbell is gestempeld door wat men in Schotland ‘the Highland piety’ noemt: de godsvrucht van de Hoog-landen. In deze godsvrucht hebben ook dromen hun plaats zonder dat ook maar iets wordt afgedaan aan het feit dat alleen de Schrift norm en bron van het geloof is. Heel ken­mer­kend voor Campbell is ook hoezeer hij een trooster van treurigen en van aangevochten gelovi­gen wil zijn.
Campbell heeft behalve zijn autobiografie meer werken geschre-ven. Ik was zo door zijn auto­biografie getroffen dat ik ze alle aan-schafte. Diep getroffen werd ik door zijn werk In All Their Affliction (In al hun benauwdheid). 
Mijn herinneringen aan dit werkje kwamen terug toen ik onlangs een Nederlandse vertaling ervan door Om Sions Wil uitgegeven onder ogen kreeg. Campbell belicht in dit boekje een aantal thema’s uit de praktijk van het geloofsleven waarbij hij de uiteen-zetting ervan verweeft met herinneringen die hij zelf heeft gehad aan kin­deren van God.
Ik geef een aantal zaken door die mij jaren geleden al raakten. Campbell vermeldt hoe een ze­kere Alexander Gair heeft opge-merkt dat God in één nacht Zijn volk uit Egypte voerde en het ver­volgens veertig jaar duurde voordat Hij Egypte uit het hart van Zijn volk had geleid. Campbell zelf was er ook diep van doordrongen dat een christen een strijd moet voeren tegen zichzelf totdat hij de Doodsjordaan is doorgegaan.
Een ander voorval is afkomstig van Ducan MacRae. Als jongeman ontving hij van een rijke vreemdeling een zilveren munt. Toen hij de munt in zijn zak deed voelde hij zich de rijkste mens van het land. Zijn blijdschap veranderde in verdriet, toen hij met zijn hand in zijn zak voelde en bemerkte dat de munt was verdwenen. 
Wat was zijn verbazing en blijdschap groot toen hij er achter kwam, dat de munt in de voering zag. Duncan zag in deze gebeurtenis een voorbeeld van de wijze waarop Gods volk kan treuren over het schijnbare verlies van wat zij nooit kunnen verliezen, namelijk het leven en de liefde van God in hun ziel.
Om duidelijk te maken hoe God Zijn volk in en door beproeving kan troosten verhaalt hij wat hijzelf hoorde uit de mond van één van zijn leermeesters prof. John MacLeod, hoogleraar dog­ma­tiek aan het Free Church College in Edinburgh. Deze wees op bepaalde zee-vogels die vanaf grote hoogte in zee duiken en dan lange tijd onder water blijven. Je zou vermoeden dat zij de dood in het water hebben gevonden, maar dan komen zij weer boven met een vis in hun bek. Zo gebruikt God kruis en beproevingen om Zijn volk geestelijk te zegenen.
Heel leerzaam en behartigenswaardig is wat Campbell schrijft over de strijd tegen boezem­zonden. Hij noemt dat voor meerderen dan het toegeven aan onreine gedachten een groot pro­bleem is. Hij wijst in verband daarmee op de kwalijke invloed van de tv. In onze tijd is door internet dat probleem alleen nog maar verhevigd. Hij spoort zijn lezers aan om evenals Job een verbond te sluiten met hun ogen. In alles is van groot belang dat wij onszelf niet over­schatten. Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle. Dan wijst Campbell op Petrus.
Bij weinig schrijvers heb ik zozeer het heimee naar God en naar de volmaakte gemeenschap der heiligen geproefd als bij Murdoch Campbell. Zijn kinderlijke eenvoud en geloofs­ver­trou­wen waren voor mij een beschamend voorbeeld. Van dat heimwee geef ik nog een voorbeeld uit In al hun benauwdheid.
Eens trok een man zich terug in zijn vaste gebedsplaats. ‘Heere,’ zo fluisterde hij, ‘ik woon hier in een plaats waar maar weinigen Uw naam aan­roe­pen. Velen die in vroeger dagen met U wandelden, zijn in de hemel en ik ben dikwijls alleen. Nauwelijks had hij deze nood voor God neergelegd of God troostte hem op krachtige wijze door hem erop te wijzen: ‘U bent niet alleen, want Ik ben bij u.’
Van een oude predikant verhaalt Campbell dat hij op de begrafenis van een overleden vriend zei: ‘Zij die in de Heere sterven, zeggen nooit voor de laatste keer: vaarwel.’ Alle leden van Gods vrijge-kochte Kerk zullen elkaar in het nieuwe Jeruzalem ontmoeten. In het licht van de eeuwigheid zal dat heel spoedig zijn. 
Bij het lezen van de boeken van Murdoch Campbell werd bij mij het heimwee naar God en naar het nieuwe Jeruzalem verhevigd. Ik hoop dat zij die zijn boeken zullen lezen dit heimwee krijgen of erin versterkt worden. En dan is dit zeker: ‘Die heimwee hebben, komen thuis.’

N.a.v. Murdoch Campbell, In al hun benauwdheid. Pastorale memoires van een Schotse predikant, vertaling R. Pieterman, Om Sions Wil, Gouda 2013: ISBN 978-94-91586-06-4; hb. 154 pp., prijs €11,50.

vrijdag 4 december 2015

De Belijdenissen van Augustinus

Als we de Bijbelschrijvers buiten beschouwing laten, is er geen navolgeling van de Heere Jezus die zo’n groot stempel op de christelijke kerk heeft gezet als de kerkvader Augustinus (354-430). Augustinus wordt terecht de kerkvader van het Westen genoemd. Geen andere kerkvader heeft zoveel geschriften nagelaten als hij. Bekende uitdrukking in de geloofsleer zijn van hem afkomstig.
Dan kunnen we denken aan de uitdrukking  ‘erfzonde’, aan de onderscheidingen van de staat van rechtheid, van verlorenheid, van wedergeboorte en van eeuwige zaligheid of ramp­zaligheid. Als in de achttiende eeuw de Schotse theoloog Thomas Boston het boek De viervoudige staat publiceert. grijpt hij daarin op de kerkvader Augustinus terug.
De geschriften van Augustinus zou je met een indrukwekkende kathedraal kunnen verge­lijken. Niet alleen vanwege hun omvang maar ook vanwege hun diepe inhoud. Welke deur kun je nu het best gebruiken om de kathedraal van Augustinus’ geschriften binnen te gaan? 
Iedereen die Augustinus iets beter kent, noemt dan zijn werk dat zijn bekendste werk, namelijk de Confesssiones. Dat is een Latijns woord dat meestal met Belijdenissen wordt ver­taald maar je zou ook met Lofprijzingen kunnen vertalen.
In de vorm van een gebed tot God vertelt Augustinus in negen boeken (wij zouden nu hoofdstukken zeggen) hoe God hem trok uit de duisternis tot zijn wonderbare licht. De vorm van Augustinus Belijdenissen herinnert ons aan het Bijbelboek van de Psalmen. Een Bijbel­boek dat Augustinus heel dierbaar was. Augustinus zong trouwens ook heel erg graag.
In de Belijdenissen begint Augustinus zijn levensverhaal met zijn geboorte en eindigt hij met het feit dat hij samen met vele anderen in de kerk van Milaan het teken van de Heilige Doop ont­ving om vervolgens naar zijn geboortestreek Noord-Afrika terug te reizen. Dan volgen nog vier boeken.
In het tiende bespreekt de vermogens van de menselijke ziel en vooral die van het geheugen bespreekt, terwijl in de laatste drie ingaat op de schep­ping. In dat verband gaat hij ook in op het begrip ‘tijd’. Juist de vragen van de schepping en hoe er kwaad kan zijn in de schepping waren voor Augustinus aanleiding geweest het christelijke geloof vaarwel te zeggen.
In de oudheid speelde ook de vraag hoe het mogelijk was dat een onveranderlijke God het besluit van de schepping kon nemen. Naar de opvatting van de Griekse filosofie was de ma­terie er altijd geweest. Niet alleen God was eeuwig maar ook de materie. De Kerk daarentegen leerde op grond van de Schrift de schepping uit het niets (creatio ex nihilo).
Augustinus heeft geleerd zijn verstand te onderwerpen aan het getuigenis van de Schrift. Na zijn bekering zocht hij niet vanuit het ongeloof, maar juist vanuit het geloof naar begrip. Daarin is hij nog altijd een voorbeeld. Zeker voor hen die worstelen met de vragen van geloof en wetenschap.
Om de Belijdenissen toegankelijker te maken zijn ze door Evert Barten herschreven. Hij heeft dat op een bijzonder goede manier gedaan. Zijn wens is dat mensen die de Belijdenissen in hun oor-spronkelijke vorm nooit ter hand zouden nemen, zo toch van dit boek kennis nemen. En wellicht dat zij daarna toch naar de Belijdenissen in hun oorspronkelijke vorm grijpen.
Dat zal Evert Barten bepaald niet erg vinden. Integendeel, dat is voor het hem een bewijs dat hij zijn werk niet voor niets heeft gedaan. Het kan ook zijn dat de Belijdenissen in de oor­spronkelijke vorm te pittig blijven. Daarom is verheugend dat dit zo belangrijke werk uit de kerkgeschiedenis zo voor meerderen toegankelijk is.
Wat kunnen wij van de Belijdenissen leren? Je merkt eruit ook in de herschreven vorm dat Augustinus echt een denker was. Dat neemt niet weg dat meerdere van zijn vragen niet alleen heel herkenbaar zijn, maar ook de eeuwen door zijn gesteld. Dan kunnen we denken aan vragen als: Waar kwam Kaïns vrouw vandaan?
Waarom liet God in het Oude Testament het hebben van meer dan één vrouw toe en is dat in het Nieuwe Testament verboden? Ik noem ook vragen die Augustinus heel diep hebben bezig-gehouden: Waar komt het kwaad vandaan en waarom liet God de zondeval toe?
Onder andere omdat de Kerk hem als jongeman geen antwoord kon geven op zijn vragen keerde Augustinus de Kerk de rug toe. Hij sloot zich aan bij de sekte van de Manicheeërs. Hun bewering dat hun leer volstrekt verstandelijk te begrijpen was, sprak hem aan-vankelijk heel erg aan.
Echter, ten slotte bleek dat ook zij zaken beweerden die je op hun gezag moest aanvaarden. Later heeft Augustinus gezegd dat hij dan liever het gezag van de Kerk volgde. De Kerk die hem wees op de Bijbel als de stem van de Heere Jezus Christus.
Wanneer jongeren intellectuele twijfels bij het christelijke geloof hebben, kunnen zij van Augustinus leren dat hij dat ook heeft gehad. De boodschap van de Bijbel en van de Kerk botste op meer dan een punt met de wetenschap van die dagen. Monica, zijn godvrezende maar eenvoudige moeder kon zijn vragen niet beantwoorden.
Een eenvoudige bisschop die zij vroeg het gesprek met haar zoon aan te gaan, wees haar verzoek af. Hij wist dat hij niet in staat zou zijn dat jonge man overtuigen. En hoe dan ook moet uiteindelijk Gods Geest dat doen. Toen Monica bleef aandringen, heeft deze bisschop van wie wij de naam niet kennen, enigs­zins geërgerd geantwoord: ‘Een zoon van zoveel tranen kan niet verloren gaan.’ Dat is een profetie gebleken.
Augustinus schreef zijn Belijdenissen om mensen die zoals hij van het christelijke geloof waren afgedwaald tot inkeer te bewegen, om zoekers bij te staan en om gelovigen die net als hij mochten weten dat God Zelf hen had opgezocht, in geloof te versterken. Al is het boek in een heel andere tijd geschreven en al moeten wij bij het maken van toepassingen naar heden meer dan eens een vertaalslag maken, daarin is het nog altijd brandend actueel.
Vooral omdat de diepste vragen van het menselijk hart niet veranderen. Dan denken we aan een zin die je vindt helemaal aan het begin van de Belijdenissen en die ongetwijfeld de be-kendste uitspraak van Augustinus is. ‘U hebt ons geschapen tot U en onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U.’
Augustinus heeft geleerd dat een mens alleen echt gelukkig is als hij aan zijn diepste doel beantwoord. Dat doel is God verheerlijken en zich in God verheugen. Dat kan sinds de zondeval alleen als wij toegang tot God krijgen door Jezus Christus.
Nadat hij zich had afgekeerd van de Manicheeërs heeft Augus-tinus enige tijd houvast gezocht in de werken van (neo)platoonse filosofen. Echter, hij miste daarin wat hij als jongeman al in ge­schriften van heidense schrijvers had gemist, namelijk de Heere Jezus Christus.
Aange­trok­ken door diens welsprekendheid ging hij in Milaan bij Ambrosius naar de kerk. Onder de pre­di­king van Ambrosius ver-dwenen zijn intellectuele vragen en twijfels bij het christelijke ge­loof. Echter, hij kon het niet opbrengen zichzelf te verloochenen om Christus na te volgen.
Hij bad weliswaar om bekering, maar wist dat hij iets vroeg dat hij niet direct wilde ont­van­gen. Hij zou dan immers moeten breken met alles wat hem van God afhield. Hij had het gevoel dat hij dan een gevangen en geboeid mens zou zijn.
Hij wilde wel na dit leven de hemel, maar had er geen behoefte aan in dit leven nabij God te zijn. Het onderscheid tussen ver-standelijke aanvaarden van het christelijke geloof (wel historisch geloof genoemd) en het hartelijke beleven ervan (het zaligmakende geloof) vinden we in de boeken zeven en acht van de Belijdenissen terug. In boek zeven beschrijft Augustinus zijn intellectuele bekering en in boek acht zijn morele of existentiële bekering
Hoevelen hinken precies als Augustinus vóór zijn bekering op twee gedachten. Hoevelen willen we bekeerd worden in de zin dat zij naar de hemel willen, maar hebben er geen zin in de smalle weg te bewandelen. Toch vraagt de Heere dat van ons. 
Als je merkt dat je niet  alleen niet kunt maar ook niet wilt, doe dan net als Augustinus en vraag aan de Heere: ‘Geeft u toch aan mij wat U van mij beveelt en beveel dan aan mij wat U van mij wilt.’ Augustinus heeft mogen merken dat hij al biddend om de Geest door Gods genade leerde bidden door Gods Geest. Daarin was hij niet de eerste, maar gelukkig ook niet de laatste. God is de eeuwen door dezelfde gebleven.
In de tijd dat Augustinus hinkte op twee gedachten had hij een gesprek met zijn vriend Alypius. Hij vroeg waarom zei toch de goede keuze niet konden maken. Toen hoorde hij een kinderstem een lied zingen met de woorden ‘Neem en lees’. Hij sloeg de Bijbel (het boek van de apostel Paulus) op waar hij het had neergelegd en las de woorden: ‘niet in brasserijen en dronken­schap­pen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden’ (Romeinen 13:13–14) .
Wat er na het lezen van deze Bijbeltekst gebeurde geef ik in de woorden van Augustinus zelf weer: ‘Want direct, toen ik deze woorden tot het eind toe had gelezen, stroomde als het ware het licht van de gemoedsrust mijn hart binnen en alle duisternis van twijfel vluchtte weg.’ Augustinus voelde zich nu geen geboeid mens, zoals hij van tevoren had gedacht maar juist een bevrijd en gelukkig mens. 
Augustinus heeft zijn leven teruggezien in de jongeling van Naïn. Ook hij was van dood levend geworden. Zoals de weduwe van deze enige zoon werd verhoord, had de Heere ook de gebeden van zijn moeder verhoord. De Kerk mag weten dat de Heere op haar gebed wonderen blijft doen en doden levend maakt.
Wie genade heeft ontvangen vindt het geen opgave God te dienen, maar is verdrietig dat hij het nog al te weinig doet. Hij wordt op aarde een vreemdeling en ziet uit naar de dag waarop hij God vol-komen zal dienen. Dat verbindt alle Gods kinderen de eeuwen door met elkaar. Dat kan je uit de Belijdenissen leren. Ik wijs daarnaast op het tweede hoofdwerk van Augus­ti­nus De Stad van God.
Mijn bede is dat iedere lezer het lezen van deze vereenvoudigde weer­gave van de Belijdenissen van Augustinus een pelgrim wordt op reis naar het nieuwe Jeru­zalem. Ik hoop dat in een van de meest geliefde teksten van Augustinus uit het Oude Testa­ment jouw leven (ik ga uit van jeugdige lezers, maar het geldt oudere lezers niet minder) ge­tekend mag worden. Dat zijn de woorden: ‘Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen’ (Psalm 73:28).


N.a.v. Evert Barten, Neem en lees. Augustinus’ Belijdenissen uitgelegd, Den Hertog, Houten 2015: ISBN  9789033127373; hb. 158 pp., prijs €19,90.

zaterdag 25 april 2015

Augustinus over de schepping en het paradijs

De bijbelse visie op de schepping staat onder zware druk. Wij zijn niet de eersten in de geschiedenis die worstelen met de vraag naar de relatie tussen God en deze werkelijkheid. Die worsteling is er ook in de eerste eeuwen na Christus in de Vroege Kerk geweest. De christelijke kerk beleed tegenover de antieke filosofie die van de eeuwigheid van de materie uitging de schepping uit het niets.
Dit christelijke geloofsartikel was voor Augustinus één van de redenen om de Katholieke Kerk te verlaten. Als God de almach-tige Schepper is, moet Hij voor het kwade verantwoordelijk wor-den gesteld en dat is toch strijdig met de goedheid van God? Voor deze worsteling van Augustinus en de antwoorden die hij leerde geven, wil ik aandacht vragen.
Volgens de Manicheeën is er naast het eeuwige goede ook het eeuwige kwaad. Dat was één van de redenen dat Augustinus zich tot deze sekte met zijn rationele vorm van christelijk geloof voelde aangetrokken. Tenslotte konden echter de Manicheeën hun claim dat zij alles rationeel inzichtelijk konden maken niet waarmaken. Zij beriepen zich uiteindelijk ook op het gezag van de Schrift zoals zij die opvatten.
Daarop zou Augustinus later antwoorden dat hij de Schrift niet als Gods Woord zou aanvaarden als de Katholieke Kerk hem dat niet leerde. Als hij dan toch voor een gezagsinstantie moest buigen, wenste hij dat niet voor de Manicheeën maar voor de Katholieke Kerk te doen.
Het neoplatonisme heeft Augustinus geholpen bij de doordenking van de relatie tussen God en het kwade. Het kwade is een afwe-zig zijn van het goede. Al het bestaande/zijnde is goed omdat het van God afkomstig is. Het kwaad heeft geen echter ‘zijn’. Het zal duidelijk zijn dat op deze neoplatonische visie op het kwaad en de zonde bijbels wel wat valt af te dingen. Augustinus heeft het evenwel geholpen om enerzijds de almacht van God en het allesomvattende karakter van Zijn raad te belijden en daarbinnen toch een plaats te geven aan het kwaad en de zonde.
Volgens Augustinus hebben allerlei zaken die wij als gebreken in de niet-redelijke natuur aantreffen te maken met een mindere mate van zijn. Deze gebreken mogen we naar zijn overtuiging echter niet als veroordelingwaardig beschouwen. Augustinus noemt in dit verband de ontbindbare natuur van dieren die tot ver-derf overgaat.
Hij spreekt dan van de schoonheid van de schepping als geheel. Als wij in die schoonheid geen vreugde vinden, komt dit omdat wij het geheel niet kunnen overzien. Hij noemt ook dat vuur bij de ene toepassing verderfelijk en bij de andere heerlijk is.
Als het gaat om de mens ligt het voor Augustinus anders. Het verderfelijke karakter van de menselijke natuur is het gevolg van de zondeval. Tegen de pelagiaan Julianus van Eclanum heeft Augustinus betoogd dat pijn en dood geen deel uitmaakten van de natuurlijke orde.
Omdat volgens Julianum van Eclanum Adams zonde geen gevolgen voor zijn nakomelingen had, concludeerde hij dat er reeds in het paradijs moeite en pijn was. Augustinus wijst dit radicaal van de hand. Daarmee wordt de ernst van Adams zonde miskend en zou aan God onrechtvaardigheid moeten worden verweten. Alle menselijk leed is een gevolg van de zondeval.
Heel nadrukkelijk gaat Augustinus zoals trouwens ook bij de apostel Paulus het geval is, uit van Adam als historisch persoon. Adam is de eerste mens. Augustinus keert zich tegen de gedachte dat de materie er altijd zou zijn geweest. De schepping en ook de mensheid heeft een begin. Augustinus wil niet weten van een kringloopgedachte waarbij er voor de huidige wereld als vele geweest zijn.
Aan het begin van de geschiedenis van de mensheid staat het paradijs. Het feit dat wij uit geschiedenissen en ook uit de paradijsgeschiedenis geestelijke lessen kunnen trekken, betekent voor Augustinus niet dat er geen historisch en materieel paradijs is geweest. Zonder dat hij hem met name noemt distantieert Augustinus zich hier van Origenes bij wie de historiciteit van de paradijsgeschiedenis vervluchtigt.
Evenals de paradijsgeschiedenis geldt de zondeval. Dit is een werkelijke historische gebeurtenis. Dat is niet slechts een literaire vorm. De vérstrekkende gevolgen van de zondeval die nu nog elk mens raken, kunnen alleen vastgehouden worden als we de zondeval en daaraan voorafgaande staat van rechtheid als historische realiteiten erkennen.
Augustinus heeft ook de vraag onder ogen gezien: Hoe het mogelijk was dat de mens kon vallen. God als het hoogste Goed kan niet tekort schieten of zondigen. Dat kunnen naturen die uit het niets geschapen zijn wel. De mens was zo geschapen dat hij kon zondigen (posse peccare). Deze mogelijkheid werd tot een werkelijkheid. De zondige wil van de mens herleidt Augustinus niet tot God, maar tot het ontbreken van zijn.
De gelukzaligheid van de mens bestaat en bestond in het aanhangen van God. Zonde is betekent dat een mens zich richt op het schepsel in plaats van op de Schepper. Sinds de zondeval doet de mens niet anders, kan hij niet anders en wil hij niet anders (non posse non peccare).
Dit verandert als wij opnieuw geboren worden. Dan vangt de strijd aan tegen de zonde (posse non peccare). Hier op aarde zijn er twee gemeenschappen of steden. De stad van God gevormd door hen die tegen de zonde strijden en rust in God hebben gevonden en de stad van de mens gevormd door hen die het Schepper boven de schepper eren.
Het is mogelijk dat men door de doop uiterlijk tot de gemeenschap van de stad van God behoren en toch innerlijk aan deze gemeenschap vreemd is. Er zijn ook wolven binnen de stal. Eenmaal daalt het nieuwe Jeruzalem neer uit de hemel. Dan worden alle doden opgewekt en ontvangen de gezaligden een verheerlijkt lichaam.
De staat der heerlijkheid zal de staat van rechtheid overtreffen. Men zal nooit meer kunnen en willen zondigen (non posse peccare). De realiteit van het nieuwe Jeruzalem is verbonden met die van het eerste paradijs, maar overtreft die ver. Veel is er dat ons begrip te boven gaat, wel mogen wij weten dat God uit het verlies van de zondeval winst geboren deed worden.
Wie Augustinus over de schepping leest, merkt dat zijn worsteling ingebed is in vragen van de antieke cultuur en (neo)platonische filosofie. Sommigen van die vragen zijn ons vreemd. Anderen zijn ook de onze. Dit is zeker dat de realiteit van de Persoon het werk van de tweede Adam onlosmakelijk verbonden is met de realiteit van de persoon en het werk van de eerste Adam.
De eeuwen door zijn er mensen geweest die om met Pascal, één van Augustinus’ geestelijke zonen, wisten van de eerste Adam en hun verlorenheid en van de tweede Adam Jezus Christus en hun gelukzaligheid in Hem. Laten wij met Augustinus belijden dat God de geschiedenis leidt naar Zijn raad en sinds de verbanning van Adam en Eva uit het paradijs uit het verloren menselijk geslacht een volk formeert dat Zijn lof verkondigt. Laten we Zelf de Heere aanhangen met de bede van Augustinus: ‘Geef mij wat Gij beveelt en beveel dan van mij wat Gij wilt.’