Posts tonen met het label zondagsheiliging. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zondagsheiliging. Alle posts tonen

donderdag 14 december 2017

Hoe brengen we de dag des Heeren door?

De nieuwtestamentische naam voor de eerste dag van de week is de dag des Heeren. Op de eerste dag van de week stond Jezus Christus, de Heere en Koning van Zijn Kerk op uit de doden. Daarom werd reeds in de tijd van de apostelen de eerste dag van de week de dag van samen­komst.
Oorspronkelijk was wellicht de christelijke samenkomst op zater-dagavond, omdat naar Joodse rekening de nieuwe dag zes uur ’s avonds begint. De dag van samenkomst moet en mag ook een rustdag zijn. Dat is goed voor het lichaam en vooral ook voor de ziel.
Met de regering van Constantijn de Grote, de eerste Romeinse keizer die de christenen vrijheid van godsdienst gaf en zich op zijn sterfbed liet dopen, werden zondagswetten ingevoerd. De over­heid ging het houden van de rustdag bevorderen. Dat is eeuwen-lang in Europa zo geweest.
Zowel in Groot-Brittannië als Nederland is de wijze van zondags-heiliging sterk gestempeld door de puriteinse zienswijze op de zondag. Vooral in de negentiende en begin twintigste eeuw was de Neder­landse wetgeving in het algemeen en ook de zondags-wetgeving zeer gestempeld door christelijke normen en waarden. De laatste decennia was er op dit punt een snelle afbraak.
Al bevordert de overheid de eerste dag van de week als rustdag niet of nauwelijks meer, laten wij als christenen de rustdag wel houden. De eerste dag van de week werd door de puriteinen de marktdag van de ziel genoemd. Het is een dag om te worden ver-zadigd met het Brood van het leven.
Hoe vul je de zondag? Als wij weten dat wij onder de verkondiging van het Woord Christus Zelf mogen ontmoeten, spreekt het vanzelf dat wij aanwezig zijn als het Woord wordt verkondigd.
Kunnen we echt niet opgaan, dan luisteren we thuis via kerk-telefoon of internet mee. Laten wij als echtpaar of gezin ook na-praten over de preek. Het is een goede zaak als kinderen een schrift of aantekeningenboekje meenemen naar de kerk en wat aantekeningen maken. 
De zondagavond is zeer geschikt om met het gezin een aantal psalmen en gezangen met elkaar te zingen. Wie de zondag heiligt, heeft ook tijd om eens een goed boek te lezen of aan persoonlijk Bijbelonderzoek te doen. Dit is zeker: wie de Heere Jezus liefheeft, heeft ook Zijn dag lief.
Zelf ben ik erbij opgevoed om zondag zo min mogelijk de telefoon te gebruiken. Ik ben daarin (en ook in andere zaken) in de lijn van mijn opvoeding gebleven. Gaat dan de telefoon, dan pleegt het meestal een ernstig bericht te zijn. Nu lijkt het mij niet verkeerd om op zondag iemand te bellen of te laten bellen die erg eenzaam is, maar wie verder de telefoon ongebruikt laat, heeft rust. Die houding bepleit ik met betrekking tot digitale media.
Het is goed om dan geen twitter-berichten te sturen en het appen tot een minimum te beperken. Dan gaat het niet om wetticisme, maar om de rustdag echt rustdag te laten zijn. Wie eenmaal iets van de waarde van een strikte, maar ook blijde zondags­viering heeft geproefd, gaat beseffen wat een voorrecht de rustdag is voor het lichaam, maar vooral voor de ziel. 
Dan mag bemerkt worden dat God ons juist op de rustdag als marktdag van de ziel zegeningen schenkt waarvoor we niets hoe-ven te betalen. Jezus Christus, de Heere van de sabbat, heeft vol-daan. Zalig zijn we als we uit Hem leven. Dan is het ook geen opgave om voor Hem te leven.

zaterdag 26 augustus 2017

Wat zijn de wortels van de nieuwtestamentische rustdag?

Al een aantal malen bereikte mij de laatste tijd de vraag hoe het ligt met de eerste dag van de week als rustdag. De eeuwen door heeft de christelijke kerk haar samenkomsten op de eerste dag van de week gehouden. Echter, hoe verhoudt zich dat met het oudtestamentische gebod om na zes dagen van arbeid op de zevende dag van de week te rusten?
Een vragensteller had horen beweren dat de eerste dag van de week als rustdag pas na een paar eeuwen in de kerk zou zijn opgekomen. Constantijn de Grote, de eerste christelijke keizer van het Romeinse rijk zou hiervoor verantwoordelijk zijn ge-weest. Zij die zo denken, menen dat de Reformatie op een aantal punten niet radicaal genoeg zou zijn geweest.
Echter, Constantijn was de eerste christelijke keizer van het Romeinse rijk. Hij liet als eerste wetten uitvaardigen om de eerste dag van de week als rustdag te houden. Dat betekent echter niet dat pas onder Constantijn de christenen de eerste dag van de week als dag van samen­komst gingen houden.
De wortels daarvan liggen al in de apostolische tijd. Omdat de Heere Jezus Christus op de eerste dag van de week opstond, hadden christenen op deze dag hun onderlinge bijeenkomsten. Waar dat mogelijk was, gingen Joodse christenen op de laatste dag van de week ook naar de synagoge. Echter, naar mate de tijd voortging groeiden kerk en syna­goge steeds verder uiteen. De eerste dag van de week bleef als dag van samenkomst over.
In de eerste brief van Paulus aan de gemeente van Korinthe wordt duidelijk dat de apostel van deze praktijk uitgaat. In Openbaring 1:10 wordt de eerste dag van de week ‘’de dag van de Heere’ genoemd. Bij de woorden ‘van de Heere’ staat in het Grieks geen zelfstandig naamwoord. Dat is wel het geval als het om de dag van de Heere als de laatste dag gaat. Hier staat een bijvoeglijk naamwoord. Het gaat om die dag van de week die met de Heere Jezus Christus is verbonden en dat is de eerste dag.
Volgens het Nieuwe Testament hebben Joodse christenen de vrijheid zich aan de mozaïsche wetgeving te houden. Christenen uit de heidenen leidt het alleen maar af van de kern van het Evangelie, namelijk dat Christus ons verlost van de vloek van de wet. Zowel in de brief die hij schreef aan de gemeente van Colosse als in die aan de Galaten brengt de apostel Paulus naar voren dat heidenchristenen die zich aan de mozaïsche wetgeving (sabbat, oudtestamentisch cul­tisch jaar, spijswetten) houden, daarmee aangeven dat zij de kracht van het Evangelie niet kennen.
Nu in onze tijd meerdere christenen voor de zevende dag als rustdag gaan pleiten, krijgen deze brieven op dit punt een nieuwe actualiteit. Soms wordt het argument gebruikt dat wij op deze manier gemakkelijker ingangen bij het Joodse volk voor het Evangelie krijgen. Echter, rabbijnen stellen dat helemaal niet op prijs dat niet-Joden de zevende dag als rustdag houden. Dat is volgens hen een voorrecht dat alleen het Joodse volk toekomt.
De eerste dag als dag van samenkomst heeft niet alleen nieuwtestamentische wortels, maar wordt als zodanig ook al helemaal aan het begin van de kerkgeschiedenis vermeld. De brieven van Ignatius van Antiochië behoren bij de oudste chris-telijke literatuur buiten het Nieuwe Testa­ment. Heel nadruk-kelijk stelt Ignatius dat christenen de dag van de Heere houden en niet de oudtestamentische sabbat.
Ook in de brief van Barnabbas, een geschrift uit de tweede eeuw, wordt de achtste dag (dat wil zeggen de eerste dag van de week) als dag van samen­komst genoemd. Deze brief suggereert dat het sabbatsgebod zijn vervulling heeft ge-vonden in de eerste dag van de week als nieuwtestamen-tische dag van samenkomst.
Bij de oudste getuigenissen van niet-christenen over chris-tenen behoort de brief van Plinius de Jongere, stadhouder van Bithynië, aan keizer Trajanus. Hij schreef de keizer hoe hij met chris­te­nen in zijn provincie omging. Hij meldde daarbij onder andere dat christenen nog vóór de zon was opgegaan op de eerste dag van de week samenkwamen en in hun samen-komsten liederen ter ere van Christus als God zongen.
Het is een volstrekte vertekening van de feiten als de eerste dag van de week als rustdag als een feitelijk heidense vinding van Constantijn zou zijn. Dat Constantijn wetgeving ter bevor­de­ring van de zondagsrust invoerde, betekent niet dat pas onder zijn regering christenen op de eerste dag van de week samenkwamen. Dat hadden zij al vanaf het begin gedaan.
Aan­van­kelijk moesten de samenkomsten vóór zonsopgang en na zonsondergang plaats vin­den. Vele van de eerste christe-nen waren slaven en moesten overdag werken voor hun meesters. Waar christenen een groot deel van de bevolking gingen vormen, werd het mogelijk de eerste dag van de week ook als rustdag te gaan houden. Die ontwikkeling heeft Constantijn de Grote door middel van wetgeving bevorderd.
Voor heidenen werd deze ontwikkeling acceptabel gemaakt, omdat Constantijn suggereerde dat de God van de Bijbel feitelijk dezelfde was als de zonnegod. Op staatkundig gebied kon Constantijn zo het monotheïsme bevorderen zonder dat heidenen direct aan de God van de christenen behoefden te denken. Dat elke week weer de eerste dag van de week een rustdag was, was wel typisch christelijk.
Ik ga voorbij aan de vraag hoe diep geworteld het christelijke geloof bij Constantijn was. Daar wordt door historici ver-schillend over geoordeeld. Als keizer moest en wilde Con-stantijn wel met de realiteit rekenen dat slechts een minder-heid van zijn onderdanen bij de christelijke kerk behoorde.
Zeker is dat de christelijke kerk van zijn dagen Constantijn dankbaar was voor het feit dat die dag die zij al eeuwen lang kenden als dag van samenkomst nu ook een rustdag voor de maatschappij werd. Zo werd bevorderd dat iedereen die tot de christelijke kerk behoorde, de samenkomsten op de eerste dag van de week kon bezoeken.
In onze tijd zien we de omgekeerde ontwikkeling. De overheid kan niet bepalen welke dag van de week voor christenen een bijzonder karakter heeft. Dat is en blijft de eerste dag. Door zondagswetgeving af te breken maakt zij het christenen wel moeilijker om deze dag voor de Heere en Zijn dienst vrij te houden.
Een aparte vraag is hoe nauw de relatie is tussen de eerste dag van de week als nieuwtesta­mentische dag van samen-komst en de oudtestamentische sabbat. Moet de nieuwtesta­-men­tische dag van samenkomst wel als rustdag worden gehouden? Het Oude Testament laat ons zien dat een dag van samenkomst altijd een rustdag behoort te zijn. Dat principe blijft onder de nieuwe bedeling staan.
Wie meent dat onder de nieuwe bedeling de zevende dag de rustdag is, zou de rustdag op zaterdag moeten houden, maar de samenkomsten van de gemeente toch op de eerste dag van de week moeten beleggen. Verbonden met de herdenking van de opstan­ding van de Heere Jezus horen die zondermeer op de eerste dag van de week als de dag van de Heere. Feitelijk kom je dan bij twee rustdagen uit. Dat is niet erg praktisch en ook bijbels moeilijk te gronden. Het feit dat de kerk de eeuwen door de eerste dag van de week als rustdag heeft gehouden, is dan ook helemaal in de lijn van de bijbelse gegevens.
De Reformatoren legden echter geen nauwe relatie tussen het rusten als ordening vanuit de schepping en de eerste dag van de week. Onder de nieuwe bedeling betekende dit rusten naar hun overtuiging allereerst dat wij alle dagen van ons leven van onze boze werken moeten rusten. Luther en vooral Calvijn hebben om praktische redenen zondagsheiliging bepleit. In zijn commentaar op Genesis slaat Calvijn overigens tonen aan die al aanleiding geven om de eerste dag van de week als rustdag met de scheppingsorde te verbinden.
In het gereformeerde protestantisme heeft deze lijn zich na Calvijn verder doorgezet. Dat zien wij in het bijzonder, maar zeker niet uitsluitend, in het puritanisme. Op de Dordtse synode worden in antwoord 103 de woorden ‘op de sabbat’ ingevoegd. In de oorspronkelijke uitgave stond enkel dat men op de rustdag naarstig tot Gods gemeente moet komen.
Van groot belang is te beseffen dat men bij de sabbat niet aan de zevende, maar de eerste dag van de week dacht. De eerste dag van de week is als de dag van de Heere de nieuw-testamentische sabbat. De Engelse puriteinen en de Schotse gereformeerden hadden bezwaren tegen de benaming ‘zon­dag’ voor de eerste dag van de week. Zij spraken over Lord’s Day of (Christian) Sabbath. Dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. Als het gaat om een twintigste-eeuwse prediker denk ik bijvoorbeeld aan Martyn Lloyd Jones. Bij Schotse kerkgebouwen pleegt vermeld te staan dat er diensten zijn op de sabbat. Dan gaat het echt niet om de zevende dag van de week, maar zondermeer om de eerste dag.
Naast diensten op de sabbat is er in behoudende ge­meenten altijd ook een wekelijkse doordeweekse samenkomst. Het ontbreken daarvan wordt als een bewijs van geestelijk verval gezien en een symptoom dat er in de bewuste gemeente niet veel meer is dan wat wij zondagschristendom noemen. Dit is even terzijde. Hier zien we een aanwijzing dat er ook in de gereformeerde gezindte veel zondags­christendom in de negatieve zin van het woord is.
Laten wij wel ernst maken met het heiligen van de eerste dag van de week als dag van samenkomst en rustdag. De boodschap die wij in de samenkomsten van de gemeente horen is altijd ook een appèl om alle dagen van ons leven van onze boze werken te rusten.
Wie dat doet, ziet uit naar de grote dag des Heeren. Naar de rust die er overblijft voor het volk van God. In het nieuwe Jeruzalem zal er geen wekelijkse rustdag meer zijn. Als het nieuwe Jeruzalem neerdaalt uit de hemel, vangt de eeuwige sabbat aan. Ongestoord wordt dan de lof bezongen van die Heere Die ons Gode gekocht heeft met Zijn bloed.

Bij uitgeverij De Groot Goudriaan verscheen al weer een aantal jaren geleden het boekje van Bruce Ray Laat ons de rustdag wijden. Deze Amerikaanse predikant geeft een brede bijbelse fundering van de eerste dag van de week als rustdag. Tweedehands is dit boekje ongetwijfeld nog te krijgen. Voor hen die redelijk Engels lezen noem ik On the First day of the week: God, the Christian and the Sabbath. Dit is een uitgave van Day One en de auteur is Iain D. Campbell. 

woensdag 27 januari 2016

Kerkgebouw en kerkgang

Inleiding
In 2015 verscheen bij uitgeverij Labarum te Apeldoorn een boek met de titel Vensters op refodomes. Het is gewijd aan kerkbouw in de rechterflank van de gereformeerde gezindte. Daartoe wordt ook de Her­steld Hervormd Kerk gerekend. Van beschouwingen die ons aan­gaan, kunnen wij meestal wat leren.
Nu moet bij het boek Venster op refodomes wel worden opge-merkt dat het geschreven is door auteurs van het Biblebelt netwerk. Deze laatste aandui­ding maakt duidelijk dat men gods­dienst in de eerste plaats als een sociologisch verschijnsel ziet. Dat is een belangrijke beper­king.
Dat betekent dat het diepste wezen van de Kerk per definitie buiten beschouwing blijft. Boeken over de kerk, haar geschiedenis en verschijning zijn het rijkst als zij vanuit een belijdend ge-zichtspunt zijn geschreven. 
Een prachtig voorbeeld daarvan is de kerkgeschiedenis van dr. Louis Praamsma De kerk van alle tijden. Het meren­deel van de medewerkers van Biblebelt netwerk staat echter ver af van de gereformeerde be­lijdenis. Men moet van hen dus geen beoor-deling die daaraan genormeerd is, verwachten.
Onder andere komt naar voren dat kerkgebouwen meer dan eens verrijzen aan de rand van een burgerlijke gemeente. Een kerk op een industrieterrein is geen uitzondering. Inderdaad is het mooier en beter als een kerk midden in een woonwijk ligt. Dat kan de aantrekkingskracht van een kerkelijke gemeente vergroten.
Echter, menige kerkelijke gemeente die een kerkgebouw nodig had, was blij dat er – waar het dan ook was – nog een stuk grond beschikbaar bleek te zijn. In onze tijd kan men lang niet altijd van een loyale medewerking van de burgerlijke overheid verzekerd zijn als het gaat om kerkbouw. 
Daarbij komt dat het tegenwoordig eis is dat er bij een kerkgebouw een aantal parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Om die eis kan een burgerlijke gemeente niet heen als zij eraan meewerkt grond beschikbaar te stellen. Het bete­kent wel dat men hoogst zelden in het centrum van een bestaande woonwijk een nieuwe kerk kan realiseren.

Hoe moet een kerkgebouw eruit zien?
De een heeft, als het gaat om gebouwen, een andere smaak dan de ander. Als het gaat om de ker­­ken die de laatste jaren zijn gebouwd, vind ik zelf het ene gebouw mooier dan het andere. Zelf houd ik van een kerk met een klassieke uitstraling. Ik weet ook dat eisen van een bur­ger­lijke gemeente zo’n ontwerp soms onmogelijk maken. Jammer acht ik het als kerkelijke ge­meenten zelf voor een modern ontwerp kiezen.
Daarnaast is het uiteraard zo dat een kerk­ge­bouw groot genoeg moet zijn voor een gemeente. Dat geldt niet alleen de kerkzaal, maar ook andere ruimten die men nodig heeft. Oudere kerken plegen vaak maar heel kleine por­talen te hebben. Dat nieuwe kerkgebouwen een ruime of zelfs zeer ruime hal hebben, acht ik alleen maar winst. Het kan ook bij slechter weer onderlinge ont-moeting vòòr en na de dienst bevor­deren.
De schrijvers van Vensters op refodomes menen dat de nieuwe kerkgebouwen die binnen de rechterflank van de gereformeerde gezindte zijn verschenen, in het algemeen te weinig van esthetiek en symboliek getuigen. 
Naar gereformeerde opvatting gaat het bij het gebouw aller­eerst om de boodschap die er wordt gebracht. Omdat wij niet onder de oude bedeling leven, mag ook niet zomaar een rechte lijn getrokken worden van de tempel naar kerkgebouwen nu.
In een protestants kerkgebouw vormt de preekstoel het centrum. In de directe nabijheid van de preekstoel bevinden zich de zitplaatsen van de kerkenraad. Dan is er uiteraard wel variatie mogelijk. In Opheusden maakte ik de opening van het nieuwe kerkgebouw van de Molukse Evangelische Kerk mee. Daar zit de kerkenraad in een halve cirkel achter de predikant. Het is anders dan wij gewend zijn, maar niet verkeerd. 
De Schotse kerken hebben grote preekstoelen. Bij avondmaals-diensten zijn altijd minstens drie predikanten aanwezig en die nemen dan allen plaats op de kansel. De kansel van onze eigen gemeente (Boven-Hardinxveld) zou in een Schots kerkgebouw dan ook niet misstaan.
Een predikantenbord met de namen van alle predikanten getuigt van het besef van verbonden­heid met de voorgeslachten. In menige oude protestantse kerk hangen er borden met de Tien Geboden. Tegen een bord met de Apostolische Geloofsbelijdenis kan men ook moeilijk be­zwaar maken. Integendeel zelfs. 
Heel mooi is ook een kernachtige Bijbeltekst verwerkt in de muur van de kerk. De keren dat ik in Elburg in de hervormde evange-lisatie Kerkbelang preekte, werd ik altijd weer getroffen door de woorden Vrede door het bloed des kruises op de buitenmuur van het gebouw van de Christelijke Gereformeerde Kerk dat recht tegenover het gebouw van Kerkbelang ligt.
Ik zou ook wensen dat kerken in Nederland de gewoonte gaan navolgen die bij behoudende gemeenten in de Angelsaksische wereld gebruikelijk is om bij de kerk een bord te plaatsen met de mede-deling dat gasten van harte welkom zijn. Vaak zie je dan dat ook een grote poster met een Bijbeltekst op zo’n bord is geplakt. 
Via de TBS (Trinitarian Bible Society) zijn die posters te ver-krijgen. Wat mij betreft laat de GBS ook zulke posters drukken met de aan­be­veling aan kerkelijke gemeenten borden te plaatsen met zo’n poster erop. 
Zo wordt aan de buitenwacht duidelijk gemaakt dat de boodschap die binnen de muren van het kerkgebouw wordt gebracht ook hen geldt en dat wij ernaar uitzien dat mensen vervreemd van de kerk de diensten gaan bezoeken.
Als echter in het gebouw zelf allerlei symboliek wordt verwerkt, komen we op een gevaarlijk spoor. Dat leidt af van de overtuiging dat de kerk daar is waar het Woord recht wordt bediend. Of het nu in een eenvoudige schuur is of in een veel mooier gebouw. 
In Vensters op refodomes wordt ook ge­sproken over een ruimte voor doordeweekse vieringen. Dat verraadt inzichten over kerk-zijn die ver van de gereformeerde belijdenis zijn verwijderd. Laat een gemeente wel naast de zondagse erediensten ook regelmatig doordeweekse diensten beleggen.

De grote van een kerkgebouw
In Vensters op refodomes wordt overigens wel een opmerking gemaakt over de grootte van een kerk­gebouw die ik hartelijk onderschrijf. Men stelt vragen bij de wel heel grote gebouwen die op een aantal plaatsen zijn verrezen. Met de oudvader Van Lodensteijn ben ik van mening dat een gemeente eigenlijk niet meer dan vijfhonderd kerkgangers moet tellen.
Gaat men rich­ting de zevenhonderd dan moet men aan een splitsing gaan denken. Een predikant moet ook echt herder kunnen zijn. En voor een onderlinge band in een kerkenraad moet die ook weer niet al te groot zijn. Iets wat bij een heel grote gemeente niet vermeden kan worden.
Komen bijna alle kerkgangers uit een niet al te groot dorp, dan pleegt het splitsen van een ge­meente niet eenvoudig te zijn. Het dorp voelt zich als ene gemeenschap en dat werkt door in de kerk. In grotere plaatsen ligt dat toch wat anders. Helemaal anders is het als tal van kerk­gangers uit omliggende plaatsen komen.
Komen meer dan honderd kerkgangers uit een na­bij­liggende plaats of op zijn minst uit eenzelfde gebied, dan wordt de zon-dagsrust ook door de split­sing van een gemeente bevorderd. In de gereformeerde gezindte zijn er zelfs wel ge­meenten die op deze manier in vijf delen gesplitst zouden kunnen worden. 
Voor de grote kerkgebouwen die er al staan en waarbij kerk-gangers uit een wijde tot zeer wijde omgeving naar de kerk komen, geldt voor een deel: gedane zaken nemen geen keer. Bezinning voor de toekomst is echter hoogst noodzakelijk.

Het gebruik van een vervoermiddel op zondag
Tot voor een aantal jaren geleden droeg de Vereniging tot bevordering van de zondagsrust en zondagsheiliging het stand-punt uit dat je op zondag ook voor kerkgang geen vervoermiddel moet gebruiken. Daar is men op teruggekomen. Naar ik meen terecht. 
Ik weet dat er mensen zijn die dat standpunt hebben, maar als kerk moet je dat niet je leden opleggen en naar mijn diepe overtuiging is het toch beter om met een vervoermiddel naar de kerk te gaan dan thuis de dienst via de kerk­telefoon mee te maken of een preek te lezen. 
Iemand als Voetius noemde zelfs de schaats als middel dat je mocht gebruiken om de kerk te bereiken. In vroeger tijd was dat in een strengere winter in een waterrijk gebied een heel goed te begrijpen advies
Van mij zou de Vereniging tot bevordering van de zondagsrust en zondagsheiliging wel syno­des, classes en gemeenten onder de aandacht mogen brengen om zo gauw daartoe enigs­zins mogelijk-heden zijn, tot gemeentesplitsing over te gaan. Aan mensen moet, zoveel als maar kan, de mogelijkheid worden geboden om dicht bij huis naar de kerk te gaan.
Wil men men­sen buiten de kerk bereiken, dan is een groot voordeel als je hen op een kerke­lijke gemeente in eigen plaats of eigen woonwijk kan wijzen. In de achterban van de Vereniging tot bevor­dering van de zondagsrust en zondagsheiliging zie je op dit punt soms wel heel grote ver­schui­­vingen. 
Terwijl men vroeger volstrekt niet van een vervoermiddel gebruik wilde maken, legt men nu soms vele kilometers met de auto af. Kerkenraden voelen daarom minder de nood­­zaak om een gemeente niet al te groot te laten worden. De Vereniging tot bevordering van de zondagsrust en zondagsheiliging heeft mij aan haar zijde, als zij hier een waar­schu­wend geluid laat horen.
Ds. Zondag van de Gereformeerde Gemeente van Woerden voerde in De Saambinder een plei­dooi om zondags minder van de auto gebruik te maken en lopend naar de kerk te gaan. Ik heb dat in het midden van de gemeente van Bonven-Hardinxveldnooit gedaan om de simpele reden dat dit niet nodig is. 
Ik zou eigenlijk niemand kennen die heel goed lopend naar de kerk kan komen en dat toch niet doet. Eerder moet ik soms de vraag stellen of het niet gebruik maken van een vervoermiddel echt een zaak is die men niet met het geweten kan over-eenbrengen.
Als dat laatste werkelijk zo is, zal het ingebed zijn in een leven van godzaligheid. Zo heb ik dat gezien bij mijn goede vriend Willem Gelderblom. Deze was voor zichzelf zeer nauw, maar heeft mij het nooit kwalijk genomen dat ik de auto gebruikte om elders te preken. Hij legde zijn standpunt aan anderen niet op. 
In mijn studententijd heb ik in vakanties een aantal jaren bij schoonmaakbedrijf Kinderdijk gewerkt. Daar werkte ik onder andere samen met een meneer Brand uit Streefkerk. Ook dat was zo’n man. Hij had weliswaar niet de geloofs­vrij­moedigheid van Willem Gelderblom, maar ik denk met achting aan hem terug.
Zondag las hij met zijn gezin preken en op tweede feestdagen en bij andere doordeweekse diensten ging hij met zijn gezin naar de Gereformeerde Gemeente in Nederland. Ook hem herinner ik mij als een man die nauwgezet was voor zichzelf, maar mild voor een ander. Een man ook die zocht naar wat verbond in de vreze des Heeren. Vanuit die houding is hij jarenlang voorzitter ge­weest van de vereniging van de School met de Bijbel in Streefkerk.

Het gebruik van een vervoermiddel door een predikant
Het pleidooi van ds. Zondag om op de dag des Heeren, als het mogelijk is, lopend naar de kerk te gaan, riep de vraag op hoe je het moet zien als predikanten de auto gebruiken om elders te preken. Als predikanten daar innerlijk bezwaar tegen hebben, respecteer ik dat ten volle. Dan zullen zij mijn pleidooi, om als het even kan tot splitsing van een gemeente over te gaan, helemaal bijvallen.
Het eerste jaar dat ik ging preken kon ik nog geen auto rijden. Preekte ik in de buurt, dan werd ik gereden door een vriend of kennis. Was het verder weg, dan ging ik zaterdag met de bus en trein naar een logeeradres en reisde op maandag terug. De reizen per trein naar Groningen en Leeuwarden herinner ik mij nog goed. In de trein las ik en overdacht ik mijn preek.
Toen ik auto kon rijden, ging ik bij heel grote afstanden zaterdag van huis om op maandag terug te reizen. Bijvoorbeeld als ik vanuit Opheusden of Elspeet naar Ouddorp of Wouters­woude ging. Dan gebeurde het wel dat je zondagavond met meerderen bij elkaar kwam om over de preek te spreken. 
Zoveel mogelijk sprak en spreek ik als ik wat verder moet gaan een hele zondag af. Dichterbij ligt dat anders. Op deze wijze probeer ik dan de zondagsrust zoveel mogelijk gestalte te geven.
In ieder geval lijkt het mij beter dat een predikant naar een wat kleinere gemeente reist. Dan dat zo’n gemeente wordt opgeheven of niet gesticht en kerk­gan­gers in grote getale naar een an­dere plaats moeten reizen. 
Ik mocht zondag middag 17 januari 2016 voor het eerst in Oosterhout voor te gaan. Daar worden nu om de twee weken op zondagmiddag diensten belegd die door krap tien mensen uit Oosterhout worden bezocht en daarnaast nog door wat andere be­lang­stellenden. Dat zijn dan in de praktijk vrijwilligers van het evangelisatiewerk in Ooster­hout.
Laat ons gebed zijn dat Nederland overdekt wordt met gemeenten waar het Woord bijbels wordt verkondigd, waar mensen de boodschap van zonde en genade, van schuld en vergeving kunnen horen. Laat het zo zijn dat anderen aan ons kunnen bemerken dat die boodschap aan ons hart vertroosting, geest en leven schenkt.

donderdag 12 juni 2014

Hoe moet het Evangelie in deze veranderde samenleving worden doorgegeven? 2

Moet de kerk de omliggende cultuur volgen?

Meer dan eens wordt gesteld dat veranderingen in de cultuur vragen om een heroverweging van de afwijzende houding ten opzichte van samenwonen, homoseksualiteit en dergelijke ethische kwesties, omdat deze gekoppeld zijn aan een bepaalde manier van Bijbelgebruik. Het gaat hier om de vraag of je de Bijbel als stem van God ziet en de menselijke factor niet verzelfstandigt ten opzichte van de goddelijke inspiratie. Voor wie zo naar de stem van God luistert, zijn veranderingen in de samenleving op genoemde punten geen aanleiding de bood­schap bij te stellen.

Ik wijs er nog op dat met betrekking tot de genoemde zaken de christelijke kerk toen zij haar intrede deed in de antieke samenleving van de eerste eeuw na Chr. juist op deze zaken met de toenmalige cultuur botste en zich niet heeft aan­gepast. Wie door de Heilige Doop in de Kerk wenste te worden opgenomen, werd heel nadrukkelijk ge­vraagd – en dat niet in de laatste plaats op het terrein van de seksuele moraal - de wereld te ver­zaken. Vooral de kerkvader Tertullianus beklemtoonde wel heel sterk dat een christen in zijn levensstijl breekt met het zondige eertijds.

Indrukwekkend wordt in de Brief aan Diognetus aan een buitenstaander verwoord wat het diep­ste geheim is van de christelijke levenswandel en wordt de bete­ke­nis van het christelijk geloof duidelijk ge­maakt. Heel sterk komt in dit geschrift naar voren dat chris­tenen vreemdelingen op de aarde zijn. Tot op ze­kere hoogte kunnen zij zich overal op de wereld thuis voelen, maar ten diepste voe­len zij zich nergens thuis, omdat zij een beter vaderland hebben.

 

Gelaagdheid van het geloofsgoed

Hoe moeten gemeenteleden worden toegerust bij de veranderingen in kerk en samenleving? Laat worden duidelijk gemaakt dat er in ons geloofsgoed, en zeker in de wijze waarop wij het kerkelijk leven gestalte geven, een gelaagdheid is. Minstens drie lagen zijn te onder­schei­den. Zeker in de eerste en tweede laag kan nog weer een differentiatie worden aangebracht.

Bovenaan staan de Bijbel als Gods stem, de Drie-enige God als God van volkomen zalig­heid, de bood­schap van verzoening door het bloed van Jezus Christus, de Midde­laar Die God en mens is, de rechtvaardiging door het geloof en het heilig leven daarmee verbonden, het blijvend zon­daar zijn van een christen en het geloof als gave Gods.

De zondag als nieuwtestamentische rustdag is een heel groot goed, maar toch van een ander ge­wicht, al is het een grote bedreiging voor het geestelijk en kerkelijk leven als deze ziens­wijze op de zondag verdwijnt en een verrijking waar zij ingang vindt. Laten wij ook in de wereld­kerk deze week van zondagsheiliging uitleggen en voorleven, De zienswijze dat de eerste dag van de week de voorzetting is van de oudtestamentische rustdag, heeft niet die evidentie als het Schriftgetuigenis dat wij binnen en buiten het huwelijk rein en kuis moeten leven.

Zelf ben ik een zeer warm voorstander van de overtuiging dat de Heilige Doop ook aan kin­deren van christenouders behoort te worden bediend. Kern van de Heilige Doop is namelijk niet dat er een stempel op ons geloof wordt gezet, maar dat wij het teken en zegel ont­vangen van opname in de heilige, katholieke Kerk. Niet ons 'ja' of dat van onze ouders is het belangrijkste van de Heilige Doop, maar het feit dat God Zijn stempel op ons zet. Dat Hij Zijn beloften die in Christus 'ja en amen' zijn aan ons verzegelt. Of wij nu als kind of als vol­was­sene zijn gedoopt, zelfonderzoek is nodig of wij een levend lid zijn van die Kerk.

Toch kan de visie op de Heilige Doop niet tot de eerste laag worden gerekend, maar hoort hij tot de tweede. De tweede laag bevat die waarheden waarvan de erkenning van groot belang is voor het welzijn van de kerk en voor een gezond geestelijk leven. Alleen kan niet worden gezegd dat afwij­king ervan onverenigbaar is met het toebehoren aan Christus. In de tweede laag staat de Heilige Doop als teken en zegel van Gods verbond en van lidmaatschap van Gods Kerk wel helemaal bovenaan. Echter, de evidentie voor de kinderdoop is niet van dezelfde kracht als die dat het geloof een genadegift van God is. De zaak is - hoe belangrijk ook – niet van hetzelfde gewicht als dat van de wedergeboorte als werk van God alleen en dat alleen het bloed van Christus van alle zonden reinigt en door Zijn kruisdood de toorn van God plaatsvervangend is wegge­dragen.