Posts tonen met het label Calvijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Calvijn. Alle posts tonen

vrijdag 9 december 2016

Calvijn Institutie van 1541

Calvijn is vooral bekend door zijn laatste uitgave van de Institutie in 1559. Breed wordt wel erkend dat we om Calvijn echt te leren kennen ons niet tot dit werk moeten beperken. Zijn brieven, Bijbelcommentaren en preken zijn dan van groot belang. De laatste uitgave van de Institutie is feitelijk een weergave voor predikanten en studenten in theologie van de bijbelse boodschap zoals Calvijn die door intensieve bestudering van de Schrift steeds beter had leren verstaan. Zij moet dan ook in samenhang met zijn Bijbel-commentaren worden gelezen.
Met de eerste uitgave van de Institutie in 1536 trok Calvijn reeds de aandacht van velen. In deze uitgave die veel minder omvangrijk is dan de laatste uitgave, zet Calvijn met het oog op gewone gemeenteleden de kern van de bijbelse leer uiteen. Tussen de eerste en laatste uitgave van de Institutie liggen nog een aantal uitgaven. In 1539 kwam de tweede Latijnse uitgave uit. Daarvan verscheen in 1541 een Franse editie. In 1543 verscheen een nog weer uitvoerigere Latijnse editie. Dat gebeurt opnieuw in 1550. Ook van deze versie komt een Franse vertaling uit en wel in 1551.
Nu leest niet iedereen even gemakkelijk Latijn of oud-Frans. Voor wie Engels beheerst, is het goed te weten dat bij de Banner of Truth een nieuwe vertaling verscheen van de Franse uit­gave van 1541. In onderscheid met de uitgave van 1536 kunnen we de uitgave van 1539 en 1541 niet meer als een louter catechetisch handboek worden gekarakteriseerd.
De relatie tussen Calvijns Bijbelcommentaren en de Institutie wordt hier als duidelijk zichtbaar. Wel merk je sterker dan in de laatste uitgave van de Institutie hoezeer Calvijn tot geestelijk ook een leerling van Luther was. Wie de laatste uitgave van 1559 kent leest hier geen nieuwe dingen. In een veel korter bestek worden de hoofdartikelen van het christelijke geloof uiteengezet. Zelf er­voer ik het als verfrissend op deze manier met Calvijn kennis te maken en via hem met de bijbelse boodschap. Ik kan ande­ren de wijze van kennismaking alleen maar aanraden.

John Calvin, Institutes of the Christian Religion, vertaald vanuit de eerste Franse uitgave van 1541 door Robert White, Banner of Truth, Edinburgh 2014; ISBN 978-1-84871-463-2; hb. 882 pp., prijs £19,--.

donderdag 25 augustus 2016

De persoon, het werk en de gaven van de Heilige Geest

Inleiding
Sinds de vorige eeuw is er wereldwijd binnen de christelijke kerk sprake een bijzondere aandacht voor de gaven van de Heilige Geest en wel in het bijzonder voor de buitengewone gaven van profetie, tongentaal en genezing. Aan het begin van de twintigste eeuw ontstonden de pinkstergemeenten.
De tweede helft van de twintigste eeuw verwierf de charismatische beweging zich een vaste plaats in vele gevestigde kerken. Het be-hoeft geen betoog dat de invloed van het charismatische gedach-tegoed de laatste jaren ook binnen de gereformeerde gezindte toeneemt. Een pleidooi weerklinkt om gaven als profetie en ge-bedsgenezing een vaste plaats te geven binnen het leven van de christelijke gemeente.
Kern van dit pleidooi is dat voor het welzijn van de christelijke gemeente alle gaven van de Heilige Geest die voorkwamen in de tijd van de eerste christenen, opnieuw een plaats dienen te krijgen in de christelijke gemeente. Graag geef ik een paar gedachten door

De betekenis van de afsluiting van de canon
De belangrijkste gave van de Heilige Geest in de eerste christen-gemeente is de gave van de apostelen. Dat blijkt zowel uit 1 Korinthe 12:29 als uit Efeze 4:11. Samen met de nieuwtestamen-tische profeten hebben de apostelen door hun prediking het fun-dament van de christelijke kerk mogen leggen.
Het behoeft geen betoog dat de gave van apostelen voorbehouden was aan het begin van de geschiedenis van de christelijke kerk. Een apostel moest immers de opgestane Heere hebben ontmoet. Kenmerkend voor profetie is dat het volstrekt gezag voor zich opeist. Een profeet geeft een boodschap van God die hij recht-streeks van Hem ontvangen heeft door.
Hij spreekt niet: ‘Ik meen dat de Heere zegt’ maar ‘Alzo zegt de Heere.’ Het voorkomen van profetie in de beginperiode van de christelijke kerk moeten we niet los zien van het feit dat het Nieuwe Testament of in het geheel niet of nog maar zeer ten dele op schrift was gesteld en al helemaal niet over de gehele christelijke kerk verspreid.
Opvallend is dat toen in de tweede eeuw na Christus dat laatste meer en meer het geval was, de gave van profetie langzamerhand uit de katholieke kerk verdween. Na de afsluiting van de canon was er geen behoefte meer aan en kon profetie zeker niet dezelfde status hebben als ervoor. Wie het Nieuwe Testament leest, kan constateren dat tongentaal een vorm van profetie is. Voorwaarde voor het gebruik ervan in gemeentelijke samenkomsten was dat ze werd uitgelegd.
Anders dan de gave van het apostelambt, profetie en tongentaal kunnen we de betekenis gebedsgenezing minder rechtstreeks relateren aan de betekenis van de afsluiting van de canon. Zeker is wel dat onder de oude bedeling het verrichten van tekenen en wonderen samenhing met het vervullen van het profetisch ambt. In 2 Korinthe 12:12 spreekt de apostel Paulus over de tekenen van een apostel die hij heeft verricht.
Zeker is dat ook de ouderlingen van wie in de brief aan Jacobus sprake is, kennelijk door hun handoplegging gebruikt werden voor de genezing van zieken. Heeft dit echter niet te maken met het feit dat deze brief hoogstwaarschijnlijk aan de beginfase van de apostolische periode is geschreven. In ieder geval wordt in de pastorale brieven niet van de ouderlingen geëist dat zij de gave van genezing bezitten.

Het kruis van Christus en de verhouding van Woord en Geest
Wie ook nu zoekt naar de terugkeer van al de gaven van de Heilige Geest uit de eerste periode van de nieuwtestamentische kerk, miskent de betekenis van de afsluiting van de canon en opent daarmee de weg om de Geest los te maken van het Woord.
Juist de Reformatie heeft de nauwe band tussen Woord en Geest beklemtoont. De Heilige Geest werkt door en met het Woord en bindt ons aan het Woord waarvan Jezus Christus en Zijn kruis de hoofdinhoud is.
Wie de Schrift eerlijk leest, zal er in ieder geval niet omheen kunnen dat uitgaande van de Heilige Geest als de derde persoon in de heilige Drie-eenheid het centrum van Zijn activiteiten wordt gevormd door Zijn vernieuwend en vertroostend werk.
Hij troost een zondaar met de wonden van Christus en maakt hem aan het beeld van Christus gelijkvormig. Het valt niet te ontkennen dat de huidige aandacht voor de gaven van de Heilige Geest en dan niet in de laatste plaats voor de buitengewone gaven, afleidt van het Woord en van de centrale betekenis van het kruis van Christus.
De aandacht van de gaven van de Geest ten koste van het vertroostende en vernieuwende werk van de Heilige Geest en het kruis van Christus houdt verband met een ongezonde kijk op de aard van het geestelijke leven. Geestelijk leven lijkt alleen door groei en succes te worden gekenmerkt. Het bijbelse geestelijke leven kenmerk zich door verootmoediging en zelfverloochening. Gods genade is de christen genoeg, want Gods kracht wordt in zwakheid volbracht.

Calvijn en Brakel over de gave van profetie
Voor Calvijn zijn profeten niet alleen uitleggers van Gods wil, maar blonken zij uit door bijzondere openbaring. Naar zijn overtuiging zijn er in de kerk van zijn dagen geen profeten meer en als ze er nog zijn vallen ze niet duidelijk in het oog.
Blijkens zijn commentaar op 1 Korinthe 12:28 is Calvijn van mening dat er alleen nog enkele sporen van de gave van profetie over zijn, omdat de kerk reeds zolang van deze gave is beroofd. Uit zijn commentaar op Handelingen 21:9 blijkt dat Calvijn dit niet negatief duidt. De gave van profetie mocht slechts korte tijd bloeien opdat de gelovigen niet voortdurend in spanning zouden zijn.
Heel belangrijk is voor Calvijn het heilshistorisch motief. God heeft beslissend gesproken in Zijn Zoon. Het nieuwtestamentisch getui-genis behoeft geen toevoegingen. Sporen van profetie in eigen tijd ziet Calvijn daar waar er niet alleen de rechte uitleg van de Schrift wordt gegeven, maar ook een bijzondere geschiktheid is het Woord toe te passen op de noden van de kerk. Zo schrijft hij over de gave van profetie in zijn uitleg van Romeinen 12:6.
Het negentiende hoofdstuk van de Redelijke Godsdienst van Brakel is gewijd aan het profetisch ambt van de Middelaar. In dat kader schenkt Brakel aandacht aan het feit dat de gelovigen profeten zijn. Het belangrijkste daarbij is voor hem, dat zij geroepen zijn de verborgenheden van het evangelie te verstaan.
Daartoe is gedurig onderzoek van het Woord en de bede hierin door de Heilige Geest te worden onderwezen noodzakelijk. Als profeten dienen de gelovigen de in het Woord geopenbaarde en aan hun zielen verzegelde geheimenissen aan anderen te openbaren, anderen te onderwijzen, te waarschuwen, te vermanen en te vertroosten. Dit is niet alleen de opdracht van ambtsdragers. 
Brakel vertelt hoe in de tijd dat hij predikant was te Harlingen er zes of acht jonge vrouwen waren die zich, als profetessen ten dienste van de Heere overgaven en overal waar zij daartoe de gelegenheid kregen mensen tot kennis van God en tot bekering aanspoorden.
Een van de elementen van de bijbelse profetie is de voorzegging van toekomende dingen. Brakel is ervan overtuigd, dat deze gave niet geheel uit de kerk is verdwenen. Ook nu kan en wil de Heere dan aan deze en dan aan die van Zijn getrouwe knechten toekomende dingen openbaren, hetzij dat deze met henzelf, hetzij met de vijanden van Gods kerk dan wel met de verlossing of verdrukking van de kerk te maken hebben.
Wel maakt Brakel uitdrukkelijk het voorbehoud dat een dergelijke openbaring geen regel voor anderen is, noch in de leer noch in het leven. Evenmin mag aan anderen worden opgelegd de aldus persoonlijk geopenbaarde zaken met zekerheid te verwachten. Hier ligt voor Brakel het onderscheid tussen de sporen van de gave van profetie die hij in zijn eigen tijd nog aanwezig ziet en de gave van profetie zoals die voorkwam in de bijbelse tijden.
Als het gaat om de eigentijdse claim van het voorkomen van bij-zondere gaven van de Heilige Geest zou ik willen opmerken dat zij het niveau van wat Calvijn en Brakel als sporen van de gaven van de profetie noemden, nog bij lange na niet halen. Wie de woorden uit de brief aan Jacobus leest, kan zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat wanneer ouderlingen in geloof voor een zieke baden en hem zo de handen oplegden deze zieke zonder meer werd genezen. 
Daarbij hebben zij kennelijk zelf aangevoeld, wanneer zij zo konden bidden. Nu worden vele zieken de handen opgelegd zonder dat genezing volgt. Al helemaal duidelijk is dat in de apostolische tijd nooit genezingsdiensten werden georganiseerd.
Vooral moet worden opgemerkt dat ook toen tekenen en wonderen een bijkomend karakter hadden. Zij bevestigden het Woord. Daarvan is de inhoud: ‘Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.’ (2 Korinthe 5:20).

Het bezit van (buitengewone) gaven van de Heilige Geest is geen bewijs van genade
Zeker is zondermeer dat het bezit van gaven van de Heilige Geest geen bewijs is van genade. Nog afgezien van de beantwoording vraag of ook nu alle gaven van de Heilige Geest nog voorkomen, moet dat ook voor de buitengewone gaven van de Heilige Geest worden gesteld.
Hoe duidelijk blijkt dat uit het onderwijs van de Heere Jezus Christus Zelf. ‘Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!’ (Mattheüs 7:22-23). Het voorkomen van gaven van de Heilige Geest hoe bijzonder ze ook zijn, mag dan ook niet gezien worden als een teken van bloei van de kerk.
John Owen betuigde dat de gaven van de Heilige Geest tot stichting zijn, maar de genade van de Heilige Geest tot heiliging. Wij kunnen gebruikt worden om anderen te stichten zonder dat wij zelf genade bezitten.
De profeet Bileam is daarvan een waarschuwend voorbeeld. Was het niet daarom dat Paulus betuigde: ‘Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde.’ (1 Korinthe 9:27)?!

Conclusie
Concluderend zou ik willen stellen dat wij in onze dagen niet ver-legen zitten om een nieuwe visie van de gaven van de Heilige Geest: een visie die niet spoort met de praktijk van de Kerk der eeuwen en zeker niet met het getuigenis van de Kerk van de Reformatie.
Wat wij nodig hebben is een krachtige doorwerking van de Heilige Geest die ons van zonden en schuld overtuigt, aan Christus verbindt en ons meer en meer leert dat wij zonder Hem niets kunnen doen om zo vruchten voor Hem te dragen en Zijn beeld gelijkvormig te zijn. 

maandag 4 april 2016

De preken van Calvijn over Genesis

Wie Calvijn echt wil leren kennen, moet niet alleen zijn Institutie lezen maar ook zijn preken. De afgelopen jaren heeft de Britste uitgeverij The Banner of Truth in twee delen de preken van Calvijn over de eerste twintig hoofdstukken van Genesis ge­publiceerd in vertalingen in eigentijds Engels. In 2009 verschenen een uitgave met de preken van de hervormer over Genesis 1-11:4 en in 2012 over Genesis 11:5-20:7.
De laatste uitgave bevat ook de bekende preken van Calvijn over de rechtvaardiging door het geloof. De preken over de eerste hoofdstukken van Genesis laten ons zien hoe Calvijn over schep-ping en verlossing heeft gedacht en gepreekt.
Heel duidelijk blijkt dat Calvijn schepping en verlossing na-drukkelijk onderscheidt. God schiep de wereld goed. Dat de zondeval een historische gebeurtenis leed voor Calvijn geen enkele twijfel. Tegen de achtergrond van de realiteit van de zondeval een de gevolgen daarvan komt God met Zijn genadige beloften tot de mens.


John Calvin, Sermons on Genesis Chapters 1-11, Banner of Truth, Edinburgh 2009; ISBN 978-1-84871-038-2; hb.867 pp., prijs £20,--; Sermons on Genesis Chapters 11-20, Banner of Truth, Edinburgh 2012; ISBN 978-1-84871-154-9; hb.903 pp., prijs £20,--

dinsdag 1 december 2015

Overwegingen bij Calvijn

Randall C. Zachman, hoogleraar Reformatiestudies aan de Univer-siteit van Notre Dame, Indiana, USA schreef een studie waarin hij in een zestal hoofdstukken de inzichten van Cal­vijn spiegelt aan Pascal, Kier­ke­gaard, Ezra, Barth en Julian van Norwich. Het geheel heeft hij van een inleiding en conclusie voorzien.
Bij de vergelijking van Barth en Calvijn komt de ver­kiezing van het Joodse volk aan de orde. Voor Barth overstemt het ja van God, het nee van het Joodse volk. Zo spreekt Calvijn niet. Voor hem loopt Gods genade altijd uit op persoonlijk geloof in Jezus Christus.
Het vierde hoofdstuk onderscheidt zich van de andere, omdat de zienswijze van Calvijn hier aan het Bijbelse getuigenis wordt getoetst. Zachman laat zien dat Calvijn heel nadrukkelijk Gods genade ziet in het geven van de wet aan de Sinaï. 
Calvijn was er zeker van dat ondanks het feit dat het overgrote deel van het Joodse volk Jezus niet als Messias heeft erkend, God toch Zijn verbond met Israël gestand doet. Er blijft onder het Joodse volk een overblijfsel naar Gods verkiezing. Nadrukkelijker dan Zachman aangeeft, betekent dit voor Calvijn dat er telkens weer Joden zullen zijn die Jezus als de vervulling van de wet en de profeten leren zien.
Essentieel is voor Calvijn de majesteit en soevereiniteit van God. Calvijn gebruikte de astro­no­mie om onze kleinheid in verge­lij­king met de grootheid van het heelal te onderstrepen. Als de mens al tegenover het heelal in het niet valt, hoeveel te meer dan tegenover zijn Schepper.
De grootheid van het heelal doet voor Calvijn niets af van de schoonheid van de schepping. Vergelijken we Calvijn op dit punt met Pascal, dan komt dit laatste aspect bij Pascal feitelijk niet aan de orde. Voor Pascal geldt slechts dat de oneindige grootheid van het heelal de mens moet verschrikken.
Zachman schreef een wetenswaardig boek. Het is meer dan een descriptieve be­schrijving van Calvijn en de theologen met wie hij wordt gespiegeld. Zachman geeft telkens weer expliciet aan waar hijzelf theologisch staat. Daarbij moet ik eerlijk aangeven, dat zijn plaatsbepaling niet altijd de mijne is.


Randall C. Zachman, Reconsidering Calvin, Current Issues in Theology, Cam­bridge University Press, Cambridge 2012; ISBN 978-1-107-60177-2; pb. 212 pp.; prijs £17,99.

vrijdag 19 juni 2015

Een prachtig boek over Luther

Van de boeken die ik de laatste jaren las en voor mij echt wat betekenden, heeft dat wat Trueman over Luther direct een plaats kreeg. Trueman, tegenwoordig hoogleraar kerkge­schiedenis aan Westminster Seminary in Philadelphia, begon zijn academische loopbaan aan de universiteit van Aberdeen.
Bij het sollicitatiegesprek dat tot zijn benoeming leidde, werd hem de vraag gesteld. Bij het sollicitatiegesprek dat tot zijn benoeming leidde, werd hem de vraag gesteld: Wiens boeken zou je mee-nemen als je naar een onbewoond eiland moest? Die van Luther of van Calvijn? Hoewel Trueman een overtuigd presbyteriaan is, ant­woordde hij zonder aarzeling Luther.
Dat antwoord begrijp ik ten volle. Hoezeer waar is dat Calvijn Luther in theologisch en exegetisch inzicht overtrof, Luther heeft iets directs, iets sprankelend wat wij bij Calvijn zo niet vinden. Hij staat midden in het gewone leven. Dat merk je in wat hij zegt over het huwelijk, het opvoeden van kinderen, ziekte en dood, de schepping enz. Luther had ook een geweldig gevoel voor humor.
Trueman laat zijn Amerikaanse publiek zien dat Luther niet zonder mee bij de Evangelical past. Toegespitst naar Nederland geldt dit ook voor de gereformeerde gezindte. Dat geldt voor meer maar wellicht nog sterker voor andere zaken dan menigeen denkt. 
Mooi is de opmerking van Trueman dat wij niet in alles met iemand eens moeten zijn om toch van hem te kunnen leren. Hebben wij dat gedaan, dan moeten wij ook niet gaan doen of degene van wie wat wij leerden in alles onze geestverwant is.
Zo zou Luther tal van eigentijdse volstrekt orthodoxe protestanten zelfs niet als mede­chris­tenen hebben gezien. Dat een ware christen de kinder­doop zou kunnen verwerpen was voor Luther ondenkbaar. Hij kon zich ook niet voorstellen dat een ware christen er geen behoefte aan zou hebben wekelijks aan de mis (een woord dat Luther handhaaft) deel te nemen. 
Wanneer Trueman zegt dat Luther ook alle gereformeerden zonder meer zou hebben afge­schreven, weet ik dat niet. Luther heeft nooit echt en volledig van de avondmaalsleer van Calvijn kennis-genomen. Ik zou mij kunnen voorstellen dat hij die uit­bundig zou hebben toegejuicht, maar bij Luther kan je ook een tegengestelde reactie ver­wachten.
Voor Luther is de kern van de Bijbel de wet die de mens verbrijzelt en het evangelie dat de verbrijzelden opheft. Een preek waarin die boodschap niet voorkomt, had voor Luther nooit gehouden moeten worden. Doet Luther dan wel altijd recht aan zijn tekst? 
Trueman geeft toe dat die vraag legitiem is. Hij voegt er echter aan toe dat veel eigentijdse preken een heel sterk moralistisch karakter dragen. Wij horen hoe wij met ons geld moeten omgaan, onze kinderen opvoeden enz. Dat is dan de spits van de preek Voor Luther was een dergelijke prediking wets­prediking in burgerlijke zin. Zo worden er rijke jongelingen gekweekt.
Dat wil niet zeg­gen dat Luther er geen oog voor had dat op genoemde terreinen de Schrift ons leiding geeft. Die leiding moest voor hem altijd in het licht van de tweeslag van wet en Evangelie staan. Opvallend is hoe belangrijk Luther het vond dat ouders hun kinderen catechetisch onderwijs gaven. Daarin was hijzelf ook een voorbeeld. 
Echter voor hem was dan niet het belangrijkst dat hij zijn kinderen iets leerde maar juist omgekeerd. Hoe ontroert kon Luther worden door het simpele Godsvertrouwen van een kind. Dat kinderlijke Godsvertrouwen is ook typerend voor Luther zelf.
Voor Luther was een ware theoloog een theoloog van kruis en niet van de glorie. Een theo­loog van kruis roemt niet in eigen prestaties, weet zich niet getroost door diepzinnige be­spie­gelingen over Gods wezen maar vindt zijn houvast alleen in het kruis van Christus. Belangrijk is hier dat Luther niet over een theologie van het kruis spreekt maar een theoloog van het kruis. Een theologie van het kruis kan je aanhangen, maar een theoloog van het kruis is iets wat je bent of niet bent.
Trueman wijst erop dat Luthers theologie een theologie in ontwikkeling. Vaak blijkt het beeld dat mensen van Luther hebben bepaald te zijn door de geschriften die hij tot 1525 schreef. Heel sterk valt dan het accent op genade en vrijheid. Echter juist in geschriften die hij de laatste eenentwintig jaar van zijn leven schreef, komt naar voren dat genade niet betekent dat er een einde komt aan zelfverloochening. 
Vrijheid is nooit een vrijheid die kon bestaan zonder het leven naar de tien geboden. Truemann wijst erop dat Luther voor een relatie tussen twee mensen van hetzelfde geslacht of een overspelige relatie het woord liefde alleen zou kunnen gebruiken als liefde tot de zonde.
Trueman wijst erop dat voor Luther een ware christen een mens is die telkens weer in aan­vech­ting en nood tot Christus vlucht. Gemeenteleden die Gods genade beleden om de krui­si­gen achter-wege te kunnen laten, werden door Luther varkens genoemd. Trueman heeft gelijk dat formeel Luther niet de oproep tot zelfonderzoek kent zoals het latere piëtisme. Maar doet hij zo niet op andere wijze hetzelfde? Ook meen dat Bunyan toch dichter bij Luther staat dan Trueman waar wil hebben.
Wat hoe dan ook waar is, is dat Luthers laatste houvast geen be­ke­ringservaring was maar Gods belofte waarvan hij de troostrijke kracht in geloof ervoer. Van die belofte ontving een christen reeds aan het begin van zijn leven een teken en zegel. Daarom beleed Luther in nood en aanvechting: ‘Ik ben gedoopt.’ Ik kan iedereen aan­raden dit prach­tige boek over Luther te lezen en vooral Luthers eigen geschriften niet ongelezen te laten.

Carl R. Trueman, Luther on the Christian Life: Cross and Freedom, Crossway Books, Wheaton, Illinois 2015; ISBN 978-1-4335-2502-5; pb. 224 pp. prijs $17,99.

maandag 16 juni 2014

Hoe moet het Evangelie in deze veranderde samenleving worden doorgegeven? 4

Waarin mag de kerk veranderen en wat moet zij vasthouden?

Er zijn culturele veranderingen waar je als kerk zonder be­zwaar in mee kunt gaan, al moeten in een plaatselijke gemeente veranderingen altijd met wijsheid worden ingevoerd. Ik noem een aantal voorbeelden van veranderingen uit het verleden. In de negentiende eeuw kwam in de Angelsaksische kerk het verschijnsel van mannenverenigingen en vrouwenverenigingen op. Er bleek behoefte te zijn zich op deze wijze in het Woord te verdiepen. In de twintigste eeuw heeft steeds breder dit verschijnsel ook in kerkelijk Nederland zijn plaats gekregen.

In onze individualistische tijd moeten mensen vaak moeite doen elkaar te ontmoeten. In meerdere gemeenten ontstaat de gewoonte om met een zekere regelmaat na de dienst koffie te drinken. In een gemeente waar mensen elkaar doordeweeks nauwelijks zien – en dat is behalve gemeenten in dorpen – bijna overal het geval, zal die behoefte vaak ontstaan. Koffie drin­ken na de dienst is dan een vorm om hieraan tegemoet te komen. Te hopen is dat in de gesprekken ook de inhoud van de prediking - en nog dieper: het Evangelie van Gods genade - ter sprake komt, maar dat geldt ook voor gesprekken op het kerkplein.

Nu voltrekken er zich echter tal van culturele veranderingen die strijdig zijn met Gods Woord. We kunnen vooral denken aan de visie op seksualiteit en gezin. De Westerse samen­leving onttrekt zich aan normen en waarden ontleend aan het christelijk geloof die haar eeu­wenlang hebben gestempeld. Daarin moet de Kerk, wil zij Kerk zijn en blijven, niet meegaan. Dan kunnen we veel leren van de Vroege Kerk uit de periode vóór Constantijn. Een ware christen is tot lijden bereid.

 

Rentmeester maar bovenal pelgrim

Kenmerkend voor het christen-zijn zijn pelgrimschap en vreem­delingschap. Ongetwijfeld heeft de christen ook de roeping hier op aarde een rent­meester te zijn en zich verant­woor­de­lijk te weten voor de ordening en het welzijn van de samenleving. Echter, het rent­mees­ter­schap staat principieel onder de koepel van het vreemdelingschap. Gods koninkrijk is na­me­­lijk niet van deze wereld. De boodschap van het koninkrijk is een bood­schap van ver­ge­ving van zonden en bekering tot God. De vernieuwing daaraan ver­bonden – ook in sociaal op­zicht – kan nooit losgemaakt worden van persoonlijk geloof en bekering.

Waar het Evangelie machtig op harten beslag legt, zal de zegenrijke werking van het Evangelie ook in de samenleving zichtbaar worden. Er is dan echter hooguit indirect een ver­bin­ding met de boodschap van Gods koninkrijk. Nergens in het Nieuwe Testament wordt vernieuwing en verbetering van de samenleving als een directe opdracht van de christelijke kerk gezien. In haar eigen midden dienen de onderlinge verhoudingen door het Evangelie te worden gestempeld.

Werkt dat door in de samenleving, dan sprak Augustinus over een uiterlijke vrede die hij terecht heel nadrukkelijk van de vrede van het Evangelie onderscheidde. In het voetspoor van Augustinus maakt Calvijn in het slothoofdstuk van de Institutie onderscheid tussen de geestelijke en de burgerlijke gerechtigheid. Omdat de Kerk uitziet naar de volle manifestatie van het koninkrijk van God predikt zij het Evangelie van geloof en bekering en ziet zij met brandend verlangen uit naar de wederkomst van Christus.

Dan en niet eerder zal het koninkrijk van God haar verborgen gestalte afleggen. Dan zal de schepping niet meer zuchten onder de vergankelijkheid. Dan zal de strijd van christenen tegen de duivel, de wereld en het eigen ik voorbij zijn. Dan is ook de scheiding definitief. Wie hier op aarde niet door wedergeboorte het koninkrijk van God binnenging zal dan eeuwig buiten staan. Een christen is dan ook vanaf zijn wedergeboorte een pelgrim op reis naar een beter vaderland waar God alles is en dat in allen voor een ieder die hier gewassen en gereinigd werd door Christus’ bloed.

vrijdag 25 oktober 2013

De belangrijkste levensvraag 3

Woorden van Luther
We gaan nog weer even terug naar de kerkgeschiedenis. Wij lezen de Bijbel samen met de kerk der eeuwen. Bij gemeenschap der heiligen behoort niet alleen gemeenschap met de strijdende kerk op aarde, maar ook met de triomferende kerk in de hemel. Heiligen van de triomferende kerk in de hemel, zeker als het gaat om heiligen van een aantal generaties voor ons, plegen we te leren kennen via hun geschriften. Dat is trouwens één van de redenen waar­om het lezen van geschriften van theologen - en van christenen in het algemeen - van voor­gaande generaties een meerwaarde heeft boven het lezen van eigentijdse geschriften. Het eerste brengt ons in contact met de kerk der eeuwen, met de heiligen van de triomferende kerk.
Dan nu iets uit een preek die Luther in 1531 hield over de woorden: ‘Wat dunkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij?’ (Mattheüs 22:42). ‘Als ik nu in mijn geweten de zonde voel, de duivel en de hel, dan word ik beangst en ver­schrikt. Als ik de wereld bekijk zoals deze nu is, dan vrees ik ook – waardoor ik helemaal in verlegenheid raak. Hier moet ik leren, zodat ik kan zeggen: ‘Ik weet Eén Die van mijn vlees en bloed is, mijn beste Vriend, Hij heet Christus en is waarachtig God.’ Is dat waar? Welaan, dan zijn mijn vijanden Zijn vijanden. Waarom laat Hij hen dan toch de wereld regeren? Namelijk daarom, omdat Hij u wil leren en u weer naar school wil brengen, zodat u Hem goed leert kennen. Dit is de les: Hij heeft Zijn vijanden al overwonnen!
Ik echter voel wel hoe sterk ze zijn en hoe ze op me aandringen. Dat komt, omdat ik de Christus nog niet goed begrepen heb. Mijn leven lang, zolang ik vlees en bloed aan mijn hals draag, zal ik op de Christus niet helemaal uitgeleerd raken of Hem volkomen verstaan. Anders zou ik immers geen zonde meer voelen en zou ik ook niet vrezen voor de dood.
De wereld zal dan in uw ogen maar een dor blad zijn! Wanneer u echter nog ziet hoe de we­reld in opstand is, vorsten en koningen zich tegen het Woord zetten, als dollen en dwazen ertegen tekeergaan – en u daarover tóch bevreesd bent: dan heeft de duivel u nog aardig te pakken. Men kan dan aan u ook wel vragen: wat ú van de Christus denkt, Wiens Zoon Hij is, en waar Hij zit.’
Deze woorden van Luther laten ons zien dat het de eeuwen door gegaan is om het leren kennen van Christus. Een kennis die mede ontstaat en gevormd wordt in de strijd tegen de wereld, de duivel en het eigen ik. De wereld neemt tot op zekere hoogte steeds andere vormen aan en de duivel past zijn tactiek daarop aan. In nieuwe en zeker door alle technische ont­wikkelingen sterk verhevigde vormen, komen oude verleidingen op ons af. Het eigen ik heeft al helemaal de eeuwen door hetzelfde karakter gehad. Het bedenken van ons vlees is vijand­schap tegen God. Het wil zich niet aan de wet van God onderwerpen en kan dat ook niet (vgl. Rom. 8:7). Wat is het ook belangrijk te beseffen dat wij altijd een leerling op de leerschool van Christus moeten blijven. Een ware christen is wel een gered mens. Zijn diepste levens­vragen zijn beantwoord. Hij is echter geen gearriveerd mens.
 

Woorden uit de Institutie van Calvijn

De wetenschap dat een christen wel een gered, maar geen gear-riveerd mens is, heeft Calvijn aan Luther verbonden. Calvijn zei: ‘Wij die anderen onderwijzen, moeten zelf nog dagelijks onder-wezen worden.’ Evenals dat voor Luther gold, was voor Calvijn de rechtvaardiging door het geloof en de verzoening met God door Christus’ bloed de kern van het Evangelie. Deze kern kan alleen voor ons van betekenis zijn als wij ons schuldig weten voor God. Is dat niet het geval, dan is het mogelijk dat wij tal van aspecten van de bijbelse boodschap ter harte ne­men, maar de kern ervan is dan voor ons nog onbekend.
Ik geef Calvijn zelf het woord: ‘Kortom, deze gehele uiteenzetting zal onbetekenend en zwak zijn, indien niet ieder zich stelt als schuldig voor de hemelse Rechter, en, voor zijn vrijspraak bekommerd, zich uit eigener beweging voor Hem terneer werpt en vernietigt.’ Verder zegt hij: ‘En de gestrengheid van dat onderzoek moet zo ver gaan, totdat het ons tot een volkomen verslagenheid gebracht heeft, en ons op deze wijze toebereid heeft tot het ontvangen van Christus’ genade. Want hij vergist zich, die meent dat hij in staat is om die te genieten, indien hij niet eerst de hoogheid van zijn hart heeft neergeworpen.’
‘Want nooit zullen wij vol­doende op Hem vertrouwen, tenzij wij geheel en al onszelf wantrouwen; nooit zullen wij in Hem vol-doende onze harten opheffen, tenzij wij eerst neergeworpen zijn in onszelf; nooit zullen wij in Hem ons voldoende troosten, tenzij wij in onszelf mistroostig zijn. Wij zijn dus geschikt om de genade Gods aan te grijpen en te behouden, wanneer wij het vertrouwen op onszelf geheel en al weggeworpen hebben, en alleen ver-trouwen op de gewisheid Zijner goed­heid, wanneer wij (zoals Augustinus zegt), onze eigen verdiensten vergeten en Christus’ ga­ven omhelzen, want wanneer Hij in ons verdiensten zocht, zouden wij nooit tot Zijn gaven komen. (...) Om hier ons niet langer mee bezig te houden: laat ons als een korte, maar alge­mene en zekere regel dit hebben, dat hij toebereid is om deel te hebben aan de vruchten van Gods barmhartigheid, die zichzelf, ik zeg niet van de rechtvaardigheid (die er niet is), maar van de ijdele en opgeblazen inbeelding van de rechtvaardigheid, geheel ontledigd heeft; want zover iemand berust in zichzelf, in diezelfde mate staat hij Gods weldadigheid in de weg.’