maandag 3 maart 2014

De gereformeerde belijdenis en de eenheid van de kerk 5

Rechtvaardiging en heiliging
Het evangelie is de boodschap dat God zondaren rechtvaardigt enkel en alleen op grond van het werk van Christus. In artikel 22 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis lezen we: ‘Wij geloven, dat, om ware kennis dezer grote verborgenheid te bekomen, de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, het-welk Jezus Christus met al zijn verdiensten omhelst, Hem eigen maakt, en niets anders meer buiten hem zoekt. Want het moet noodzakelijk vol­gen, of, dat niet al wat tot onze zaligheid van node is, in Jezus Christus zij; of, zo het alles in Hem is, dat degene die Jezus Christus door het geloof bezit, zijn gehele zaligheid heeft.’
Aan de rechtvaardiging is de heiliging verbonden. Een waar geloof is een geloof dat vruchten voortbrengt. Een christen is een mens die niet alleen gelooft dat Christus voor hem is gestor­ven, maar die ook zelf met Christus is gestorven en opgewekt. De apostolische verma­ningen zijn een uitwerking van de tien gebo-den en geven aan wat de praktijk van de god­za­ligheid inhoudt. Echt geloof is verbonden met godzaligheid, met godsvrucht. Godsvrucht komt voort uit verborgen omgang met God en blijkt in het dagelijkse leven.
Het is van belang dat in de prediking, catechese en pastoraat daarin concreet leiding wordt gegeven. De verma­nin­gen uit de nieuwtestamentische brieven maken wezenlijk deel uit van de Heilige Schrift en zijn voedsel voor Gods kerk. Ik denk in dit verband ook aan de geestelijke wijze waarop in de Heidelbergse Catechismus in het kader van de dankbaarheid de Tien Geboden worden uitge­legd.

Een christen houdt hier op aarde redenen over zichzelf te klagen
Echter de gelijkvormigheid aan Christus is echter slechts heel ten dele. In antwoord 115 van de Heidelbergse Catechismus wordt betuigt dat zelfs de allerheiligsten maar een klein begin­sel van de nieuwe gehoorzaamheid hebben. Het gaat hier om het verstaan van de tweede helft van Romeinen 7. Hoe moeten we Paulus zien als hij in Romeinen 7:14 klaagt: ‘Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde’ en in Ro­mei­nen 7:24: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’
Het gebruik van de tegenwoordige tijd maakt duidelijk dat het niet om Paulus vóór zijn be­ke­ring kan gaan. Spreekt Paulus hier dan als gelovige die nog niet of in ieder geval veel te weinig de kracht van de inwoning van de Heilige Geest, zoals hij dat in Romeinen 8 zal ver­woorden, verstaat? Deze visie staat bekend als het perfectionisme. In onze tijd komt zij het meest voor in de vorm van de zogenaamde Keswick-teaching.
Een bekend vertegenwoordiger ervan was de Zuid-Afrikaan Andrew Murray. Inmiddels al weer een aantal jaren geleden heeft prof.dr. H. Maris in zijn proefschrift Geloof en ervaring breed gedocumenteerd aangetoond dat Andrew Murray in een ander spoor gaat dan de gereformeerde theologie. Heel ver ging hier in de Amerikaanse revivalist Charles G. Finney die overigens niet alleen de reforma­torische rechtvaardigingsleer, maar ook het gereformeerde getuigenis aangaande verkiezing, verdorvenheid van de mens en wedergeboorte volstrekt van de hand wees.
Het perfectionisme houdt niet in dat men zegt dat men tot volstrekte zondeloosheid kan komen, maar wel dat men als men door de inwoning van de Heilige Geest en het blijven in Christus het overwinningsleven leidt, niet meer behoeft te klagen, omdat concrete zonden niet meer de kop op steken. In het leven van de heiliging laten we de rechtvaardiging achter ons. Een bekend vertegenwoordiger in Nederland van deze zienswijze is dr. W.J. Ouweneel. Ouweneel schrijft in dit verband in één van zijn boeken: ‘Dat is het precies mooier kan het niet gezegd worden, maar ook elke schrede boven de rechtvaardiging uit ontvangt de mens door genade en door Gods Geest.’

Heart Cry
Verdrietig dat stichtingen die ook binnen de gereformeerde ge­zindte actief zijn zoals Heartcry heel bewust deze visie op de heiliging propageren en ge­schriften in de geest van Finney verspreiden. Daarbij moet worden aangetekend dat deze stichting de pre­tentie die men aanvankelijk nog had dat men zich bewoog binnen de kaders van de gere­for­meerde belijdenis, niet meer heeft.
Ongetwijfeld is het waar dat een leven door de Geest en in de nabijheid van Christus het mid­del is om zonden te doden. Echter dat blijft niet alleen een levenslange strijd, maar in deze strijd is er naast de jubel altijd ook de klacht. Wanneer kunnen we zeggen dat zondige be­geerten, al zetten wij ze niet in daden om, echt tegen onze wil in ons opkomen? En zelfs al is dat het geval, wij behoren helemaal geen zondige begeerten, geen zondige aard en geen zon­di­ge gevoelens te hebben. Het uitgangspunt moet zijn dat wij goed en naar Gods beeld zijn geschapen. Alleen al dat wij een zondige aard hebben, behoort ons dagelijks onze geestelijke klachten met de woorden uit Romeinen 7 te verwoorden.
Trouwens het is een misvatting dat Romeinen 7 en 8 hierin een verschillend geluid geven en in Romeinen 7 het bedelaarleven en in Romeinen 8 het overwinningsleven als twee ver­schillende gestalten van het geloof worden getekend. Op de klachten van Romeinen 7 volgt de dankzegging: ‘Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere’ (Romeinen 7:25) en de be­lijdenis: ‘Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.’ Terwijl de wetenschap dat er geen ver-doemenis is voor hen die in Christus zijn het deel is van hen die door de Geest wandelen en daarom zuchten om verlost te worden van het lichaam dezes doods. (Vgl. Romeinen 8:23).
Ik noem nog dat wij niet alleen een zondige aard houden, waar we al zou ze niet ontplooien over moeten klagen, maar dat ook onze allerheiligste verrichtingen onvolkomen zijn en met zonden bevlekt. ‘Onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed.’ (Jesaja 64:60 Over onze allerheiligste verrichtingen hebben wij verzoening nodig. Aan alles wat wij in dienst van God doen, kleeft zolang wij dit lichaam des doods hebben een stuk egoïsme en zoeken van eigen eer. Wie dat ontkent, mist zelf-kennis. Het perfectionisme hangt dan ook samen met een onjuist en oppervlakkig zondebesef.

Het leven als overwinnaar in Christus is hier op aarde blijvend met de bedelaargestalte verbonden
In het geestelijke leven behoren in dit leven klacht en jubel bijeen. Het ware geestelijke leven is niet enkel klacht, maar ook niet enkel jubel. De levende klacht zelf verbindt trouwens aan God en geeft zo al vreugde. Het bedelaarsleven is een overwinningsleven en het over­win­nings­leven is een bedelaarsleven. Dat niets ons kan scheiden van de liefde is niet gegrond op de vruchten van de Geest in ons, maar enkel alleen op het bloed van Christus voor ons gestort en heel persoonlijk aan ons toegepast door de Heilige Geest.
Ik denk aan de indrukwekkende woorden die de Engelse puritein John Owen zinspelend op Galaten 2:20 een aantal dagen voor zijn dood aan één van zijn vrienden schreef: ‘Ik ga naar Hem, Die ik van harte heb liefgehad, of nog beter, naar Hem, Die mij heeft liefge­had met een eeuwige liefde; dat is de volkomen grond van al mijn troost. (...) Ik verlaat het schip van de kerk in een storm, maar wan­neer de grote Loods aan boord is, zal het verlies van een arme onder­roeier van weinig betekenis zijn.
Om deze dingen gaat het in het geding met het zogenaamde overwinningsleven als tegen­stelling tot het bedelaarsleven. De toegerekende gerechtigheid van Christus is en blijft de enige grond van de rechtvaardiging. De rechtvaardiging als zodanig is de verwisseling van staat, van de staat van verdoemenis naar vrijspraak en vergeving, van de staat van een kind des toorns naar die van een kind van God. Uit die staat kunnen we nooit meer vallen, maar voor ons gevoel kan het er meer dan eens om spannen. Zeker is dat de troost van de rechtvaardiging de christen blijvend begeleid.
In dit verband is het van groot belang te onderkennen dat in vraag 60 van de Heidelbergse Catechismus niet wordt gevraagd: ‘Hoe ben je rechtvaardig voor God geworden?’ maar ‘Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?’ De vraag staat in de tegenwoordige tijd. Ze kan niet alleen aan een beginnend christen maar ook aan de meest bevestigde christen worden gesteld. Zowel de beginnende als de meest bevestigde christen geven hetzelfde antwoord. We zijn en blijven alleen rechtvaardig voor God op grond van de ons toegerekende volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus.
Ik verwijs ook naar het slot van artikel 24 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: ‘Voorts, al is het dat wij goede werken doen, zo gronden wij toch onze zaligheid niet daarop; want wij kunnen geen werk doen, of het is besmet door ons vlees en ook strafwaardig; en al konden wij er één voortbrengen, zo is toch de gedachtenis van één zonde genoeg, dat het van God zou verworpen worden. Alzo dan zouden wij altijd in twijfel staan, herwaarts en derwaarts drijvende, zonder enige zekerheid, en onze arme consciënties zouden altijd gekweld worden, indien zij niet steunden op de verdiensten van het lijden en sterven onzes Zaligmakers.’
Wezenlijk voor de gereformeerde religie is dat de overwinnings-gestalte een bedelaargestalte blijft. Ik kan niet nalaten het gezang van de Anglicaanse predikant Toplady te citeren; een gezang waaraan hijzelf de titel gaf ‘Het gebed van de meest verge-vorderde gelovige beide in leven en sterven’:

Vaste rots van mijn behoud,
als de zonde mij benauwt,
laat mij steunen op uw trouw,
laat mij rusten in uw schaûw,
waar het bloed door U gestort,
mij de bron des levens wordt.
 
 
Zie, ik breng voor mijn behoud
U geen wierook, mirr’ of goud;
moede kom ik, arm en naakt,
tot de God, die zalig maakt,
die de arme kleedt en voedt,
die de zondaar leven doet.
 
Rock of Ages, cleft for me
Let me hide myself in thee;
Let the water and the blood,
From thy riven side which flowed,
Be of sin the double cure,
Cleanse me from its guilt and power.
 
Nothing in my hand I bring;
Simply to thy cross I cling;
Naked, come to thee for dress;
Helpless, look to thee for grace;
Foul, I to the fountain fly;
Wash me, Saviour, or I die.

Wir sind nur Betler. Hoc est verum
Het getuigenis van de blijvende betekenis van de rechtvaardiging door het geloof alleen wordt aangevochten, niet alleen vanuit de moderne theologie, maar ook in allerlei vormen van evan­ge­lische theologie. Daarin staat zo vaak de gelovende en voor God werkzame mens centraal en niet Christus en Zijn kruisver-diensten.
Laten we het ons toevertrouwde pand bewaren. Als hersteld hervormd predikant merk ik op dat in deze de Hersteld Hervormde Kerk een bijzondere verplichting heeft. Zij heeft terecht de lutherse belijdenis afgewezen. Echter wie met Luther belijdt: ‘Wir sind nur Betler. Hoc est verum’ (wij zijn slechts bedelaars dat is waar; Luther’s laatste geschreven woorden), staat veel dichter bij de gereformeerde belijdenis dan het gedachtegoed dat een stichting als Heart­cry nu propageert.
Hier is het artikel in het geding, waar de kerk mee staat of valt namelijk de recht­vaardiging van de goddeloze. Zelfs een rooms-katholiek als Pascal gaf hier een dui­delijker geluid met zijn getuigenis dat er op aarde slechts twee soorten mensen zijn de zon­daren die menen rechtvaardig te zijn en de recht­vaardigen die weten zondaar te zijn.

zaterdag 1 maart 2014

De gereformeerde belijdenis en de eenheid van de kerk 4

De situatie in de eenentwintigste eeuw
In Nederland is er ook in het begin van de eenentwintigste eeuw nog een christelijke kerk en ook een Hervormde of Gerefor-meerde Kerk zij het uiterlijk verbrokkeld. Dat laatste moeten we als schuld leren zien. Het eigen georganiseerde kerkelijke leven mag niet als einddoel worden gezien. Vorige generaties her-vormd-gereformeerden hebben heel nadrukkelijk over de schuld van de Hervormde Kerk in de richting van hen die haar verlieten, gesproken.
Bij de handhaving van belijdenis moet het toch gaan om het geestelijke leven en de gods­vrucht aan de rechte leer verbonden. Een vorige generatie hervormd-gereformeerde theologen sprak in dit verband wel over de religie van de belijdenis. Het gaat niet alleen om de belijde­nis in formele zin, maar het doorleven van datgene wat de belijdenis leert. Het rechte belijden is met gods-vrucht en godzaligheid verbonden.
Deze notie verbond de hervormd-gereformeerde richting met de afgescheidenen (meer dan veelal met de dolerenden het geval was) bij verschil in kerkvisie. Mijn wens is dat deze zaken in de eenentwintigste eeuw hervormde christenen en christenen uit de Afscheiding nog steeds en steeds meer met elkaar mag ver-binden. Door de situatie na 1 mei 2004 is het ver­schil in kerk­visie in een heel ander licht komen te staan.
Gezamenlijke schuldbelijdenis en gezamen­lijke verootmoediging is eerste voorwaarde voor echte eenheid. We mogen wensen en bidden om meer uiterlijke eenheid. Laten we daarbij vragen of de Heere wegen opent. Het moet daar­bij beginnen dat wij de een-heid van het geloof bemerken en ervaren. Dat wij staande in de eenen­twintigste eeuw beseffen dat het gaat om het beminnen en verdedigen van de schat van Christus’ Bruid. Laten we daarin elkaar tot een hand en een voet zijn en het goede voor elkaar en daarmee ook voor de ander zoeken.
 
Het gezag van de Schrift
Dan gaat het niet alleen om de belijdenis in formele zin, maar ook om hoe deze in de praktijk gestalte krijgt. Ik wil dat op drie terreinen uitwerken. Allereerst is dat het gezag van de Schrift. De Reformatie stelde nadrukkelijk het Schriftgezag boven het kerk-gezag. Kerkelijke vergaderingen kunnen dwalen.
Als besluiten op kerkelijke vergaderingen genomen of inzich­ten daar vertolkt niet overeen­komen met de Heilige Schrift komen ze niet van de Heilige Geest. We mogen de leiding van de Heilige Geest niet losmaken van de concrete boodschap van de Schrift. We horen de stem van de Heilige Geest in de Schrift.
Het Schriftgezag wordt aangevochten op historisch en ethisch terrein. Laten we vasthouden aan wat de Schrift zegt over schep-ping, zondeval, verlossing en voleinding. Wie de histori­ci­teit van de zondeval ontkent, komt tot een andere kijk op het werk van Christus. Laten we vasthouden aan het bijbelse getuigenis over huwelijk, seksualiteit en de verhouding van man en vrouw. Niet de tijdgeest moet het uitgangspunt zijn, maar het onveranderlijke Woord van God. Dat is de actualiteit van de artikelen 2 t/m 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Laten we niet denken dat wij op deze terreinen niet door de geest van de tijd beïnvloed kunnen worden. Wie meent te staan, ziet toe dat hij niet valle. Laat het getuigenis van het Woord van God voor ons het einde van alle tegenspraak zijn. De Heere geve dat wij ook echte belijders mogen zijn.
Opnieuw verwijs ik naar Groen en geef nu van hem een citaat: ‘De belij­denis, waartoe men wordt geroepen, staat tel­kens met den aard der tij­den waarin men leeft, in verband. Het belij­den, waar de kracht des Christelijken ge­loofs zich openbaart, ligt niet altijd in het getrou­welijk opzeggen van al de Artikelen des Ge­loofs; niet altijd in een onvoorwaardelijke onderschrijving van de Symboli­sche Schrift; zelfs niet in eene predi­king waarin geen enkel woord aange­troffen wordt, dat den meest regtzinnigen keurmeester erge­ren zou. Het belij­den is het uitkomen voor de waarheid waar de verde­diging bezwaar­lijk is, waar het belijden met lijden vergezeld is. Ge­lijk de aanval het kritieke punt aanwijst, zoo volgt, uit den aard der ver­looche­ning, de aard der be­lijdenis, welke in ieder tijds­ge­wricht de geloovi­gen voegt.’ Aan zulke belijders is dringend behoefte. Laat onze bede zijn: O, Heere, open Gij mijn lippen door Uw kracht.’
 
De rechtvaardiging door het geloof en de heiligheid van God
De ‘Schrift alleen’ was het formele beginsel van de Reformatie. ‘Door genade alleen’, ‘door geloof alleen’ en ‘Christus alleen’ was het materiële beginsel. Overigens is de eerste aandui­ding betrek-kelijk: het gezag van de Schrift is altijd met haar concrete boodschap ver­bonden; een bood­schap van oordeel en vrijspraak, van dood en leven, van hemel en hel.
De Schrift is het getui­genis waarmee God tot ons komt om ons te doden en levend te maken, te slaan en te helen. De Schrift is het getuigenis waarmee God tot een verloren mens komt om Hem in de ruimte te stellen. Het gaat om de boodschap van wet en evangelie. Dat is de sleutel tot het juiste verstaan van de Schrift.
In de tweede plaats noem ik als het gaat om het bewaren, liefhebben en verdedigen van het ons toevertrouwde pand het getuigenis van de belijdenis over rechtvaardiging en heiliging in hun onderscheid en samenhang. Om dat getuigenis echt te verstaan is allereerst zicht nodig op de heiligheid van God. Hoe kan een mens rechtvaardig voor God bestaan? Dat is een brandende vraag. Dat behoort een brandende vraag te worden.
Denk aan Jesaja 6. Wanneer Jesaja de engelen hoort roepen: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen!’ (Jesaja 6:3) belijdt hij: ‘Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien.’ (Jesaja 6:5). Behoud was er voor Jesaja, omdat hij aangeraakt werd met een kool van het altaar.
Voor een schuldig mens is er alleen behoud in het bloed van Christus dat van alle zonden reinigt. Naast het getuigenis van Jesaja noem ik dat van de Psalmisten. In Psalm 130:3 lezen we: ‘ Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?’ en in Psalm 143:2: ‘En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.’
Onze zonden maken scheiding tussen ons en de Heere. Naar het getuigenis van Romeinen 3 is er is niemand die voor God kan bestaan en is de gehele wereld voor God verdoemelijk. Als het gaat om dit getuigenis denk ik aan de indrukwekkende preek die Jonathan Edwards hield over Romeinen 3:19; een preek met de titel The Justice of God in the Damnation of Sinners. Het was juist deze preek die het begin vormde van een opleving in de gemeente van Northampton. Zonder besef van Gods heiligheid wordt de boodschap van de rechtvaardiging en vergeving een lege huls.

woensdag 26 februari 2014

De gereformeerde belijdenis en de eenheid van de kerk 3

De gereformeerde belijdenis en de pluriformiteit van de kerk
De Reformatie betekende een terugkeer naar de Schrift, maar had ook als gevolg dat de structurele eenheid van de kerk verloren ging. De Reformatie zelf bleef geen eenheid. In de loop der eeuwen is de uiterlijke verdeeldheid en verbrokkeling alleen maar toegenomen. Het is sektarisch te denken dat de eigen kerkelijke gestalte samenvalt met de katholieke en christelijke kerk. Wel mogen en moeten we zeggen dat de ware kerk daar gevonden wordt waar het Woord recht wordt bediend. Dat is overigens niet het enige, maar wel het eerste ken­merk van de ware kerk. Daar komt nog bij dat dit in het ene geval klaarder en helderder geschiedt dan in het andere geval.
Verbondenheid aan de gereformeerde belijdenis dient er te zijn vanuit de overtuiging dat deze belijdenis de diepste vertolking van het gevoelen van de Heilige Schrift is. Een gereformeerd christen wenst de inhoud van zijn geloof met de gereformeerde belijdenis te verwoorden zonder daarmee te willen zeggen dat de belijdenis de Schrift uitputtend weer­geeft. Dat laatste is trouwens ook niet de pretentie van de belijdenis. Op een aantal zeer wezen­lijk vragen waarvoor elke christen zich ziet gesteld (is het niet bewust dan wel onbe­wust) geeft de be­lijdenis een antwoord; een antwoord dat conform de Schrift is. Dat blijft altijd de uit­eindelijke norm. De belijdenis heeft nooit zelfstandig gezag.
In het licht van de gereformeerde belijdenis zijn de lutherse ker-ken nog te weinig gerefor­meerd, maar dat is iets anders dan dat zij als valse kerken kunnen worden aangemerkt. Naar haar be-lijdenis is de Anglicaanse kerk niet alleen een protestantse, maar zelfs een gerefor­meerde kerk. In de Negenendertig Artikelen wordt de leer van de verkiezing en van het heilig avondmaal op gereformeerde wijze beleden. Dat verklaart mede dat onze vaderen op de nationale synode van Dordrecht van 1618/1619 vertegenwoordigers van de Anglicaanse Kerk ontvingen, ook al stemden zij niet in met de bisschoppelijke vorm van kerkregering die deze kerk had.
Verschil in visie op de kerkregering is er ook met de congrega-tionalisten. Congre­ga­tio­nalisten kennen aan meerdere vergade-ringen hooguit een adviserende betekenis toe. Het baptisme is synthese van doopsgezind en gereformeerd christendom. Gere-formeerde bap­tisten erkennen volledig de genadeleer van de gereformeerde belijdenis, maar verwerpen de kinderdoop en verwerpen evenals de congregationalisten het bindend gezag van meerdere vergaderingen.
Waarom deze dingen genoemd? Wel om aan te geven dat belangrijke kernen van de gere­for­meerde belijdenis in de wereld-kerk ook gevonden worden in kerken die niet volledig gerefor­meerd zijn. Dat geeft gevoelens van verbondenheid van eenheid van het geloof. Een kerk die niet volledig gereformeerd is, is daarmee nog geen valse kerk. Overigens kan een kerk hele­maal gereformeerd zijn in de leer, terwijl het geestelijke leven kwijnt. Dat neemt het belang van leerstellige helderheid niet weg.
Ook in ander opzicht vertoont de Kerk van de Reformatie een ander gezicht dan de Kerk van de Middeleeuwen. Sinds de Reformatie pleegt binnen de kerken van de Reformatie de hoogste vorm van kerkelijk eenheid op nationaal niveau te liggen. Wel is van belang te beseffen dat onze vaderen bij de Hervormde of Gereformeerde Kerk echter niet alleen aan de Kerk in Nederland dachten. De Dordtse synode van 1618/1619 was een nationale synode maar wel met een internationaal karakter. De leer van Dordrecht is niet alleen een zaak van de Kerk van Nederland.
Als Voetius trouwens in zijn vragen voor het doen van belijdenis van het geloof spreekt over de leer van onze Kerk, is dat niet alleen de leer van de Gereformeerde of Hervormde Kerk in Nederland, maar ook in Schotland, Frankrijk, Duitsland, Zwit-serland, Hongarije enz. Het hoort bij de belijdenis van de kerk en van de eenheid van de kerk om over staatkundige grenzen heen te kijken. In de zestiende en zeventiende eeuw lag in de praktijk dan veelal de grens bij Europa. Wij zijn wereldburgers geworden en moeten het juist ook hierin zijn. De kerk van Christus is naar haar wezen een wereldwijde kerk.
 
Het belang en de betekenis van eenheid in de leer
Eenheid in de leer wil niet zeggen dat er eenheid behoeft te zijn in allerlei theologische opvattingen. Onder andere van de Dordtse vaderen kunnen we leren dat eenheid in de leer niet samenvalt met eenheid in theologische accenten. Daarin mogen er ver-schillen zijn. Zo gaf een meerheid van de afgevaardigden te Dordrecht de voorkeur aan de infralapsarische zienswijze op de verkiezing. Voor de supralapsarische visie van de minderheid was echter alle ruimte. Ook al het ging het om de relatie tussen de uitgestrektheid van de dood van Christus en het particuliere karakter ervan en legde de één andere accenten dan de ander.
Een kerk moet geen accenten vastleggen. Ik denk in dit verband aan de finesses van de ver­bondsleer. Daarover behoeft geen overeenstemming te zijn om kerkelijk en geestelijk één te zijn. Wel moet enerzijds het goed recht van de kinderdoop vaststaan (de kinderen behoren bij Gods verbond en gemeente) en moet anderzijds recht gedaan worden aan de notie van tweeërlei kinderen van het verbond of persoonlijke inwilliging van het genadeverbond.
Voor mij zijn daarin prof. G. Wisse en ds. I. Kievit in hun bena-dering voorbeeldig. In ieder geval: de Drie Formulieren van Enigheid grenzen niet alleen af naar dwalingen of foute opvat-tingen, maar scheppen ook ruimte voor eigen accenten. Dat laatste wordt wel eens vergeten.
Als er eenheid in belijdenis tussen kerken is, moet dat toch tot gevoelens van verbondenheid leiden. Dat geldt zeker als er volledige overeenstemming is over de inhoud van de belijdenis. In Nederland geldt dat voor hervormden, die trouw willen zijn aan de belijdenis van de kerk en voor afgescheidenen. In de negentiende eeuw wees de hervormde staatsman Groen van Prinsterer daarop in zijn boekje De maatregelen tegen de afgescheidenen aan het staatsrecht getoetst.
Met een beroep op het feit dat de grondwet slechts aan bestaande gezindheden (ge­re­for­meerd, rooms-katholiek, oud-katholiek, luthers, doopsgezind, remonstrants en joods) vrij­heid van religie toestond, werden de afgescheidenen vervolgd omdat zij een nieuwe ge­zind­heid zouden zijn. Dat laatste be­streed Groen. De afgescheidenen, zo zei hij, zijn geen nieuwe gezind-heid, maar maken deel uit van de gereformeerde of hervormde gezindheid.
Groen maakt dan een verschil tussen Hervormde Kerk als geestelijke grootheid en als genoot­schap. Al hadden de afge-scheidenen de Hervormde Kerk als het genootschap verlaten, van de Hervormde Kerk als gezindheid maakten zij nog steeds deel van uit. Dat bleek vooral uit het feit dat zij de belijdenis van de Hervormde Kerk van harte aanvaardden.
Ik merk terzijde op dat voor Groen de uitdrukking gereformeerde gezindte niet zozeer een sociologische als een geestelijke en theologische aan­duiding was. Het gaat om de gezind­heid van hen die leven bij de waarheid van verzoening door voldoening, van rechtvaardiging door het geloof alleen, van het geloof als een genadegift van God.
In zijn geschriften heeft Groen gesteld dat het wezen van de Hervormde Kerk wordt bepaald door haar belijdenis. De synode van het genootschap zou haar kunnen afschaffen, maar daar­mee ontneemt zij alleen zichzelf haar hervormde of gereformeerde karakter. De Her­vormde Kerk zelf kan zij niet teniet doen. Op 1 mei 2004 ging het overgrote deel van de Her­vormde Kerk samen met de Gereformeerde Kerken en de Evangelisch Lutherse Kerk op in de PKN; een kerk die naast de gereformeerde ook de belijdenis hanteert en beiden binnen een modern theologisch kader plaatst. De Hersteld Hervormde Kerk weet zich geestelijk en confessioneel de voortzetting van de Hervormde Kerk van vóór 1 mei 2004, al is die voort­zetting slechts een rest en past ons allen verootmoediging en geen zelfverheffing. 

woensdag 19 februari 2014

De gereformeerde belijdenis en de eenheid van de kerk 2

De gereformeerde belijdenis
De Reformatie heeft zichzelf niet als de vorming van een nieuwe kerk, maar als de reformatie van de katholieke kerk verstaan. William Perkins, de vader van het Engelse puritanisme, schreef een boek The Reformed Catholick. De gereformeerde kerk is de katholieke of christe­lijke kerk in haar gereformeerde gestalte.
Dat de Reformatie geen nieuwe kerk wilde vormen, bleek niet in de laatste plaats uit het erkennen van de betekenis van de Heilige Doop in de naam van de Drie-enige God ook in de eeuwen voor-afgaande aan de Reformatie. Men wenste vast te houden aan de vroegchristelijke belijdenis van de Drie-eenheid en van de Per-soon van de Heere Jezus Christus. Slechts onbijbelse ballast wenste men overboord te zetten.
Boven de Vroege Kerk uit wenste de Reformatie recht te doen aan het bijbelse getuigenis van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Deze boodschap verbindt alle christenen van de Refor-matie of ze nu luthers, gereformeerd of anglicaans zijn met elkaar. De wegen van de lutherse en gereformeerde reformatie zijn uit elkaar gegaan. Theologisch was de leer van het heilig avondmaal het belangrijkste breekpunt.
Luther leerde klaar en duidelijk dat het ene offer van Christus op Golgotha de volkomen en enige grond van de zaligheid is. Dat offer behoeft niet herhaald of present te worden gesteld. Luther meende echter wel dat Christus lichamelijk bij de bediening van het heilig avondmaal onder de tekenen van brood en wijn aanwezig was. Calvijn stelde daartegenover dat Christus wel werkelijk bij de bediening van het heilig avondmaal tegenwoordig is, maar dan door Zijn Geest en wel in de harten van hen die door een waar geloof tot de dis van het verbond toetreden.
Niet minder belangrijk is dat de gereformeerde Reformatie wel-bewust omvattender wenste te zijn dan de lutherse. Voor Luther was een reformatie van de prediking voldoende. Als de bood­schap van de rechtvaardiging door het geloof maar duidelijk doorklonk. De gerefor­meerde Reformatie wenste heel nadruk-kelijk ook de liturgie en de kerkregering te hervormen. Zo werden de beelden uit de kerk verwijderd en het ambt van ouderling hersteld.
Méér dan de lutherse Reformatie wenste de gereformeerde Reformatie recht te doen niet alleen aan het beginsel ‘de Schrift alleen’, maar ook aan dat van ‘de Schrift geheel’. Méér ook dan de lutherse Reformatie heeft de gereformeerde Reformatie de zelfstandigheid van de kerk ten opzichte van de overheid benadrukt; een zaak die in de geschiedenis van ons eigen land van groot belang is geweest.
 
De kerk van de Reformatie in Nederland werd geen lutherse, maar een gereformeerde kerk
In de eerste helft van de zestiende eeuw was de situatie van de reformatie van de kerk in Nederland diffuus. Allerlei invloeden deden zich gelden. Pas later in de zestiende eeuw begint duidelijk te worden dat de breuk met Rome definitief is en de structurele eenheid van de kerk een gepasseerd stadium is.
Weliswaar is er in Nederland een kleine lutherse kerk ontstaan, maar de meeste reformatorische christenen oriënteerden zich op het gereformeerde protestan­tisme. Omdat de overheid zich tegen de Reformatie keerde, werden ondergronds los van de bestaande kerkelijke structuren gemeenten gevormd.
Vanwege de vervolging vluchtten vele Nederlandse gerefor-meerde christenen naar het bui­ten­land om daar gemeenten te stichtten. In 1568 kwam een eerste nationale vergadering bijeen, het zogenaamde convent van Wezel. Zowel op het convent van Wezel en heel nadrukkelijk op de eerste nationale synode die in 1571 in Emden werd gehouden, heeft de Nederlandse Kerk er nadrukkelijk voor gekozen een gereformeerde en geen lutherse kerk te zijn. Niet de Augs­burgse Confessie, maar de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis werden als belijdenis van de kerk aanvaard. Dat is voor de Kerk van Neder-land allesbehalve onbelangrijk geweest.
Ik denk in het bijzonder aan het feit dat de latere luthersen met betrekking tot het Heilig Avondmaal in het spoor van Luther gingen en met betrekking tot de vrijheid van de wil in het spoor van Melanchton. Diens zienswijze bood openingen naar de remonstrantse opvat­tingen. Vanuit de gereformeerde belijdenis liggen de voorkeuren juist precies omgekeerd. Dan weten we ons met Melanchton verbonden in zijn visie op het Heilig Avondmaal en vooral met Luther in zijn zienswijze op de gebondenheid van de wil, die enkel en alleen door Gods genade kan worden bevrijd.

donderdag 13 februari 2014

De gereformeerde belijdenis en de eenheid van de kerk 1

Inleiding
Wat in Nederland afgescheidenen en hervormden met elkaar ver-bindt is de gereformeerde of hervormde belijdenis. De belijdenis van de Hervormde Kerk die overigens vóór 1816 algemeen werd aangeduid met de naam Gereformeerde Kerk. Deze belijdenis bestaat concreet uit de Heidelbergse Catechismus, de Neder-landse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leer­regels. Samen noe-men wij ze de drie formulieren van enigheid.
In de Bijbel vinden we het woord ‘enigheid’ in dit verband in Efeze 4:13: ‘Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus.’ Het gaat om de eenheid van het geloof.
Waarin bestaat eigenlijk de eenheid van het geloof? Wel in de belijdenis dat de drie-enige God de God is van volkomen zalig-heid. De gereformeerde belijdenis is ten diepste niets anders dan een uitwerking van de vroegchristelijke belijdenis van de Drie-eenheid en Jezus Christus als God en mens in één Persoon. We kunnen ook zeggen dat de gereformeerde belijdenis de uitwerking is van de Apostolische Geloofsbelijdenis. Als we het hebben over de eenheid van de kerk moeten we altijd beginnen en eindigen met het geloofsartikel van de Apostolische Geloofs­belijdenis: ‘Ik geloof een heilige, algemene/katholieke, christelijke kerk.’
 

De eenheid van de kerk is allereerst en principieel een eenheid van geloof
De eenheid van de kerk is een eenheid in geloof. In eenheid van het ware geloof vergadert Christus Zich de eeuwen door een kerk. Daarbij is het van belang te beseffen dat de ware kerk niet altijd door de kerkelijke leiding wordt vertegenwoordigd. Onder de oude bedeling was de ware kerk niet altijd bij de tempelleiding, maar werd zij meer dan eens slechts vertegenwoordigd door de pro-feten die zich juist tegen de tempelleiding keerden. In de dagen van de apostelen was de kerk niet bij het sanhedrin, maar bij hen die Gode meer dan het sanhedrin wensten te gehoorzamen.
In de kerkleer zijn de reformatoren voor een deel andere wegen gegaan dan Augustinus, met wie zij zich in de genadeleer zozeer verbonden wisten. Augustinus maakt een onderscheid tussen de zichtbare en onzichtbare kerk, maar voor hem bevindt de onzicht-bare zich enkel en alleen binnen de grenzen van de ene, onge-deelde, zichtbare kerk. Voor Augustinus bevestigt de kerk welis-waar slechts het gezag van de Schrift en niet van andere inzichten, maar Schriftgezag en kerkgezag worden door hem niet echt van elkaar onderscheiden. Met de kerkvader Cyprianus heeft hij beleden: ‘Waar de bisschop is daar is de kerk’.
Waar Rome de apostolische successie als garantie aanvoert voor de een­heid van de kerk, spreken de Reformatoren over de eenheid van geloof. Ook betekent dit dat de gehoorzaamheid aan de kerkelijke leiding vertegenwoordigt door de bisschoppen en de paus wordt opgezegd. Voor de Reformatie geldt niet: ‘Waar de bisschop is daar is de kerk’, maar ‘Waar het Woord is, daar is de kerk.’ Dat betekent ook dat waar het Woord niet is, al zijn er de bisschoppen, de paus en de concilies daar is de kerk niet. De reformatoren hebben het verwijt van zich geworpen dat zij met het verbreken van de structurele eenheid van de kerk ter wille van de waarheid van het evangelie de eenheid van het geloof geweld aandeden.
In zijn beroemde brief aan kardinaal De Sadolet schreef Calvijn: ‘Ik houd echter staan­de dat dit verscheu­ren waarvan gij ons ten onrech­te beschul­digt, niet onduidelijk bij uzelf te constate­ren valt. En niet alleen ten aanzien van de kerk, maar ook ten aanzien van Christus Zelf, want het staat immers vast dat Hij jammerlijk in stukken is gehouwen. Hoe zal de kerk haar Brui­degom aanhangen, wanneer zij Hem niet onge­schonden bezit? Hoe echter kan men spreken van een ongeschonden Chris­tus, wanneer én van Zijn gerechtig­heid, én van Zijn heiligheid, én van Zijn wijsheid de roem wordt overgedra­gen op een ander? (...) Geve de Heere, Sadolet, dat u en al de uwen nog eens tot het in­zicht mogen komen dat de eenheid van de kerk door geen andere band tot stand wordt ge­bracht dan wanneer Christus, de Heere Die ons met God de Vader verzoend heeft, ons uit deze ver­splintering vergadert tot de gemeenschap van Zijn lichaam om ons zo door Zijn Woord en Geest alleen tot één hart en één ziel te doen samengroei­en.’

dinsdag 4 februari 2014

Theology of the New Testament

Udo Schelle, Theology of the New Testament, trans. M. Eugene Boring, Baker Academic, Grand Rapids, Michigan 2009; ISBN 978-0-8010-3604-0; hb. 910 pp.; price $59,99;
  
The study of Udo Schnelle, originally written in German and trans-lated in English, has its own defects and shortcomings, but Schnelle makes clear that in the New Testament faith is seen as a gift of God. Faith completely rest on God’s grace and that is the reason that the fountain of faith is personal election.
Especially in the gospel of John and the letters of Paul the uncon-ditional and personal nature of election is stressed. Schreiner stresses that it is impossible to see the language of election only referring to the election of the congregation and that the fact whether you are a living member, finally depends on your own perseverance and is not guaranteed by the predestination and covenant loyalty of God himself.
The study of Schnelle can be praised also for other reasons. The fact that history of Jesus and his church is not treated in a neutral way in the New Testament, does not mean that the information cannot be seen a reliable. All writing of history is selective and is done out of a certain perspective.
Schnelle underlines that Jesus himself, while he was on earth knew that he had a unique relation to God and had a unique place in the history of salvation. I would make an even stronger state-ment, but as such we can agree with Schnelle. He emphasizes the continuity between what happened before and after Eastern.
Schnelle is convinced that the resurrection of Christ is a real history and not a myth. Schnelle has no patience with the view that originally there was a low Christology and that a high Christology points to a late date in development of presentation of the person of Christ.
At the same time we must say that Schnelle has not a very high view on Scripture. He thinks that the gospel of John can only in a very small measure be accepted as a source of historical information. He thinks that the Pastoral Epistles and the epistle to the Ephesians were not written by Paul.
Schnelle's argument is not only the style in which these letters are written by also their theological content. He thinks that Paul cannot have written these letters, because both the Pastoral Epistles and the letter to the Ephesians are less charismatic than Paul’s correspondence with Corinthe.
This is a circle argument. The emphasis on the gifts of the Spirits in the two letters to Corinthe is related to the problem in the congregation of Corinth. Besides that it is perhaps no coincidence that in later letter this problem was not so acute. The extra ordinary gifts of the Spirit became more and more accidental.
The differences in style can related to differences in content. Besides that we know that Paul made use of secretaries. Perhaps he gave them more freedom in the framing of his later letters. The fact that Schnelle thinks that there a real disagreement between Paul and James, must perhaps, at least partly, related to his Lutheran background
In his view on the Scriptures we must certainly not follow Schnelle, but the remarkable things that in his New Testament theology he does much more justice to full implications of the New Testament teaching of grace defending the personal and uncon-ditional character of God’s election than quite a lot of New Testament scholars of evangelical persuasion. So finally, I think that we can learn from both of them and must at the same time read their studies with critical discernment.

 

maandag 3 februari 2014

From Eden to the New Jerusalem

Desmond T. Alexander, From Eden to the New Jerusalem: An Introduction to Biblical Theology, Grand Rapids, Michigan: Kregel Publications, 2008. Pp. 208. Paper. $19,99. ISBN 978-0-8254-2015-3.

T. Desmond Alexander, senior lecturer in biblical studies at Union Theological College, Belfast, wrote an introduction to biblical theology in which he outlines the central theme of the Bible from the viewpoint that the earth was and is destined as God’s dwelling place. God’s aim was and is that the earth will be filled with his glory.
The starting point of Alexander is the final vision of the New Jerusalem in the book of Revelation. The New Jeru­salem is, as Alexander makes clear, the final and ultimate fulfilment of God’s purpose for the earth; a purpose that first became manifest in the creating of the earth and in the existence of the paradise. More than Alexander does I would underline that the final realisation of God’s purpose surpasses the situation in the paradise before the fall.
In Genesis the paradise is portrayed as a temple and man had the role as priest and king before the fall as the verbs ‘keep’ (rmv) and ‘dress/do the service’ (db[) make clear. Outside Gen. 2 these verbs only occur in close connection to each other in Num. 3 when the service of priests in the sanctuary is described.
The fall of man meant that instead that the temple of God was extended throughout the earth the earth was filled with sin and unrighteousness. Alexander takes the fall of man seriously as a historical fact. More that Alexander does I would stress that is a real amazing thing that God came with his promises to man after the fall.
The tabernacle and the theocracy of Israel must be seen as a provisional realisation of God’s ultimate purpose, namely that God will dwell with his gracious presence in the midst of man. That purpose can only become a reality when the sin of man is atoned. That was done by Jesus Christ as the fulfilment of the service of the tabernacle and temple and as the real Pass­over Lamb. The blood of Christ is not only the means of atonement but also of purifica­tion and sanctification.
In the New Jerusalem we find the final fulfilment of the promises both of the Old and New Testament. The spiritual reality of the New Jerusalem is a material reality and the material reality of the New Jerusalem is a spiritual reality. From Eden to the New Jerusalem is worth reading and gives a good insight into the great meta-story of the Scrip­tures.

 

zaterdag 25 januari 2014

Ds. J.T. Doornenbal: een gereformeerd-katholiek christen 5 (slot)

Heimwee naar God
Ds. Doornenbal was een echt natuurmens. Dat blijkt wel uit zijn natuurbeschrijvingen in de kerk­bode. Beschrijvingen die een my-stieke glans hebben. Daarnaast was hij diep onder de in­druk van de zondeval en haar gevolgen. De mens die van God geschei­den is, kan alleen met Hem verzoend worden door Chris­tus.
De Geest Die aan Christus verbindt, doet ons zuchten naar Hem en vluchten tot Hem. Ds. Doornenbal was een man die als Jacob hinkend door het leven is gegaan, maar dan ook nergens zo ver-wonderd over was als over Gods genade geopenbaard in Jezus Christus en toegepast aan het hart door de Heilige Geest.
Ds. Doornenbal  schrijft ergens: ‘Mis­schien zijn er wel van Gods volk bij voor wie het altijd vast ligt en dat zijn dan gelukkige men-sen. Maar er zijn er, die niet zo gelukkig zijn, en waar de Heere er Zelf aan te pas moet komen, eens en altijd weer en die het van het gegeef moeten hebben. En dan kan het nog eens een keer meevallen en worden de meest bedroefden ook het meest ver­blijd.’
Eens kreeg ds. Doornenbal een brief van een kerkbodelezer. De vrouw maakte zich bezorgd dat hij door zijn pennenvruchten zijn goede naam zou kwijt raken. Opmerkelijk os de reactie van ds. Doornenbal. In de volgende kerkbode vermeldde hij de brief die hij had ontvangen. 'Ik kan', zo schreef hij, 'de briefschrijfster ge-rust stellen. Ik ben mijn goede naam namelijk al lang kwijt en hoop hem ook nooit meer terug te krijgen.' Vervolgens schreef hij verder over het bloed van Jezus Christus dat van alle zonden reinigt en dat dit zijn enige houvast  was.'
Ik zeg niet dat ik alle inzichten en opvattingen van ds. Doornenbal deel. Hoe zou dat ook kun­nen? Ieder mens is immers uniek en de Heere geeft elk van Zijn kinderen iets eigens. Dat laatste geldt wel heel duidelijk voor ds. Doornen­bal. Wij kennen trou­wens allen slechts ten dele. Een­maal zullen we de Heere kennen zoals we gekend zijn.
Ds. Door­nenbal heeft vurig uitgezien naar het nieuwe Jeruzalem. Daar zal heel de schepping voor goed verlost zijn van haar dienst­baarheid. Dan zal de aarde vol zijn van de kennis des Heeren. Daar is de Kerk volmaakt één in haar Hoofd en Koning Jezus Christus.
Heel treffend is dan ook dat een aantal jaren geleden een bio­grafie over ds. Doornenbal verscheen met de titel Die heimwee hebben komen thuis. Verbindt dat heim­wee naar God en naar de toekomst des Heeren niet Gods kinderen van alle eeuwen en plaatsen aan elkaar?

 

vrijdag 24 januari 2014

Ds. J.T. Doornenbal: een gereformeerd-katholiek christen 4

Leer en beleving
Meer dan eens betuigt ds. Doornenbal dat hij van theologie totaal geen verstand heeft. Nu was dat bepaald niet het geval. Hij deed zich op allerlei terreinen en - zeker ook op dat van de theologie - met de hem bekende humor dommer voor dan hij was. Insiders konden uit de rake typeringen die hij ondertussen deed, merken dat hij wel terdege kennis van zaken had. Wel is duidelijk dat hij moeite had met strak omlijnde dogmatische opvattingen. Voor strakke rechtzinnigheid zonder geestelijk leven kon hij in ieder geval geen enkele waardering opbrengen.
In Oene liet ds. Doornenbal zich beves­tigen door de bekende ds. I. Kievit. Hij voelde zich on­getwij­feld tot Kievit aangetrokken in diens inzichten dat de heils­feiten per­soon­lijk door de christen beleefd dienen te worden. Ds. Doornenbal voelde een grote distantie ten op­zichte van de stroming in de Gereformeerde Bond die zich op Woelderink oriënteerde. Daar werd hem het geloven in de belofte te van­zelfsprekend. Hij was hem te neogereformeerd.
Tege­lij­kertijd moeten we zeggen dat Kievit veel strakker gerefor-meerd was dan Doornenbal. Bij Kievit wordt het geestelijk leven ook veel sterker geschematiseerd dan dit bij ds. Doornenbal het geval is. Dit is wel duidelijk dat het bij ds. Doornenbal niet ging om de rechte leer als zodanig maar om de beleving ervan. Daarbij was er bij hem herkenning van geestelijk leven over kerkmuren en con-fessionele grenzen heen.
Zijn huisgenote mevr. S. van Dijk schrijft in het na­woord van de bundel Overpeinzingen van een pelgrim dat ds. Doornenbal aan zijn studen­ten­tijd intellec­tuele vragen overgehou­den had die nooit zijn opge­lost. De juist­heid van haar opvattingen blijkt wel uit het feit dat ds. Doornenbal aan de ene kant een bevinde­lijk gere­formeerd man was maar aan de andere kant bij­voorbeeld diep onder de indruk was van het werk van de Jezuïet Teilhard de Char­din La fenomèn humain waarin deze een verbinding zoekt te leggen tussen de evolutieleer van Darwin en het christelij­k geloof.
Wie de kerkbodeartikelen en preken van ds. Doornenbal leest, bemerkt dat hij leefde uit Christus en Zijn werk. De heilsfei­ten nemen een zeer grote plaats in zijn prediking in. Hij was zeer gehecht aan het kerkelijk jaar. Telkens weer komt naar voren dat ds. Doornenbal er diep onder leed dat hij niet was die hij moest zijn. Daarbij heeft hij de aanvechting en de twijfel nooit verheerlijkt.
Scherp kon hij zich keren tegen uitwassen in de gereformeerde gezindte waarbij het ongeloof hoger aangeslagen wordt dan het geloof. Zo schreef hij naar aanleiding van het toe­tre­den tot het Heilig Avondmaal in de kerkbode:  ‘Het geloof is tegenwoordig zo'n ver-schrik­kelijk ingewik­keld ding en er wordt zo'n allervreselijkst oordeel van gemaakt. Er moet weet ik niet wat gebeurd zijn voor je er aan toe bent. Nog niet lang geleden verzuchtte ik: Het lijkt soms of je nog makkelijker door de wet en het werkverbond kunt zalig worden dan onder het genade­ver­bond. Het wordt zo langza­merhand de omgekeerde wereld.’
Ik geef nog een heel kenmerkende uitspraak van ds. Doornenbal door: ‘Eigenlijk heb ik meer en meer slechts één ding dat ik zou willen doen, namelijk spreken tot het hart van Jeruzalem en van een behoeftig volk dat in hun noden, in hun ellende en pijn. Gans hulpeloos tot Hem is gevloden. En over Hem Die voor dat volk de Redder zal zijn.’

donderdag 23 januari 2014

Ds. J.T. Doornenbal: een gereformeerd-katholiek christen 3

Verlangen naar de eenheid van de kerk
Ds. Doornenbal wist zich verbonden aan de belijdenis van de kerk. Hij behoorde tot de ge­re­formeerde richting in de Her­vormde Kerk. Hij was echter geen lid van de Gereformeerde Bond. Ten onrechte werd in het verleden zowel binnen als buiten de Hervormde Kerk de gereformeerde rich­ting in de Hervormde Kerk wel eens vereenzel­vigd met de Gereformeerde Bond. Ds. Doornen­bal was wars van alle partijvorming.
Toen een middenorthodoxe collega hem eens vroeg:  ‘U bent zeker lid van de bond?’ antwoordde hij, terwijl hij een trekje nam van zijn sigaar: ‘In ieder geval niet van de bond tegen het roken.’ Hij placht wel een verklaring te geven. Dat was de volgende: 'Boze tongen beweren dat ik lid ben van de Gereformeerde Bond, terwijl dat toch nooit het geval is geweest. Waarschijnlijk is dit gerucht in de wereld gekomen, omdat ik uit de Statenvertaling lees en alleen Psalmen opgeef.' Ds. Doornenbal wist zich wel erg betrokken op de zending en steunde daarom de GZB.
Ds. Doornenbal was voluit een man van de Hervormde Kerk. Hij was wars van alle scheiding. Dat ging zelfs zover dat bij hem een zekere reserve ten opzichte van de Reformatie valt te be­speuren. Hij betreurde het dat de kerk in de zestiende eeuw was gescheurd. De Reformatie had naar zijn overtuiging niet tot een breuk in de kerk mogen leiden, maar had in de kerk moe­ten geschieden. Hij had ook waardering voor de rooms-katho­lieke spiritualiteit met haar kloos­ter­leven. Hierin valt een vergelijking te trekken met de bekende oud-vader ds. Van Lodenstein die ook de mening was toegedaan dat de Reformatie soms te veel van het middeleeuwse erfgoed overboord gegooid had. Een inzicht waarin ik noch Van Lodenstein, noch ds. Doornenbal bijval.
Met bijzondere liefde heeft ds. Doornenbal geschreven over Thérèse von Lisieux. Hij was getroffen door de grote liefde tot Christus die dit nonnetje in haar leven ten toon had gespreid. Even-als zij kon ds. Doornenbal zeggen: ‘Mijn troost is dat er voor mij op aarde geen troost is.’ Met stich­ting las ds. Doornenbal de dag-boeken van Stanley Jones, een methodistisch predikant, die zijn leven gewijd heeft aan de verbreiding van het christelijk geloof in India. Wat ds. Door­nenbal ongetwijfeld in Stanley Jones aansprak, was diens mys­tie­ke inslag waarbij deze stelt dat 's mensen diepste verlan­gens vervuld worden in de Heere Jezus Christus.
Bij de opening van het Tweede Vaticaanse concilie schreef ds. Doornenbal het volgende in de kerkbode: ‘Altijd heb ik heimwee gehad naar de ideale en volmaakte Kerk, er is iets hoogkerke­lijks in mijn gemoed, ook al leef ik bij de kleine kerkjes en de gebouwtjes in de schaduwkant van het kerkelijke leven. Maar ik weet nu wel dat ik hier niet vinden zal wat ik heb ver­langd. Ik weet ook dat, juist Rome dat het ideaal 't dichtst benadert, het meest gevaar loopt tot anti-chris­telijke macht uit te groeien, die dronken wordt van het bloed van heiligen en martelaren. Toch blijf ik uitzien naar de heerlijkheid van de ene, heilige en apostolische Kerk en naar het ogen­blik, dat de Heere Jeruzalem zal bevestigen en stellen tot een lof op aarde.’
Deze woorden laten zien hoe groot het heimwee van ds. Doornen-bal was naar een ongedeelde christelijke kerk, maar dat hij de verkondiging van het Evangelie van de gekruisigde Christus boven die eenheid stelde. Daaruit blijkt dat hij tenslotte toch een christen van de Reformatie is. Echter, meer dan vele anderen heeft hij onder de kerkelijke verdeeldheid (waar ds. Doornenbal ook de ver­deeld­heid van Rome en de Reformatie bij insloot) gele­den.

woensdag 22 januari 2014

Ds. J.T. Doornenbal: een gereformeerd-katholiek christen 2

Zijn persoonlijkheid en zijn reizen
Door velen is opgemerkt dat ds. Doornenbal eigenlijk niet te plaat-sen was. Hij had vrienden uit de meest uiteen lopende richtingen. De vrijzinnige ds. Spelberg kwam na zijn emeritaat meer dan eens bij hem onder het gehoor. Ds. Door­nen­bal maakt veelal geen duidelijk onderscheid tussen vrienden en mensen met wie hij zich eensgeestes weet. Opvallend is zijn grote mildheid.
Aan de ene kant kan hij zeer kritisch schrij­ven over de Gerefor-meerde Kerken en in het bij­zonder over Kuyper. De leer van ver-onderstelde wedergeboorte was een gruwel in zijn ogen. Aan de andere kant blijkt dat hij ook in deze kerken zijn vrienden had. Ds. Doornenbal was echt een gemoedsmens en een man van stemmin-gen. Al maakte hij geen duidelijk onderscheid tussen vrienden en geestverwanten, het is wel duidelijk dat hij zich van harte verbonden wist met hen die leefden uit het geloof in de drie-enige God en voor wie de band met Christus een zaak was van het hart.
Ds. Doornenbal heeft meerdere reizen naar het buitenland ge-maakt. In Amerika heeft hij meer dan eens gelogeerd bij ds. Lamain. Het contact was allerhartelijkst. Met de zelfspot die hem eigen was, schreef hij in de classicale kerkbode: "Ik weet niet of ik ooit de moed zou kunnen opbrengen om bij een geacht, geëerd en geweldig prediker als ds. Lamain in huis te komen, als niet alles waarvoor ik sidder en beef aan zijn kant werd gecompen­seerd door zijn weder-helft. Voor haar ben ik minder bang dan voor hem, want in zijn tegenwoordigheid word ik altijd mijn ambtelijke en geestelijke tekort-komingen bewust en ik voel mij een klein kind bij deze ge­wel­de­naar in het geestelijke konink­rijk. Toch moet ik zeggen dat het in huis wel meevalt, en dat hij in tegenwoordigheid van vrouw en kroost niet zo schrikwek­kend is als je zou denken. De sfeer in huis is dan ook in alle opzichten prima, het is echt een domineesgezin in de beste zin van het woord, en ik voelde mij er thuis."
 
Band met ds. Rustige
Een bijzondere band had ds. Doornenbal met ds. Rustige, een predikant die geheel op zichzelf stond. Ds. Doornenbal was niet altijd makkelijk te peilen. Van wat hij erover heeft geschre­ven in de kerkbode krijg je de indruk dat ds. Rustige één van de weinigen is geweest die hij echt in zijn hart heeft laten kijken.
Wat ds. Doornenbal aan ds. Rustige verbond, waren niet het minst ook zijn humor en het feit dat hij van alle vromigheid was bevrijd. Sommigen namen ds. Doornenbal zijn vriendschap met ds. Rusti­ge kwalijk. Een professor had gezegd dat de exegese van ds. Rustige verschrikkelijk was en zijn stijl abominabel. Ds. Doornenbal merkte toen op dat naar zijn inzicht ook de stijl van de bewuste professor nergens op leek en dat ook diens exegese verschrik­kelijk was.
Vervolgens bracht hij naar voren met betrekking tot zijn vriendschap met ds. Rustige: "De lezer moet maar beden­ken: soort zoekt soort." Over deze vriendschap heeft hij nog het volgende ge­schreven: "Vanaf die eerste ontmoeting heeft hij mij door­zien en alles van mij begrepen, zoals hij vorige week, op zijn sterfbed nog zei. Hij heeft mij er niet om ver­wor­pen, maar er is een band tussen ons gelegd, hij heeft mij in zijn hart besloten en in zijn voor­bid­ding be­trokken.

dinsdag 21 januari 2014

Ds. J.T. Doornenbal: een gereformeerd-katholiek christen 1

Inleiding
Ds. J.T. Doornenbal is ongetwijfeld één van de kleurrijkste figuren geweest die tot de ge­re­for­meerde richting in de Hervormde Kerk uit de twintigste eeuw gerekend kunnen worden. Hij nam daarin een geheel eigen plaats in. Vooral kreeg hij bekendheid door de vele bijdragen die hij tijdens zijn langdurige predikantschap te Oene onder het gemeentenieuws schreef in de Hervormde Kerkbode voor de Veluwe, bijdragen die na zijn dood in diverse bundels zijn uit­ge­geven.
Op 29 november 1909 zag Jacobus Teunis Doornenbal het levens-licht in Doorn. Hij overleed 16 april 1975 in Oene. Zijn ouders kerk-ten in de gemeente ter plaatse. Deze gemeente had een con­fes-sionele ligging. Dat kwam onder andere tot uiting in het zingen van gezangen. Bij de oprichting in 1906 had de Gereformeerde Bond zich in haar statuten vastgelegd op het standpunt van de Dordtse synode dat in de eredienst geen gezangen behoren gezongen te worden en nog wel in een artikel uit de statuten dat niet veranderd mocht worden.
Als kind en als jongeman ging ds. Doornen­bal met zijn moeder ook wel in Neerlangbroek naar de kerk. Daar werden in de diensten alleen Psalmen gezongen en wel niet-ritmisch en op een gedragen wijze. Ds. Doornenbal was hier zeer aan gehecht. Dat heeft hij in zijn ambtelijke loop­baan keer op keer laten blijken. In zijn eerste gemeente Wou­brugge heeft ds. Doornenbal nog gezangen in de dienst laten zingen. Op een gegeven moment is hij daar echter mee gestopt.
 
Kerkelijk standpunt
Ds. Doornen­bal was aan de ene zijde zeer hoogkerkelijk Her­vormd. Zo ging hij zondags onder geen enkele voorwaarde in een evangelisatie voor. Anderzijds had hij contacten tot ver buiten de Hervormde Kerk. Reeds als jongeman bezocht hij gezelschappen waar mensen over de kerk­muren heen elkaar her­kenden in het geestelijke leven. Hij ging ook naar diensten van af­ge­scheiden gemeenten in de omgeving van zijn woonplaats. Zo noemt hij uitdrukkelijk de Oud Gereformeerde Gemeente van Langbroek.
Al ging ds. Doornen­bal dan op zondag nooit buiten de plaatselijke Hervormde Gemeente voor, doordeweeks lag dat anders. Zonder bezwaar preekte hij dan ook voor allerlei groepjes. Het bloed stroomde waar het niet gaan kon. Ondanks alles wist ds. Doornenbal zich verbonden met het volk dat zucht onder hun zonden en heimwee heeft naar God, waar dit volk zich dan ook bevindt.
Eens had ds. Doornenbal een afspraak om in een of ander groepje voor te gaan, maar voor het zover was werd hij van meerdere kanten gebeld dat het ging om een groepje recalcitrante mensen. Toch annuleerde hij de afspraak niet. Zijn motivatie was dat zelfs al zou het om opium­schui­vers gaan, het geen kwaad kon om het evangelie van Gods genade te verkondigen. Zowel zijn predi­king als zijn kerkelijke positie kon ds. Doornenbal met milde humor typeren en relativeren.
Over een kerkdienst die hij eens in Schotland bijwoonde, schreef hij later in de kerkbode: “De dominee preekte saai, bijna even saai als ik.” Bij het reizen met de trein nam hij eens plaats tegenover een man geheel in het zwart gekleed. Het bleek een ambtsdrager uit één van de afgescheiden kerken te zijn. In de kerkbode vertelde ds. Doornenbal later dat de man hem op een gegeven moment had gevraagd of ook hij in het ambt stond. Hij deelt dan mee dat hij de man had verteld dat hij maar voor spek en bonen meedeed, omdat hij dominee was in de grote kerk. De afgescheiden ambts-drager had, zo vertelt ds. Doornenbal, zijn kennelijke te­leur­stelling niet kunnen verbergen. Toch was het nog een beetje goed gekomen, toen ds. Doornenbal verteld had over zijn contacten met ds. Lamain en ds. Hegeman.

zaterdag 11 januari 2014

John Bunyan and his Relevance for Today 4 (end)

A few themes out of the works of Bunyan 2              
         Especially his works Come and Welcome to Christ and The Jerusalem Sinner Saved show us the moving and compassionate way in which Bunyan preached the gospel. In the titles as such we feel already something of the moving way in which Bunyan preached the gospel.
       Bunyan did not preach the free offer at the expense of the prea­ching of the law. According to his opinion the preaching of the go­spel has no content without the preaching of the law. In Grace Aboun­ding he says about his way of preaching:
 
In my preaching of the Word I took special notice of this one thing that the Lord did lead me to begin where his Word begins with sinners; that is to con­demn all flesh and to open and alle­ge that the curse of God by the law doth belong to and lay hold on all men as they come into the world because of sin.
   
       The reason why the law must be preached he stated once as follows:
 
       So long as sinners can make a life out of anything below Christ, so long they will not close with Christ.
 
       I also want to make some remarks on Bunyan's view on the relation between faith and assurance. In The Pilgrim's Progress the cross is not place directly alongside the wicket gate. Why not? Because closing with Christ for life and salvation is not the same as having the full assurance of faith. In the life of most Christians there is a distance in time between coming to Christ and coming to full assurance. When you are under a sound gospel preaching, normally the distance will not be very long.
       Intentionally Bunyan has placed the house of Inter­pre­ter between the wicket gate and the cross. In The Pilgrim's Prog­ress, the Wicket Gate is a symbol for Christ. The first part of The Pilgrim's Pro­gress is a symbolical expression of the puritan view of effec­tual calling. Convinced of his misery Christian leaves the city of Destruc­tion and flees to the wicket gate. Evangelist pointed him to the wicket gate.
       Bunyan did not only speak about faith and justification, but also about sanctifica­tion. True gospel-holiness flows form justifying and saving faith. Bunyan also stressed self-examination. He called people to self-examination when they professed that they belonged to Christ. He did not call men to self-examination before coming to Christ.
       We can also learn from Bunyan that a Christian always remains a student of Christ. It is not possible to comprehend the richness of Christ. There are always many reasons to pray for the light and wisdom of the Holy Spirit. It is remarkable that in The Pilgrim’s Progress Christian is confronted with the severest struggles after he had been at the Cross and lost his burden there. Bunyan wants us to show that the strength of a Christian does not lay in his faith or conversion as such, but in Christ in whom he believes and in God to whom he has dedicated his life.
       Bunyan portrays all children of God as poor beggars in themselves. Real assurance and growth in grace makes a man humble. Bunyan also makes clear to us that how severe the struggles of a Christian may be, it is impossible that a Christian will loose his faith. Real faith is a gift of God. And the gifts of God are without repentance. When a man goes in his life through the wicket gate, he will finally pass through the gates of heaven into eternal glory. Even in the river of death Christian was severely assaulted by the devil. Hopeful tried to encourage him and said:
 
       Brother, I see the gate, and men standing to receive us.

       Christian answered:

       It is you, it is you they wait for; you have been Hopeful ever
       since I knew you.

       But finally Christian brake out with a loud voice:

O, I see him again, and he tells me, When thou passest through the waters, I will be with thee; and through the rivers, they shall not overflow thee. (Isaiah 43:2).

        The Lord loosened his bonds. In this way, Bunyan makes it clear that the children of God are more than conquerors through him that loved them.
       Much more could be said about Bunyan. Bunyan was a preaching with a burning compassion in souls for the Saviour. In Grace Abounding it says:
 
 It pleased me nothing to see people drink in opinions if they seemed ignorant of Christ, and the worth of their own salvation, sound con­viction of sin, especially for unbelief, and a heart set on fire to be saved by Christ with a strong breathing after a truly sanctified soul, that was it what delighted me.
 
       O must I explain you further the relevance of Bunyan for today. May God give the church preachers with the same spirit Bunyan had. O that the preaching may be blessed and that souls are set on fire to be save by Christ and Christ alone. When that is the case we are a pilgrim on earth. Then heaven where we shall see the Lamb that was slain and where God is all in all will be our final home.
       A pilgrim knows of sorrow after God and joy in God. One day God will wipe away all tears and the joy of God’s people will be a joy that passes all understanding. Here we receive some foretastes. There we receive the fullness of joy and gladness. O my dear friends, let us pray that the Lord grants us both sorrow after him and joy in him in this life, that we may enjoy the full glory in the eternal life and not be eternally separated from him.