donderdag 5 november 2015

De heerlijkheid van de Gekruisigde

Jörg Frey, hoogleraar Nieuwe Testament aan de Ludwig Maximilian Universiteit te München en de universiteit van Zürich, wordt terecht als een toonaangevend onderzoeker op het gebied van het evangelie naar Johannes gezien. Hij bereidt een uitvoerig commentaar op dit evangelie voor. 
Op de weg daar naartoe verscheen een bundel met een achttiental artikelen van zijn hand over het vierde evangelie. Deze bundel bestaat uit vijf delen. Het eerste deel bevat slechts één artikel. In dat arti­kel worden wegen en per-spectieven voor de uitleg van het evangelie naar Johannes geschetst.
In het tweede deel vinden we een aantal artikelen die relatie houden met de godsdienst- en tradi­tiehistorische achtergron-den. Van belang is vooral het artikel waarin overeenkomsten en verschillen tussen het dualisme van Johannes en van Qumran worden belicht. 
In derde deel komen de adressanten en hun situatie aan de rode. Uiteraard wordt in dit kader aandacht besteed aan de vraag wie de ‘Joden zijn’ over wie wordt gesproken en hoe dit zich verhoudt tot de scheiding van de wegen van de syna-goge en de christelijke kerk.
Het vierde deel gaat over de taal en de opzet, terwijl het vijfde deel over de theologie gaat. We vinden hier artikelen over de theologia crucis, de achtergrond, plaats en betekenis van het begrip doxa bij Johannes, de lichamelijkheid en de opstan-ding en ten slotte de johanneïsche theologie als climax van de nieuwtestamentische theologie. 
Niemand die op wetenschappelijk wijze bezig is met het vierde evangelie kan om deze bundel heen. De titel doet volledig recht aan de theologische kern van het evangelie naar Johannes. Wie deze bundel heeft gelezen, zal benieuwd zijn wat het commentaar van Frey gaat bieden.

Jörg Frey, Die Herrlichkeit des Gekreuzigten, WUNT 307, Tübingen, Mohr Siebeck, 2013, 886 blz, €159,-- , ISBN 9783161507823.


woensdag 4 november 2015

Een handboek over Paulus

Onder redactie van Friedrich Horn verscheen een handboek over de apostel Paulus. Het valt in vier delen uiteen. Na een oriëntatie worden zijn persoon en werk behandeld en ten slotte de Wir­kungsgeschichte. Wie geïnformeerd wil worden over de huidige stand van zaken van het onderzoek naar Paulus, vindt in dit handboek een goede gids. Ik licht er slechts een enkel punt uit. Uit het laatste hoofdstuk blijkt dat men slechts zeven van de dertien brieven die Paulus als auteur noemen, metterdaad aan Paulus wil toeschrijven. Het is een minpunt dat tegen­stemmen die hier nog altijd klinken, geen plaats hebben gekregen in dit handboek.
Bij de geschiedenis van het onderzoek naar Paulus komt uiteraard het nieuwe per­spectief naar voren. Het nieuwe perspectief heeft naar voren gebracht dat de boodschap van Paulus ook een sociologische kant heeft. In de bijdrage van Michael Theobald over de recht­vaardiging komt naar voren dat het niet tot die kant mag worden beperkt. Hij spreekt van een anthropologische universa-lisering. 
De bood­schap van de rechtvaardiging is bij Paulus ver­bon­den met de weten­schap dat geen mens de wet kan houden. Wanneer Theoblad stelt dat volgens Paulus ten slotte alle mensen in de rechtvaardigspreking delen, doet dat geen recht aan de plaats die Paulus aan het geloof toekent. Rom. 5:18 moet zo worden ver-staan dat de recht­vaardigheid komt over allen die Christus toebe-horen.
Het belang van de christophanie die Paulus op weg naar Damas­cus ontving, wordt onderstreept. Wolfgang Kraus duidt dat als een visioen. Die type­ring doet echter geen recht aan het feit dat Paulus deze verschijning van visionaire ervaringen die hij ontving onder­scheidt. Kraus zelf wijst erop dat Paulus in 1 Kor. 15 de gebeur-tenis op weg naar Damascus op één lijn stelt met de opstan­dings­­getui­ge­nissen. In die getuigenissen gaat het om een lichamelijke en tastbare wer­kelijkheid. Ook wie dat niet aanvaard, zal wel moeten erkennen dat het zo wordt beschreven.

Friedrich W. Horn (red.), Paulus Handbuch, Mohr Siebeck, Tübingen 2013; 653 blz., € 49, ISBN 978-3-16-150082-4.


dinsdag 3 november 2015

The Canon of the New Testament

Kruger can be seen as a real expert on the history of the formation of the canon of the New Testament. He combines his great academic insight with a deep love for the Bible as the Word of God. This combination of academic quality and piety is a model for every biblical scholar. In 2013 a second book written by him was published on this subject. Quite a lot of New Testament scholars see the canon of the New Testament as a ecclesiastical product of the fourth century.
This view is not in accordance with the classical view on the canon. In his last book Kruger tackles the five most prevalent objections to the classic, Christian understanding of the emerging, self-authenticating collection of authoritative counterparts to the Old Testament. These five objections are: 1. We must make a sharp distinction between Scripture and canon; 2. There was nothing in earliest Christianity that might have led to a canon; 3. Early Christianity was averse of written documents; 4.The New Testament authors were unaware of their authority; 5. The New Testament books were first regarded as Scripture at the end of the second century.
Kruger distinguishes three models for the canon of the New Testament: the exclusive, functional and ontological model. Each model has its merits, but the one model does not exclude the other. The exclusive model thinks that only from the fourth century we can speak of the canon of the New Testament. It is true that in the fourth century there came a universal consensus about the exact boundary of the canon, although we must stress that this consensus was just recognized. It was not the result of a somewhat arbitrary ecclesiastical decision.
Nevertheless, already form the second century there are quite a lot of data that point to the use of books of the New Testament as Scripture having the same authority as the Old Testament books. This is the functional model of canon. This model is based on the use of books as Scripture. Very important are here the witness of Irenaeus and the Muratorian fragment. The last list confirms the scriptural status of at least 21 and perhaps 22 books of the New Testament. Revelation, Hebrews, James and 1 and 2 Peter are not mentioned. Whether 3 John is included is not sure.
Kruger says that the functional model has many positive elements and provides a welcome balance to the exclusive definition of the New Testament canon. He states that also the functional model has its weaknesses. Some books that were not included in the final canon of the New Testament had at least almost the status of Scripture. Especially the Pastor of Hermas can be mentioned in this context.
A much more important weakness of the functional model – a weakness that it shares with the exclusive model – is that it fails to address the ontological status of the New Testament books. The books that finally found their way in the canon of the New Testament have an intrinsic quality not found in others. They are written by the apostles or their direct companions. That was the reason already in the Muratorian frag­ment the Pastor of Hermas was not regarded as Scripture, because it was written quite recently.
Although 1 Clements was written roughly in the same period as the last books of the New Testament, it was never regarded as Scripture, because its author clearly made a distinction between his own authority and the authority of the apostles. Kruger points to the importance to have a clear sight on the intrinsic quality of the New Testament books. In regard with the question of the canon he speaks of the ontological model. This model is quite often completely neglected, although it is finally the most important model.
For early Christianity the decisive criterion was the apostolic nature of a document. Pseudonymity was for them a definite reason not to recognize a document a Scripture. Kruger challenges ably the view that the early Christians were averse of written documents. Already from its very beginnings Christianity had a canon, namely the canon of the Old Testament.
The statement of Papias that an eyewitness must be preferred above a written testimony, he means that a direct testimony must be preferred above an indirect testimony. The gospels are eyewitness accounts in written form and have for the new generations the same value and status as the original oral eyewitness accounts.
Kruger denies that the apostles did not realize their own authority. The data point in a complete opposite direction. The apostles realized that their authority stood on the same level as the authority of the Old Testament prophets. Then we must not forget that all writers of the Old Testament were seen as prophets. The apostles knew that their authority was in a certain sense an extension of the authority of Jesus Christ.
It is no coincidence that beginnings of the written down of the New Testament documents corresponds with the rise of Christianity as a missionary movement in the fifties and sixties of the New Testament. The need of written eyewitness accounts, of what Jesus had said and had done, was more and more felt. Especially Paul wrote letters to congregations founded by his missionary work. The letters quite often written because of problems in the congregations were a form on extended personal and apostolic presence.
I would add that letters in Antiquity used to have a semi-public status. The writes knew that his letter was preserved, shared with others and used in other context. This means that although having a somewhat occasional nature the apostles knew already from the beginning that what they put down to writing had form that moment an apostolic authority.
Kruger rightly states the formation of the canon represented the working of forces that were already present in primitive Christianity and made some form of canon virtually inevitable. Following David Meade Kruger says that the apocalyptic nature of Christianity provided a strong inner reason for extension of Scripture. We see in all forms of apocalypticism in the period of the Second Temple that written documents were produced.
The fact, that written documents in the form of the book of the Old Testament were essential for Christianity from its very beginning, means that among early Christians there were literate people. This must have been especially true for spiritual leaders. In the second place we must realize that orality and textuality cannot be seen as opposites.
In the Ancient world an illiterate person could be intimately familiar with a written text. Texts were written to be performed orally. This is certainly true not only of the New Testament letters but of all New Testament documents. Kruger has done us a great service by giving us many arguments that ontological model of the canon – a model that is connected with apostolic authority and divine inspiration belongs to the very essence of the Christian religion.

Michael J. Kruger, The Question of Canon: Challenging the status quo in the New Testament Debate, Apollos, Nottingham 2013; ISBN 978-1-78359-1-004-9; pb. 256 pp., prijs £14,99.


De canon van het Nieuwe Testament

De gemiddelde kerkganger realiseert zich niet of nauwelijks dat de Bijbel eigenlijk om een ver­­zameling van boeken is, 39 voor het Oude en 27 voor het Nieuwe Testament. Deze 66 boe­ken vormen samen het ene Woord van God. Echter, voor menige bijbel-wetenschapper is de Bijbel niet meer dan een verzameling van boeken van het oude Israël en de vroege kerk. De canon, die grens trekt tussen boeken die wel en niet bij de Bijbel behoren, wordt als een louter kerkelijke be­slissing gezien.
De canoniciteit van Bijbelboeken zegt dan alleen iets over de wij­ze waarop de chris­te­lijke kerk deze boeken waardeert maar niets over die boeken zelf. In deze zienswijze had de canon er ook anders uit kunnen zien. Zonder het goddelijke karakter en de inspiratie van de nieuwtestamentische boeken te ontkennen is de positie van Rome dat wij het ge­­zag van de Schrift aanvaarden op het gezag van de Kerk. De Kerk gaat aan de Schrift vooraf.
Over de canon van het Nieuwe Testament schreef de Amerikaanse nieuwtestamenticus Michael J. Kruger een belangwekkende studie. De reeds geschetste zienswijze typeert Kruger als de gemeen-schapsgeoriënteerde visie. Eén van de bezwaren ertegen is dat de consensus bin­­­­nen de christelijke Kerk zoals die zich in de vierde eeuw na Chr. aftekende, over de gren­zen van de canon van het Nieuwe Testament de enige maatstaf wordt voor canoniciteit. De rooms-katholieke geeft dan aan deze consensus een kerkelijk en daarmee voor haar goddelijk fundament, terwijl het voor historisch-kritische bijbelwetenschappers een louter historische con­statering is.
Concreet betekent dit onder andere dat het aanwijzen van samen-hangen tussen nieuwtesta­men­­tische boeken eigenlijk alleen iets zegt over de wijze waarop de christelijke kerk met deze boeken is omgegaan. Dat is het bezwaar dat Kruger aanvoert tegen de cano-nieke benadering van de bekende bijbelwetenschapper Breward Childs.
Childs heeft de tekorten van de histo­risch-kritische benadering van de Schrift aan­ge­voeld, maar die niet principieel over­won­nen. Voor hem is de canon maatgevend maar dan als een van buiten af aan de bijbelse ge­schriften door de kerk opgelegde norm
Echter, de nieuwtestamentische boeken werden reeds vanaf hun ontstaan als gezaghebbend ge­­­­zien. In de nieuwtestamentische geschriften hoorde de christelijke kerk de apostolische bood­­schap. Dat verklaart dat er een tweede benadering is die bij de beant-woording van de vraag naar de canoniciteit van de nieuw-testamentische boeken niet allereerst vraagt naar de kerkelijke aanvaarding maar let op hun oorsprong. Is deze apostolisch?
Meer dan eens wordt dan naar een canon in de canon gezocht. Wie dat doet, kan in zekere zin aansluiten bij Luther. Die sloeg bepaalde nieuwtestamentische boeken minder hoog aan. Dat gold met name de brief van Jacobus. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat dit voor Luther betekende dat hij be­twij­felde of bepaalde boeken wel terecht als apostolisch en canoniek werden gezien.
Onder andere de bekende Amerikaanse gereformeerde theoloog Benjamin B. Warfield was er­­van overtuigd dat wij van alle nieuw-testamentische bijbelboeken kunnen aantonen dat zij óf door een apostel óf door een directe medewerker van één van de apostelen was geschreven. Kru­ger heeft als bezwaar tegen deze benadering dat zij al te zeer een neutraal beroep op de fei­ten suggereert.
Ongetwijfeld is het waar dat lang niet iedere bijbelwetenschapper van de apo­stolische oorsprong van elk nieuwtestamentisch boek overtuigd is. Dat neemt niet weg dat, zoals Kruger ook zelf laat zien, er tal van argumenten zijn aan te voeren. De veelgehoorde be­wering dat de eerste generaties christenen pseudepigrafie aanvaardbaar achten, blijkt on­houd­baar te zijn.
Een boek waarvan men niet kon geloven dat het door een apostel of één van zijn me­de­werkers was geschreven, bleef buiten de canon. Dat de tweede brief van Petrus als ca­noniek werd aan-vaard, is verbonden met het feit dat het auteurschap van de apostel werd erkend. Wie hierin niet kan meegaan, zal feitelijk moeten stellen dat de Vroege Kerk op grond van de criteria die zijzelf hanteerde, ten onrechte bepaalde boeken als canoniek heeft erkend.
Kruger neemt als uitgangspunt voor canoniciteit het goddelijk karakter van de boeken als zo­da­nig. Dat goddelijk karakter blijkt in het bijzonder in de boodschap van deze boeken. De kern van deze boodschap kan worden weergegeven met de zogenaamde geloofsregel waarvan de inhoud overeenkomst met de apostolische geloofsbelijdenis. Kruger spreekt van het zich­zelf bewijzende karakter van de canonieke boeken.
Naar mij dunkt verschilt zijn bena­de­ring fei­telijk heel weinig van de tweede door hem geschetste zienswijze, maar maakt ze wel iets meer duidelijk hoe de boeken van het Nieuwe Testament feitelijk als stem en woord van God werden gehoord. De vier evangeliën en de brieven van Paulus vormden de kern van de boe­ken van het Nieuwe Testament, waarvan de christelijke kerk de canoniciteit onderkende.
In de nieuwtestamentisch geschriften zelf vinden we aanwijzingen dat de boodschap van de apo­stelen, die tenslotte schriftelijk werd vastgelegd in deze boeken, van hetzelfde gewicht is als de inhoud van het Oude Testament. Kruger wijst dan op 2 Petrus 3:2. 
Daar worden de woor­den van de oudtestamentische profeten en het gebod van de Heere Jezus dat door de apos­te­len is ver­­kondigd, op één lijn gesteld. Daarnaast oppert hij dat met de boeken waarover Paulus in 2 Tim. 4:2 schrijft, rollen met oud-testamentische boeken zijn bedoeld, terwijl de door Paulus genoemde perka­men­ten afschriften van de brieven van Paulus zelf zijn die de apostel in de vorm van een codex be­waarde.
Als deze vooronderstelling juist is, heeft Paulus heel concreet de aanzet gegeven tot de ont­wik­keling die leidde tot de onderkenning van het god­delijke karakter van de nieuw­tes­ta­men­tische geschrif-ten. Onbetwistbaar is dat de christelijke kerk al in een vroeg stadium aan de vorm van de codex de voorkeur gaf.
De verklaring daarvoor moet zijn dat men op deze wijze alle boeken waarvan men het goddelijk gezag onderkende, in één band kon bewaren. Dat was met een rol niet het geval. Het feit meerdere codices ook boeken bevatten die niet als ca­no­niek zijn erkend, hoeft hiermee niet in tegenspraak te zijn. Deze boeken plegen namelijk aan het einde van een codex te staan. Dat laat iets van een rangorde zien.
Bij de aanvaarding van de boeken van het Nieuwe Testament zien we vier categorieën van boe­­ken. Allereerst de boeken die alom aanvaard en erkend werden. Daarnaast boeken waar­over ver­schil van mening bestond maar waarvan uiteindelijk alom de canoniciteit is onder­kend. Dan gaat het om de brief aan Hebreeën (die Kruger overigens in dit verband niet uit­druk­­kelijk noemt), Openbaring, 2 en 3 Johannes, Judas, 2 Petrus en Jacobus. Aan andere boe­ken werd grote waarde toegekend.
Men zag het lezen daarvan als nuttig, maar zij werden niet als cano­niek gezien. Dan moeten we denken aan boeken als 1 Clemens, de Didachè, en de Pastor van Hermas. Deze boeken maakten zelf al duidelijk dat zij niet van apostolische oor­sprong waren. Tenslotte waren er de ketterse boeken. Dan gaat om gnos-tische geschriften. Het lezen van deze boeken werd als schadelijk gezien.
Opvallend is dat juist deze boeken in onze tijd vaak veel aandacht krijgen en dat soms als een onderdrukt alternatief voor de canonieke boeken worden gezien. Dat is puur wetenschappelijk al uiterst discutabel. Al de gnostische ge­­schriften stammen uit de tweede eeuw. Dat de Kerk deze boeken niet accepteerde, heeft niet in de laatste plaats te maken met het feit dat zij niet in con­tinuïteit stonden met de boeken van het Oude Testament. 
Terecht wijst Kruger erop dat naast apostolische oorsprong ook overeenstemming met en aanvaarding van het Oude Testa­ment een kenmerk is van een canoniek geschrift. Voordat de canon van het Nieuwe Testament door de kerk onderkend werd, had zij al een canon, namelijk de boeken van het Oude Tes­ta­ment.
De studie van Kruger doet recht aan de verschillende aspecten verbonden met de canoniciteit van de nieuwtestamentische Bijbelboeken. Het is ook een voorbeeld van wetenschap ver­bon­den met geloof. Hier zoekt niet het ongeloof begrip, zoals maar in al te veel studies over de Bijbel het geval is, maar het geloof. Dat is een verblijdende zaak.

Michael J. Kruger, Canon Revisited: Establishing the Origins and Authority of the New Testa­ment Books, Crossway Books, Wheaton, Illinois 2012; ISBN 978-1-43335-0500-3; hb. 362 pp., prijs $30,--.

maandag 2 november 2015

In Elspeet

Met vreugde heb ik elf jaar de hervormde gemeente van Elspeet gediend. Elspeet heb ik leren kennen als een dorp met een sterk saamhorigheidsgevoel. Heel sterk is men op consensus gericht. Soms had ik dan wel de vraag: hoe denk je hier nu eigenlijk zelf over. Echter de gerichtheid op consensus heeft meer zonzijden dan schaduwzijden,. Aan de hand van interviews op Elspeters uit alle sectoren van het dorp heeft mijn broer Huib een beeld van dit Veluwse dorp geschetst.
Soms zal de lezer een glimlach niet kunnen onderdrukken. Er komen zaken in naar voren die voor sociologen wereldwijd in dorpsgemeenschappen herkenbaar zijn. In een kleine gemeen-schap moet men weer samen met elkaar verder en kan het bezwaarlijk zijn het achterste van je tong te laten zien. Een agra-rische gemeenschap heeft dan weer een ander karakter dan een sterk industriële gemeenschap.
Elspeet heeft zich na de Tweede Wereldoorlog tot een welvarend dorp ontwikkeld. Onder andere de zogenaamde bio-industrie heeft daartoe bijgedragen. Daarnaast moet het toerisme worden ge-noemd. De vele toeristen zorgen ervoor dat Elspeet meer winkels heeft dan elders in het land bij een dorp van een dergelijke omvang het geval is.
Bij de dagjesmensen ligt het anders, maar gaat het om hen die een huisje huren in Elspeet dan zijn velen van een kerkelijke achter-grond. Mensen uit het westen van het land vinden het heerlijk niet alleen om van de prachtige natuur te genieten maar ook om in Elspeet op te gaan onder de verkondiging van het Woord. Er is een slechtere vakantiebesteding denkbaa,.
Toen de Hervormde Kerk in de negentiende eeuw steeds veel-vormiger werd, bleef Elspeet een orthodoxe gemeente. Dat is het tot op de dag van vandaag gebleven, al zijn de accenten niet altijd gelijk gebleven en ligt ook nu binnen Elspeet de een toch andere accenten dan de ander.
Aan het begin van de twintigste eeuw had Elspeet niet alleen slechts één kerkgebouw maar telde het ook slechts één kerkelijke richting. Inmiddels zijn dat er vijf. Er is ook een groep Elspeters die buiten Elspeet kerkt en ook het omgekeerde is het geval. Dat de kerkelijke eenheid verloren ging is een verdrietige zaak. Met het feit dat er meer kerkgebouwen zijn ligt dat anders. Als we met Lodensteijn ervan uitgaan dat een gemeente niet meer dan vijfhonderd kerkgangers moet bevatten, wil een predikant echt herder voor zijn gemeente kunnen zijn, dan zouden er wel zes kerkgebouwen nodig zijn.
De geïnterviewde Elspeters hebben eerlijk verteld wat hen beweegt. Als gaat om geestelijke zaken, merk je dat het bij de een niet veel meer is dan een culturele code, maar bij anderen is dat beslist anders. Meer dan gemiddeld kan ik vanuit mijn ervaring bin-nen de hervormde gemeente van Elspeet zeggen dat gemeente-leden hun hart openden en vertelde van wat Gods genade in hun leven teweeg had gebracht.
Verheugend en herkenbaar is dat de kerkmuren de laatste jaren in Elspeet lager zijn geworden. Daaraan heeft de Oranjehof waarin alle kerken participeren een belangrijke plasts gehad. Daarnaast moet worden genoemd dat een nieuwe generatie elkaar meer dan een oudere geestelijke herkende.
Dat op dorpsniveau dit boek het geheel van de gereformeerde gezindte weerspiegelt, zoals de uitgever laat weten, durf ik hem niet na te zeggen. Dat geldt voor een deel maar niet volledig. Was dat wel het geval, dan was bij alle gebreken die de Elspeetse dorpgemeenschap aankleven de gereformeerde gezindte krach-tiger dan nu het geval is.
Een beperkt maar behoorlijk representatief aantal Elspeters komt in In Elspeet aan het woord. Waren nog meer of andere Elspeter aan het woord gelaten, dan was hier en daar een accent anders geval of een zaak uit de dorpsgeschiedenis iets anders belicht. Ik denk aan de dorpszonde van zwart geld.
Ik kan persoonlijk zo een aantal mensen noemen voor wie dit tot schuld werd en die er radicaal mee braken. In Elspeet is een zeer boeiend en leesbaar boek. Je hoort – zeker als je persoonlijk kent – de geïnterviewde Elspeters praten. In Elspeet zal ook niet-Elspeters aanspreken. Het feit dat daarvan al een tweede druk bewees is daarvan een bewijs.


H. de Vries, In Elspeet. Hoe het Veluwse hart van de Biblebelt veranderde, De Banier, Apel­doorn 2015, ISBN 9789462781917, 275 pp. prijs €14,95. 

woensdag 28 oktober 2015

Blijvend vergeving nodig

Wie de naam van prof. dr. J. van Bruggen hoort, denk aan het Commentaar Nieuwe Testament derde serie. Van deze serie die inmiddels al weer een aantal jaren geleden werd voltooid, was hij de eindredacteur. In de schriftelijke arbeid van werken van Van Bruggen blijkt zijn diepe eerbied voor de Schrift als het Woord van God. Dan denk ik niet alleen aan zijn commentaren in de genoem-de serie maar ook aan zijn boeken Het kompas van het christelijk geloof en Kroongetuigen van het evangelie.
In recensies die ik schreef over de delen uit de CNT op de brieven aan de Romeinen en de Galaten heb ik een aantal kritische kant-tekeningen geplaatst. Bij de brief aan de Romeinen ging het om de uitleg van roeping en verkiezing en wel vooral in Rom. 9-11. In de uitleg van beide brieven constateerde ik dat Van Bruggen de bete-kenis van de rechtvaar­diging eenzijdig heilshistorisch opvatte en geen recht deed aan gegevens in Paulus zelf die ons laten zien dat rechtvaardiging allereerst moet worden verbonden met Gods gericht en met de vrijspraak in dat gericht.
Juist vanwege die kritische kanttekeningen in recensies over de genoemde delen uit CNT door mij zijn geplaatst, wil ik aandacht vragen voor een bijdrage van Van Bruggen waarin hij zich van een andere zijde toont. Gerelateerd aan het boek Kroongetuigen van het evangelie heeft Van Bruggen al een aantal jaren een website met de naam www.meeroverkroongetuigen.nl. wie naar het menu bijlagen op deze website gaat, komt onder andere een Bijbelstudie tegen waarin Van Bruggen ingaat op de vraag of een christen nog altijd moet vragen om vergeving.
Die vraag wordt lang niet altijd door iedereen instemmend beant-woord. Men zegt dan: ‘Een ware christen is toch vrijgesproken in Gods gericht?! Wie om vergeving vraagt, staat niet echt in de vrijheid van de kinderen van God.’ Uitgaande van de vijfde bede van het Onze Vader: Vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven onze schuldenaren.’
Van Bruggen wijst erop dat wanneer Paulus het over het volmaakt zijn van christenen in dit leven heeft, dat niet als zondeloos bedoeld is, maar als volwassen. Ook bij het volwassen geloofsleven behoort de belijdenis van schuld en de bede om vergeving. Dat blijkt duidelijk uit de eerste brief van Johannes. Daar lezen we: ‘Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons’ (1 Joh. 3:9)
Heel mooi brengt Van Bruggen naar voren dat een christen die verzoend is met God en volkomen vergeving heeft ontvangen, de vreugde van het geloof niet ervaart door terug te kijken op een bij voorbaat betaalde schuldnota maar door toegang tot God te zoeken door de volmaakte Hogepriester Die zit aan de rechterhand van de Vader. Bij Hem vinden we genade! Zo vaak wij die nodig hebben en daarom tot Hem naderen.
In de bewuste bijdrage lees ik zo mooi en terecht dat in vele toonaarden en op vele leeftijden Gods kinderen het gebed hebben vertolkt van de tollenaar uit de gelijkenis (Lucas 18:9-14): ‘O God, wees mij, de zondaar, genadig!’. Deze zaak bewerkt zich niet tot christenen van een bepaalde richting. In alle kerkelijke liturgieën hebben die gebeden een plaats.
Hieraan kan worden toegevoegd dat binnen de kloosters Psalm 51, de bekendste boetepsalm, dagelijks wordt gebeden. Ook al wijzen we het kloosterwezen af, met deze praktijk horen we geen moeite te hebben. Zou dat wel het geval zijn, dan hebben we alle reden ons af te vragen of wij wel echte zonen en dochters van de Refor-matie zijn.
Ik besluit met een aantal regels uit een gedicht dat in het begin van de negentiende eeuw door Bilderdijk is gedicht. Regels die Van Bruggen aanhaalt in zijn bijdrage op de genoemde website:
Genadig God, die in mijn boezem leest!
Ik vlied tot U, en wil, maar kan niet smeeken.
Aanschouw mijn nood, mijn neêrgezonken geest,
En zie mijn oog van stille tranen leken!

Ik smeek om niets, hoe kwijnend, hoe bedroefd.
Gy ziet me een prooi van mijn bedwelmde zinnen:
Gy weet alleen het geen uw kind behoeft,
En mint het meer, dan 't ooit zich-zelf kan minnen.

dinsdag 27 oktober 2015

A Review of Two Theologies of the New Testament

Introduction
When Christian people hear about biblical theology, most of them understand this expres­­sion to mean theology that has the Bible as its ultimate standard and source. In this sense all theology ought to be biblical. In theology as an academic discipline, bibli­cal theology has a somewhat different meaning. In theology as an academic discipline this part of the theology stands between exegesis and systematic theology.
Exegesis is the exposition of Scripture. Its focus is the single text or a single passage. Systematic theology reflects on the Bible as a whole. Under­stan­ding and recapitulating the content of the Bible is done in community with the church of all ages. Systematic theology is always confessional in character. The doctrinal content of the Bible is underlined.
Biblical theology focuses on the content of biblical revelation from the view point of its un­folding in history. The history of revelation or redemption is one of the leading viewpoints in biblical theology as an academic discipline. Biblical theology asks calls attention to the indi­vi­dual biblical witnesses and treats biblical themes in the context of the history of revelation and redemption. The emphasis falls on the diversity of the individual biblical witnesses within the greater unity of the Bible as a whole.
In biblical theology the great distinction is between theology of the Old and the New Testament. When we speak about the theology of the Old and New Testament the under­lying presupposition is, that the writings of the Old and New Testament, although diverse in character and each having its own accents and distinctive, ulti-mately form a con­sistent and coherent unity.
At the same time I must say that quite a lot of scholars, who have written an Old or New Testament theology, only accept the canon for pragmatic reasons. Then we are not writing biblical theology, but the history of religion. Actually, theology, in the strict and real sense of the word, is only possible, when the Bible is accepted as the infallible and inerrant Word of the living God.
I stress, that we cannot draw exact distinctions between exegesis, biblical theology and syste­matic theology. In fact, it is a spectrum and besides that, we must reckon with the so called hermeneutical spiral. It is a great misunderstanding if we think that exegesis and biblical theology can be done in a neutral way. The exegetes and scholars who suggest that neutrality is possible in biblical theology are unaware they are the most dogmatic scholars we have come across.
Finally, I state emphatically, that biblical theology can never replace systematic theology. The Bible as a whole confronts us with questions, which can never be solved solely by an appeal to biblical texts. I think about ques-tions with regard to the relation­ship between time and eternity and the relationship between the Creator and his creation. That was the reason that already some years ago, Carl Truman wrote an article with the somewhat provo­cative title ‘A Revolutionary Balancing Act Or: Why our theology need to be a little less biblical?’
When theologians want to restrict themselves to biblical theology at the expanse of systematic theology, you always see that they have an anti-metaphysical bias. They do not want to speak about God in himself, but only about God in his relationship to his creatures. But this is a very important dogmatic decision with far reaching conse-quences.
You use to see in that case, that the narratives of the Bible are in a certain sense read as dogmatic treatises. Because in the biblical narratives God reacts to the actions of man in many cases, the conclusion is drawn that you cannot speak about the immutability of God. But what actually is the case, is that the genre of narrative is not really taken seriously. I must add that when we take the Biblical narratives as a whole, their clear message is that God is completely in control of all history. History is his story. The whole reality depends on him and he himself is independent. In theology we have the term the aseitas Dei.
Having tried to make you aware of the limitations of biblical theology, I am convinced that studying the content of the Bible focusing on the history of redemption and on the specific con-tribution of each book of the Bible and each writer of the Bible to the complete revelation, can be very fruitful.
So after these important remarks by way of introduction, now I call your attention to two theologies of the New Testament that were published in the last years. The first one consists of two volumes and is written by the American New Testament scholar Ben Witherington III. The second is written by Udo Schnelle, an outstanding German New Testament scholar.

The Indelible Image
Witherington has given his two volume study the title The Indelible Image. By means of the concept of the image of God Witherington explains the relationship between theology and ethics in the New Testament. The first volume treats the individual witnesses of the New Testament and the second the collective witness. Witherington states that in quite a several of the studies of New Testament theology, ethics are not given its due emphasis. He wants to remedy this fault.
Witherington does not mention it, but in former days actually no separation was made between systematic theology and ethics. Gisbertus Voetius, the father of the Dutch Further Reformation, can serve as a good example here. Many of the disputations of Voetius centered around questions related to the practice of piety. The fostering of piety was seen as the end of (systematic) theology. So Witherington is not that new in his treatment, as he perhaps suggests.
Whiterington has a high view of the authority and historical reliability of the New Testament. He stresses that theology and history must not be seen as each others rival. The gospels must be seen both as theological and historical writings. In the case of the gospel of John the word ‘theological’ must be underlined and in the case of the synoptic gospels the words ‘writing of ‘historical’.
All four gospels are based on what eyewitnesses saw or heard. Witherington is convinced that also in the case of the fourth gospel, we are confronted with real history. Witherington also defends the historical reliability of Acts. In painting the portrait of early Chris-tianity, Luke gives a selection of the facts, but not an idealized story that is far from highly unrealistic. 
It is remarkable that in the gospels Matthew and John, both written by persons who belonged to the circle of the Twelve, the frequency of the use of the name of Father is much higher than in the other gospels. Among the synoptic gospels, Matthew in this respect most closely resembles the gospel of John.
The unity of the New Testament writings is seen in the way they speak about the person and the work of Christ. In almost all writing of the New Testament Jesus is called either Lord, Christ or/and Son of God. Only in 3 John do we not find any of these three words/expres­sions. But the reason is simple - its content as a letter of exhortation and its shortness. Jesus is everywhere portrayed as the one in whom redemption is found. He is the Savior.
Jesus himself and his activity and teaching while he was on earth, are the fountain of the expressions of faith with regard to his person. Witherington rightly makes this statement without denying that compared to the self revelation of Christ when he was on earth there is in the New Testament a further development in the pre-sentation of the person of Christ after his exaltation and after the outpouring of the Holy Spirit.
The witness of the writers of the New Testament not only when they record the teaching of Jesus when he was on earth, but also when they are instructed by the resurrected and glorified Christ, confronts us with the real Christ. We cannot make a distinction between the Christ of faith and the Jesus of history, but only between Jesus Christ when he was on earth and Jesus Christ as he is in heaven.
Wirtherington’s finding that according to Paul the gospel does not annihilate the order of creation but intensifies it, is very important. Homosexual behavior cannot be reconciled with the bearing of the image of Christ. Homosexual orientation – just as all sinful desires - can be seen as a result of the fall of man. Persons who have this orientation must be called to self denial in the light of the order of creation and the gospel of Christ and never be given the impression that homosexuality can be allowed under certain conditions. Witherington denies that Paul or other New Testament witnesses can be seen as defenders of the view of sinless perfection. There are mature believers, but also a mature believer has reasons to confess his sins and shortcomings.
According to the new perspective, justification has only to do with the boundaries of the community of faith. It is an ecclesiological and not a soteriological doctrine. The new perspective denies the rightness of the view of the Reformation on justification. Withe-rington cannot be seen as a defender of the new perspective on Paul, but he does not sufficiently highlight the great importance of the message of justification in Paul’s writings. Rightly he states that Paul and James do not really contradict each other with regard to justification and faith. They each use both the word ‘justification’ and the word ‘faith’ in different ways.
As you understand, I think that the two volumes of Witherington are very valuable. They are goldmines full of useful information and useful insights. Honestly I must point to what I consider as a very serious defect, a defect that is seen again and again in the way Witherington presents the message of the New Testament.
Witherington is a thoroughgoing Arminian. He denies the particular nature of the atonement, although nowhere in the New Testament it is ever said to unbelievers/persons outside the Christian church that Christ died for them. A complete Savior is preached and must be preached to unbelievers, both Jews and gentiles.
Not just a blessing connected with the work of Christ (Christ died for you) but Christ himself must be presented to unbelievers. The message that we will never be separated from the love of God in Christ, because Christ died for us and prays for us, is a message of consolation for believers. It makes clear to them the depth and the total character of Christ’s love for them.
Witherington cannot give a satisfying explanation about the sayings in the New Testament about election and predestination. Final election depends in his view of man’s faith. But in the New Testament we read just the reverse. This is the main reason that I bring attention to another work in the field of New Testament Theology published within the last couple of years.

Theology of the New Testament
The study of Udo Schnelle, originally written in German and translated in English, has its own defects and shortcomings, but Schnelle makes clear that in the New Testament faith is seen as a gift of God. Faith completely rests on God’s grace and that is the reason that the fountain of faith is personal election. Especially in John’s gospel and the Pauline epistles the unconditional and personal nature of election is stressed.
It is impossible for the language of election to refer only to the election of the congregation and not the election of individuals. It contrary to the central tenets of the witness of Paul, that the final salvation of believers depends on his own perseverance and is not guaranteed by the predestination and covenant loyalty of God.
The study of Schnelle can also be praised for other reasons. The fact that the history of Jesus and his church is not treated in a neutral way in the New Testament, does not mean that the information cannot be seen as reliable. All writing of history is selective and is done out of a certain perspective. Schnelle underlines that Jesus himself, while he was on earth knew that he had a unique relationship to God and had a unique place in the history of salvation.
I would make an even stronger statement, but as such we can agree with Schnelle. He emphasizes the continuity between what happened before and after Easter. He is convinced that the resurrect­tion of Christ is real history and not a myth. Schnelle has no patience with the view that originally there was a low Christology and that a high Christology points to a later date in development of presentation of the person of Christ.
At the same time we must say that Schnelle does not have a very high view of Scripture. He thinks that the gospel of John can only be accepted in a very small measure as a source of historical information. He thinks that the Pastoral Epistles and the epistle to the Ephesians were not written by Paul. His argument is not only the style in which these letters are written but also their theological content are different.
He thinks that Paul cannot have written these letters, because both the Pastoral Epistles and the letter to the Ephesians are less charismatic than Paul’s correspondence with the Corinthians. This is a circular argument. The emphasis on the gifts of the Spirits in the two letters to the Corinthians is related to the problem in the congregation of Corinth. Besides that, it is perhaps no coincidence that in later letters this problem is not so acute.
The extra ordinary gifts of the Spirit became more and more accidental. The differences in style can related to differences in content. In addition, we know that Paul made use of secretaries. Perhaps he gave them more freedom in the framing of his later letters. The fact that Schnelle thinks that there is a real disagreement between Paul and James, must perhaps, at least partly, related to his Lutheran background.
With regard to his view of Scripture, we have to prefer Witherington, but it is a remarkable that Schnelle although he has a lower view of Scripture, does much more justice to the full implications of the New Testament teaching of grace defending the personal and unconditional character of God’s election. So finally, I think that we can learn from both of them and must at the same time read their studies with critical discernment.

Udo Schelle, Theology of the New Testament, trans. M. Eugene Boring, Baker Academic, Grand Rapids, Michigan 2009; ISBN 978-0-8010-3604-0; hb. 910 pp.

Ben Witherington III, The Indelible Image: The Theological and Ethical Thought World of the New Testament: Volume One. The Individual Witnesses, IVP Academic, Downers Grove, Illinois 2009; ISBN 978-978-8308-3861-5; hb. 856 pp.

Ben Witherington III, The Indelible Image: The Theological and Ethical Thought World of the New Testament: Volume Two. The Collective Witness, IVP Academic, Downers Grove, Illinois 2010; ISBN 978-978-8308-3862-2; 838 pp.


zaterdag 17 oktober 2015

De historiciteit van Adam

Was Adam werkelijk een historisch persoon of gaat het in de paradijsgeschiedenis om een sym­bolische verwoording van een bovenhistorische werkelijkheid? Beginnend bij de kerkvaders en eindigend in het heden, laat VanDoodewaard, hoogleraar kerk-geschiedenis aan het Puritan Reformed Seminary in Grand Rapids, Michigan, zien dat tot de Verlichting vrijwel unaniem de paradijs­ge­schiedenis als historisch is opgevat.
Bij de uitzonderingen behoort Origenes. In navolging van Philo meent hij dat in Genesis 1 de schep­ping van de geestelijke mens en in Gen. 2 de val van de mens in het lichaam wordt beschre­ven. Over de histo­ri­citeit van de paradijsgeschie­denis zijn de gedach-ten van Origenes voor meerder uitleg vatbaar.
Voor vrijwel alle andere theologen in de Vroege Kerk staat de historiciteit van de paradijs­ge­schie­­denis buiten discussie. Dat geldt al voor de eerste kerkvader Irenaeus. Origenes meent dat God de wereld feitelijk in één moment schiep, maar dat ter wille van ons bevattingsvermogen over zes dagen wordt gesproken.
Daarin volgt Augustinus, Origenes. Augustinus wijst echter de gedachte af dat de paradijsgeschiedenis symbolisch mag worden opgevat. De zondeval als histo­ri­sche feit behoort voor Augustinus tot de kern van het christelijk geloof. Zonder dit feit verliest immers de leer van de erfzonde haar basis.
VanDoodewaard laat zien dat tot aan de zeventiende eeuw deze gedachte dat de wereld in zes gewone dagen werd geschapen, vrijwel algemeen aan­vaard was. Het standpunt van Augustinus wordt door Calvijn en Luther resoluut van de hand gewezen. Pas in de negentiende eeuw zijn er ook ortho­doxe theolo­gen die ruimte houden voor een aarde die ouder is dan zesduizend jaar. Dan neemt men aan dat in de geslachtsregisters namen zijn over-geslagen.
In Amerika menen onder andere Hodge en Warfield dat de scheppingsdagen niet als gewone dagen hoeven te worden opge­vat. Vooral theologen uit de Zuidelijke Staten hebben hierop kritiek gehad. Voor Hodge en Warfield is de histo­riciteit en boven-natuurlijke herkomst van Adam en Eva als de eerste mensen evenwel onop­geef­baar. Warfield houdt binnen beperkte grenzen evolutie voor een mogelijkheid.
In onze eigen land zien we bij Kuyper, Bavinck en G.Ch. Aalders openingen voor de gedachte dat in ieder geval de eerste drie scheppingsdagen geen gewone dagen waren. G. Wisse heeft nog in de tijd dat hij tot de Gerefor­meerde Kerken behoorde, aan-gegeven dat hij hen daarin niet kon bijvallen. Ook prof. J.J. van der Schuijt liet zich in De Wekker op dit punt kritisch over genoemde theologen uit.
De studie van VanDoodewaard is een zeer grondige historische studie die allerlei ge­­kleurde voorstellingen ontzenuwt. Vooral wordt duidelijk hoe theologen over Gen. 1-3 hebben gedacht. Het zou een aanvulling als breder aan de zienswijze van christelijke geo-logen en biologen aan­dacht was geschonken. 
Dan was naar voren gekomen dat het zogenaamde jonge-aarde crea­tio­nisme dat de schepping van de wereld in zes gewone dagen wetenschappelijk wil fun­deren, een uitbouw is van inzich-ten die zich in de negentiende eeuw begonnen te ontwikkelen. Een uitbouw die ook zelf een veelkleurig karakter draagt en meer dan eens niet onweersproken is gebleven door hen die aan het volstrekt histo-risch karakter van Genesis 1-3 willen vasthouden.
Zelf zou ik iets meer benadrukt hebben dat de vraag naar de aard van de scheppingsdagen toch van een ander theologisch gewicht is dan die van de histor­ic­i­teit van Adam. Van belang is wel dat VanDoodewaard nog in een epiloog opmerkt dat gedurende de kerkgeschiedenis men ervan uit­ging dat de aarde in een staat van volwassenheid werd ge­scha­pen
Wie dat wetenschappelijk ver­dis­conteert, moet ook rekenen met schijnbare ouder­dom. Min­der aantrekkelijk acht VanDoode­weerd de gedachte dat de fossielen door God meege­schapen zouden zijn. Hij wijst erop dat vanaf de negentiende eeuw een enkeling deze gedachte verde­digt, maar dat die terecht toch als weinig steekhoudend wordt gezien. Wat mij betreft was VanDoo­dewaard nog iets nader ingegaan op de verhouding tussen het fossie-lenbestand en de inhoud van Genesis 1-3.
Zeer belangrijk is het concluderende slothoofdstuk. Daarin laat VanDoodewaard zien dat het al dan niet aanvaarden van de histo-riciteit van Adam en van de lichamelijke dood als gevolg van de zondeval tot een essentiële aanpassing van de bijbelse bood-schap moet leiden. Dit gegeven kan – en naar ik meen hoort – voor mensen die anders tegen de zaken aankijken dan VanDoodewaard aanleiding geven zijn boek te lezen.
Het gaat hier om een boek van hoog niveau. Wie een grondige docu­mentatie zoekt hoe in de kerk­geschiedenis wordt gedacht over de eerste hoofdstukken van Genesis, kan zondermeer niet om dit boek heen. R. Albert Mohler, president van Southern Baptist Theological Seminary, schreef een woord vooraf waarin hij dit boek zeer hartelijk aanbeveelt.


William VanDoodewaard, The Quest for the Historical Adam: Genesis, Hermeneutics, and Human Origins (Grand Rapids: Heritage Books, 2015), 359 p., $30,-- (ISBN 9781601783776) 

dinsdag 13 oktober 2015

De ware schat van de Kerk

De rechte bediening van het Woord: het voornaamste kenmerk van de kerk
Eén van Luthers 95 stellingen luidt: ‘De ware schat van de kerk is het evangelie van Gods eer en genade.’ Met deze stelling houdt de reformatorische en voluit bijbelse gedachte verband dat de kerk in haar zichtbare vorm overal te vinden is waar het Woord van God recht wordt bediend. De rechte bediening van het Woord maakt de kerk tot kerk. Waar die te vinden is, is het wezen van de kerk aanwezig en waar die ontbreekt, ontbreekt het wezen van de kerk.
De eeuwen door heeft Christus naar Zijn trouw verbond Zijn kerk in stand gehouden. Er zijn tijden geweest dat de kerk in haar uiterlijk verschijningsvorm bijna verdwenen was, hoewel er nog genoeg kerkgebouwen waren met vele kerkgangers. Dat geldt voor die tijden dat de rechte bediening van het Woord zo goed als verdwenen was. Je kunt dan denken aan de kerk van de Mid-deleeuwen.
De Heere gedacht echter aan Zijn kerk. Er kwam een Reformatie. De kerk kreeg een nieuwe verschijningsvorm waarin het wezen van de kerk veel helderder naar voren kwam. Vrijwel direct vanaf het begin viel de kerk van de Reformatie uiteen in een lutherse en gereformeerde richting. De (Anglicaanse) Kerk van Engeland is naar haar oorsprong als een bijzondere verschijningsvorm van de gereformeerde reformatie te zien.
We mogen geloven dat de gereformeerde belijdenis de diepste samenvatting is van de leer van het Oude en Nieuwe Testament. Daarmee ontkennen we niet dat de getrouwe bediening van het Woord ook in lutherse en anglicaanse kerken werd gevonden. In de loop der eeuwen is het protestantisme steeds veelvormiger geworden. Als ik nog een aantal hoofdstromingen mag noemen dan zijn dat het baptisme en methodisme. Onder methodisten en met name onder baptisten heeft de Heere Zijn kerkvergaderend werk willen verrichten.

De inhoud van de rechte bediening van het Woord
Waarin bestaat de rechte bediening van het Woord? Heel een-voudig kan dat als volgt worden samen­gevat: Er is één God, één Middelaar en één Geest, er zijn twee wegen en drie stukken. Een ware christen worden we door het vernieuwende werk van de Heilige Geest. Deze Geest overtuigt ons allereerst van zonden om zo in ons hart behoefte te scheppen aan de Middelaar, de Heere Jezus Christus.
Wie hem door een waar geloof wordt ingelijfd, wordt ook gewillig gemaakt om God te dienen. Langs deze weg gaat een mens over van de brede op de smalle weg en leert Hij de ene Naam tot zaligheid belijden en de drie-enige God als God van volkomen zaligheid te verheerlijken. Niet alle stukken van de geloofsleer zijn van hetzelfde gewicht. Overal waar deze zaken worden beleden en gepredikt, vergadert Christus Zijn kerk. Dat geldt niet alleen daar waar er kerken zijn die de gehele gereformeerde belijdenis onder­schrijven, maar bijvoorbeeld ook voor baptistische gemeen-ten of anglicaanse gemeenten. Overal waar Christus Zijn kerk vergadert wordt beleden dat Hij het Lam is dat ons vrijgekocht heeft met Zijn bloed en dat Zijn Geest Heere is en levend maakt.
De volmaakte eenheid van de kerk wordt hier op aarde niet gevonden. Bij alle variëteit is er toch een eenheid in het geloof. Dan gaat het met name over de leer van zaligheid. De geestelijke eenheid van de kerk valt niet met de structurele of uiterlijke eenheid samen. Ook al mogen we de Reformatie als een wonder Gods begroeten, dat betekent niet dat we aan de kerk van de Middeleeuwen de naam van kerk volledig ontzeggen.
De tegenwoordigheid van Christus beperkt zich niet tot één uiterlijke manifestatie van de kerk en is ook niet per definitie blijvend gebonden aan een bepaalde uiterlijke manifestatie van de kerk. In de Geloofsbelijdenis van Westminster staat zo veelzeg-gend dat ware kerken kunnen verworden tot synagogen van de satan.
De volmaakte eenheid van de kerk zal hier op aarde niet komen. Ik denk aan een punt als de doop. Baptisten als Spurgeon en Philpot hebben de kinderdoop onbijbels geacht. Zij wensten ook niet te behoren tot een kerk waarin alleen al maar die moge-lijkheid werd geboden. Wij daarentegen zijn ervan overtuigd dat de kinderen van christenouders gedoopt behoren te worden.
Toch voelen we ons met vele geestelijke banden aan mannen als Spurgeon en Philpot verbonden. Wij wijzen bijvoorbeeld in tegen-stelling tot de anglicanen het ambt van bisschop af. Toch her-kennen wij ons in de prediking van een anglicaanse bisschop als J.C. Ryle. Wie naar de volkomen eenheid van de kerk verlangt (en welke ware christen zou dat niet doen) dient dagelijks te smeken: ‘Kom, Heere Jezus, ja kom haastiglijk.’

De kerk: de gemeenschap der heiligen
Naar haar uiterlijke verschijningsvorm is de kerk daar waar het Woord recht wordt bediend. Als het gaat om de kerk naar haar innerlijke zijde dan wordt zij gevormd door allen die door een levend geloof Christus als de Koning en het Hoofd van de kerk zijn ingelijfd. Samen vormen alle ware gelovigen de gemeenschap der heiligen.
Het zou van sektarisme getuigen als wij zouden menen dat waarachtige christenen slechts binnen één openbaringsvorm van Christus’ kerk te vinden zijn. Een ware christen wenst een vriend en metgezel te zijn van allen die Gods Naam ootmoedig vrezen. De kracht van een plaatselijke gemeente ligt allereerst in het gepre-dikte Woord, maar daarnaast toch ook in het getal van Gods kinderen. Gods kinderen zijn degenen aan wie het Woord van God waarvan Jezus Christus de hoofdsom is, is toegepast aan het hart.
Ik denk in dit verband aan een voorval uit de kerkgeschiedenis. In het begin van de vorige eeuw stond in St. Philipsland in Zeeland ds. Lourens Boone. Hij was oud-gereformeerd predikant. In die dagen was de oud-gereformeerde kerk de volkskerk van het dorp. Het overgrote deel van het dorp behoorde ertoe. Boone was een zeer markant man die ook buiten eigen kring respect afdwong. Op een zeker dag bracht de commissaris van de koningin in Zeeland een bezoek aan St. Philipsland. Uiteraard hoorde daarbij een ontmoeting met Boone.
Toen de commissaris van de koningin de kerk van Boone zag, sprak hij daarover zijn verwondering en teleurstelling uit. Het was niet meer dan een grote schuur. Boone heeft echter geantwoord. Als er dienst gehouden wordt dan is de kerk gemeubileerd. De sierstukken van mijn kerk zijn de levende kinderen van God.
Ik hoop dat ook wij, wat er ook verder de toekomst van de kerk van Nederland is, zo mogen weten dat de Heere in ons midden is. Laten we toch vurig bidden dat de prediking van het Woord gezegend wordt en het getal van Gods kinderen onder ons vermeerdert. Dan zullen we ook zeker naar anderen toe uitstralen: ‘Kom ga met ons en doe als wij.’

maandag 5 oktober 2015

De betekenis van doordeweekse Bijbellezingen

Al in mijn eerste gemeente ben ik begonnen met het houden ervan hetzij in de vorm van een doordeweekse kerkdienst hetzij in de vorm van een Bijbelavond. Dat laatste komt dan neer op een preek waarover vervolgens vragen kunnen worden gesteld. Je zou kun-nen zeggen een preek gecombineerd met een pree-bespreking. Mijn uitgangspunt is daarbij dat afgezien van de zomermaanden er elke twee weken een samenkomst behoort te zijn voor de gehele gemeente. Op dat laatste wil ik allereerst ingaan.
Ik ben er diep van overtuigd dat het voor het geestelijk welzijn van de gemeente van groot belang is ook doordeweeks rondom het Woord bijeen te komen. De eerste christenen deden het zelfs dagelijks. Met Spurgeon zeg ik dat het onbestaanbaar is dat een levende christen genoeg zou hebben aan de zondagse samen-komsten van de gemeente, al vormen die ongetwijfeld het hoogte-punt van het gemeenteleven vanwege het bijzondere karakter van de eerste dag van de week als de dag des Heeren. Een christen kenmerkt zich door honger naar het Woord.
Ongetwijfeld kan men op allerlei wijze samen met anderen het Woord bestuderen, maar niets gaat uit boven een samenkomst voor de gehele gemeente. Daar komt het meest tot uiting tot het Woord er is voor mensen van welke achtergrond en welke leeftijd dan ook. In een kerkdienst is het God Die door middel van één van Zijn knechten tot de gemeente spreekt. De gemeente participeert door te luisteren naar de stem van de levende God.
Als er zo geluisterd mag worden is de kerkdienst echt een feest. Midden in de week worden we even uitgetild boven alle beslom-meringen. Als dat het mogelijk is, is het een goede zaak om met een aantal anderen na afloop van de dienst bij elkaar te komen om met elkaar te spreken over wat gehoord werd. Dan wordt de kerkdienst vervolgt door een gezelschap of hoe men  het ook noemen wil.
Op de dag des Heeren moet iedereen zoveel mogelijk naar de kerkelijke gemeente gaan waartoe hij behoort. Dat geldt ook als er doordeweeks in eigen gemeente een dienst wordt belegd. Nu pleegt dat in de meeste gemeenten niet elke week te zijn. Ik acht het een goede zaak als men dan elders kerkt. Wat mij betreft behoeft er dan ook niet naar kerkmuren gekeken te worden. Het gaat om de boodschap die gebracht wordt. Waar de boodschap van vrije genade, van verzoening door Christus’ bloed en weder-geboorte door Gods Geest wordt gebracht, is Gods kerk.
Het is een goede zaak als wij in onze gebroken kerkelijke situatie concreet leren betrachten: ‘Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen die Gods Naam ootmoedig vrezen.’ Ik denk aan de woorden William Cowper over Olney in de achttiende eeuw. Hij schreef aan een vriend dat in Olney de anglicanen er geen last van hadden dat de kerkgebouwen van de afgescheidenen geen toren hadden en de afgescheidenen omgekeerd er geen moeite mee hadden dat het anglicaanse kerkgebouw er wel een had. Over en weer werden in Olney de doordeweekse diensten bezocht.
Nu over het aspect van Bijbellezing dat aan menige doordeweekse kerkdienst is verbonden. In elke dienst is één van de bedoelingen dat de gemeente het Woord van God beter leert verstaan en dat opdat God verheerlijkt wordt in het leven van de leden van de gemeente. ‘Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot  wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid  is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust.’ (2 Timotheüs  3:16-17).
Juist een doordeweekse kerkdienst leent zich er bijzonder voor om extra aandacht aan de uitleg van de Schrift te geven. De aandacht pleegt vaak groter te zijn dan op de dag des Heeren. Degenen die komen zijn, plegen echt bereid te zijn om te luisteren. Opdat mensen meer zicht krijgen op de inhoud van de Bijbel, is  het goed een geheel Bijbelboek of een deel van een Bijbelboek te behan-delen. Zo wordt in de prediking de structuur van een Bijbel-hoofdstuk en de daaraan verbonden voortgang van de gedachte-ontwikkeling duidelijk.
Ik zou een pleidooi willen voren om in doordeweekse Bijbel­lezingen allereerst te denken aan de nieuwtestamentische brieven. Die hebben in het licht van de voortgang van de openbaring een bijzondere plaats in de Schrift. Terugziende op het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus wordt in de nieuwtestamentische brieven de betekenis van Christus’ dood, opstanding en hemelvaart ontvouwd.
De bijbelse leer in haar uiteindelijke vorm wordt er ons in geopen-baard. Als de brieven in de prediking vers na vers of gedeelte na gedeelte behandeld worden, wordt de gemeente met dezelfde ontwikkeling van gedachten geconfronteerd als de eerste lezers. Het is een  middel om te voorkomen dat Schriftwoorden fout wor-den verstaan omdat het verband waarin zij staan niet helder voor ogen staat. 
Tenslotte: het gaat erom dat de prediking wordt toegepast aan het hart, dat wij de kracht van het ene ongetwijfelde christelijke geloof mogen kennen waarvan Jezus Christus, de van God gegeven Middelaar, de hoofdsom is.