woensdag 27 januari 2016

Kerkgebouw en kerkgang

Inleiding
In 2015 verscheen bij uitgeverij Labarum te Apeldoorn een boek met de titel Vensters op refodomes. Het is gewijd aan kerkbouw in de rechterflank van de gereformeerde gezindte. Daartoe wordt ook de Her­steld Hervormd Kerk gerekend. Van beschouwingen die ons aan­gaan, kunnen wij meestal wat leren.
Nu moet bij het boek Venster op refodomes wel worden opge-merkt dat het geschreven is door auteurs van het Biblebelt netwerk. Deze laatste aandui­ding maakt duidelijk dat men gods­dienst in de eerste plaats als een sociologisch verschijnsel ziet. Dat is een belangrijke beper­king.
Dat betekent dat het diepste wezen van de Kerk per definitie buiten beschouwing blijft. Boeken over de kerk, haar geschiedenis en verschijning zijn het rijkst als zij vanuit een belijdend ge-zichtspunt zijn geschreven. 
Een prachtig voorbeeld daarvan is de kerkgeschiedenis van dr. Louis Praamsma De kerk van alle tijden. Het meren­deel van de medewerkers van Biblebelt netwerk staat echter ver af van de gereformeerde be­lijdenis. Men moet van hen dus geen beoor-deling die daaraan genormeerd is, verwachten.
Onder andere komt naar voren dat kerkgebouwen meer dan eens verrijzen aan de rand van een burgerlijke gemeente. Een kerk op een industrieterrein is geen uitzondering. Inderdaad is het mooier en beter als een kerk midden in een woonwijk ligt. Dat kan de aantrekkingskracht van een kerkelijke gemeente vergroten.
Echter, menige kerkelijke gemeente die een kerkgebouw nodig had, was blij dat er – waar het dan ook was – nog een stuk grond beschikbaar bleek te zijn. In onze tijd kan men lang niet altijd van een loyale medewerking van de burgerlijke overheid verzekerd zijn als het gaat om kerkbouw. 
Daarbij komt dat het tegenwoordig eis is dat er bij een kerkgebouw een aantal parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Om die eis kan een burgerlijke gemeente niet heen als zij eraan meewerkt grond beschikbaar te stellen. Het bete­kent wel dat men hoogst zelden in het centrum van een bestaande woonwijk een nieuwe kerk kan realiseren.

Hoe moet een kerkgebouw eruit zien?
De een heeft, als het gaat om gebouwen, een andere smaak dan de ander. Als het gaat om de ker­­ken die de laatste jaren zijn gebouwd, vind ik zelf het ene gebouw mooier dan het andere. Zelf houd ik van een kerk met een klassieke uitstraling. Ik weet ook dat eisen van een bur­ger­lijke gemeente zo’n ontwerp soms onmogelijk maken. Jammer acht ik het als kerkelijke ge­meenten zelf voor een modern ontwerp kiezen.
Daarnaast is het uiteraard zo dat een kerk­ge­bouw groot genoeg moet zijn voor een gemeente. Dat geldt niet alleen de kerkzaal, maar ook andere ruimten die men nodig heeft. Oudere kerken plegen vaak maar heel kleine por­talen te hebben. Dat nieuwe kerkgebouwen een ruime of zelfs zeer ruime hal hebben, acht ik alleen maar winst. Het kan ook bij slechter weer onderlinge ont-moeting vòòr en na de dienst bevor­deren.
De schrijvers van Vensters op refodomes menen dat de nieuwe kerkgebouwen die binnen de rechterflank van de gereformeerde gezindte zijn verschenen, in het algemeen te weinig van esthetiek en symboliek getuigen. 
Naar gereformeerde opvatting gaat het bij het gebouw aller­eerst om de boodschap die er wordt gebracht. Omdat wij niet onder de oude bedeling leven, mag ook niet zomaar een rechte lijn getrokken worden van de tempel naar kerkgebouwen nu.
In een protestants kerkgebouw vormt de preekstoel het centrum. In de directe nabijheid van de preekstoel bevinden zich de zitplaatsen van de kerkenraad. Dan is er uiteraard wel variatie mogelijk. In Opheusden maakte ik de opening van het nieuwe kerkgebouw van de Molukse Evangelische Kerk mee. Daar zit de kerkenraad in een halve cirkel achter de predikant. Het is anders dan wij gewend zijn, maar niet verkeerd. 
De Schotse kerken hebben grote preekstoelen. Bij avondmaals-diensten zijn altijd minstens drie predikanten aanwezig en die nemen dan allen plaats op de kansel. De kansel van onze eigen gemeente (Boven-Hardinxveld) zou in een Schots kerkgebouw dan ook niet misstaan.
Een predikantenbord met de namen van alle predikanten getuigt van het besef van verbonden­heid met de voorgeslachten. In menige oude protestantse kerk hangen er borden met de Tien Geboden. Tegen een bord met de Apostolische Geloofsbelijdenis kan men ook moeilijk be­zwaar maken. Integendeel zelfs. 
Heel mooi is ook een kernachtige Bijbeltekst verwerkt in de muur van de kerk. De keren dat ik in Elburg in de hervormde evange-lisatie Kerkbelang preekte, werd ik altijd weer getroffen door de woorden Vrede door het bloed des kruises op de buitenmuur van het gebouw van de Christelijke Gereformeerde Kerk dat recht tegenover het gebouw van Kerkbelang ligt.
Ik zou ook wensen dat kerken in Nederland de gewoonte gaan navolgen die bij behoudende gemeenten in de Angelsaksische wereld gebruikelijk is om bij de kerk een bord te plaatsen met de mede-deling dat gasten van harte welkom zijn. Vaak zie je dan dat ook een grote poster met een Bijbeltekst op zo’n bord is geplakt. 
Via de TBS (Trinitarian Bible Society) zijn die posters te ver-krijgen. Wat mij betreft laat de GBS ook zulke posters drukken met de aan­be­veling aan kerkelijke gemeenten borden te plaatsen met zo’n poster erop. 
Zo wordt aan de buitenwacht duidelijk gemaakt dat de boodschap die binnen de muren van het kerkgebouw wordt gebracht ook hen geldt en dat wij ernaar uitzien dat mensen vervreemd van de kerk de diensten gaan bezoeken.
Als echter in het gebouw zelf allerlei symboliek wordt verwerkt, komen we op een gevaarlijk spoor. Dat leidt af van de overtuiging dat de kerk daar is waar het Woord recht wordt bediend. Of het nu in een eenvoudige schuur is of in een veel mooier gebouw. 
In Vensters op refodomes wordt ook ge­sproken over een ruimte voor doordeweekse vieringen. Dat verraadt inzichten over kerk-zijn die ver van de gereformeerde belijdenis zijn verwijderd. Laat een gemeente wel naast de zondagse erediensten ook regelmatig doordeweekse diensten beleggen.

De grote van een kerkgebouw
In Vensters op refodomes wordt overigens wel een opmerking gemaakt over de grootte van een kerk­gebouw die ik hartelijk onderschrijf. Men stelt vragen bij de wel heel grote gebouwen die op een aantal plaatsen zijn verrezen. Met de oudvader Van Lodensteijn ben ik van mening dat een gemeente eigenlijk niet meer dan vijfhonderd kerkgangers moet tellen.
Gaat men rich­ting de zevenhonderd dan moet men aan een splitsing gaan denken. Een predikant moet ook echt herder kunnen zijn. En voor een onderlinge band in een kerkenraad moet die ook weer niet al te groot zijn. Iets wat bij een heel grote gemeente niet vermeden kan worden.
Komen bijna alle kerkgangers uit een niet al te groot dorp, dan pleegt het splitsen van een ge­meente niet eenvoudig te zijn. Het dorp voelt zich als ene gemeenschap en dat werkt door in de kerk. In grotere plaatsen ligt dat toch wat anders. Helemaal anders is het als tal van kerk­gangers uit omliggende plaatsen komen.
Komen meer dan honderd kerkgangers uit een na­bij­liggende plaats of op zijn minst uit eenzelfde gebied, dan wordt de zon-dagsrust ook door de split­sing van een gemeente bevorderd. In de gereformeerde gezindte zijn er zelfs wel ge­meenten die op deze manier in vijf delen gesplitst zouden kunnen worden. 
Voor de grote kerkgebouwen die er al staan en waarbij kerk-gangers uit een wijde tot zeer wijde omgeving naar de kerk komen, geldt voor een deel: gedane zaken nemen geen keer. Bezinning voor de toekomst is echter hoogst noodzakelijk.

Het gebruik van een vervoermiddel op zondag
Tot voor een aantal jaren geleden droeg de Vereniging tot bevordering van de zondagsrust en zondagsheiliging het stand-punt uit dat je op zondag ook voor kerkgang geen vervoermiddel moet gebruiken. Daar is men op teruggekomen. Naar ik meen terecht. 
Ik weet dat er mensen zijn die dat standpunt hebben, maar als kerk moet je dat niet je leden opleggen en naar mijn diepe overtuiging is het toch beter om met een vervoermiddel naar de kerk te gaan dan thuis de dienst via de kerk­telefoon mee te maken of een preek te lezen. 
Iemand als Voetius noemde zelfs de schaats als middel dat je mocht gebruiken om de kerk te bereiken. In vroeger tijd was dat in een strengere winter in een waterrijk gebied een heel goed te begrijpen advies
Van mij zou de Vereniging tot bevordering van de zondagsrust en zondagsheiliging wel syno­des, classes en gemeenten onder de aandacht mogen brengen om zo gauw daartoe enigs­zins mogelijk-heden zijn, tot gemeentesplitsing over te gaan. Aan mensen moet, zoveel als maar kan, de mogelijkheid worden geboden om dicht bij huis naar de kerk te gaan.
Wil men men­sen buiten de kerk bereiken, dan is een groot voordeel als je hen op een kerke­lijke gemeente in eigen plaats of eigen woonwijk kan wijzen. In de achterban van de Vereniging tot bevor­dering van de zondagsrust en zondagsheiliging zie je op dit punt soms wel heel grote ver­schui­­vingen. 
Terwijl men vroeger volstrekt niet van een vervoermiddel gebruik wilde maken, legt men nu soms vele kilometers met de auto af. Kerkenraden voelen daarom minder de nood­­zaak om een gemeente niet al te groot te laten worden. De Vereniging tot bevordering van de zondagsrust en zondagsheiliging heeft mij aan haar zijde, als zij hier een waar­schu­wend geluid laat horen.
Ds. Zondag van de Gereformeerde Gemeente van Woerden voerde in De Saambinder een plei­dooi om zondags minder van de auto gebruik te maken en lopend naar de kerk te gaan. Ik heb dat in het midden van de gemeente van Bonven-Hardinxveldnooit gedaan om de simpele reden dat dit niet nodig is. 
Ik zou eigenlijk niemand kennen die heel goed lopend naar de kerk kan komen en dat toch niet doet. Eerder moet ik soms de vraag stellen of het niet gebruik maken van een vervoermiddel echt een zaak is die men niet met het geweten kan over-eenbrengen.
Als dat laatste werkelijk zo is, zal het ingebed zijn in een leven van godzaligheid. Zo heb ik dat gezien bij mijn goede vriend Willem Gelderblom. Deze was voor zichzelf zeer nauw, maar heeft mij het nooit kwalijk genomen dat ik de auto gebruikte om elders te preken. Hij legde zijn standpunt aan anderen niet op. 
In mijn studententijd heb ik in vakanties een aantal jaren bij schoonmaakbedrijf Kinderdijk gewerkt. Daar werkte ik onder andere samen met een meneer Brand uit Streefkerk. Ook dat was zo’n man. Hij had weliswaar niet de geloofs­vrij­moedigheid van Willem Gelderblom, maar ik denk met achting aan hem terug.
Zondag las hij met zijn gezin preken en op tweede feestdagen en bij andere doordeweekse diensten ging hij met zijn gezin naar de Gereformeerde Gemeente in Nederland. Ook hem herinner ik mij als een man die nauwgezet was voor zichzelf, maar mild voor een ander. Een man ook die zocht naar wat verbond in de vreze des Heeren. Vanuit die houding is hij jarenlang voorzitter ge­weest van de vereniging van de School met de Bijbel in Streefkerk.

Het gebruik van een vervoermiddel door een predikant
Het pleidooi van ds. Zondag om op de dag des Heeren, als het mogelijk is, lopend naar de kerk te gaan, riep de vraag op hoe je het moet zien als predikanten de auto gebruiken om elders te preken. Als predikanten daar innerlijk bezwaar tegen hebben, respecteer ik dat ten volle. Dan zullen zij mijn pleidooi, om als het even kan tot splitsing van een gemeente over te gaan, helemaal bijvallen.
Het eerste jaar dat ik ging preken kon ik nog geen auto rijden. Preekte ik in de buurt, dan werd ik gereden door een vriend of kennis. Was het verder weg, dan ging ik zaterdag met de bus en trein naar een logeeradres en reisde op maandag terug. De reizen per trein naar Groningen en Leeuwarden herinner ik mij nog goed. In de trein las ik en overdacht ik mijn preek.
Toen ik auto kon rijden, ging ik bij heel grote afstanden zaterdag van huis om op maandag terug te reizen. Bijvoorbeeld als ik vanuit Opheusden of Elspeet naar Ouddorp of Wouters­woude ging. Dan gebeurde het wel dat je zondagavond met meerderen bij elkaar kwam om over de preek te spreken. 
Zoveel mogelijk sprak en spreek ik als ik wat verder moet gaan een hele zondag af. Dichterbij ligt dat anders. Op deze wijze probeer ik dan de zondagsrust zoveel mogelijk gestalte te geven.
In ieder geval lijkt het mij beter dat een predikant naar een wat kleinere gemeente reist. Dan dat zo’n gemeente wordt opgeheven of niet gesticht en kerk­gan­gers in grote getale naar een an­dere plaats moeten reizen. 
Ik mocht zondag middag 17 januari 2016 voor het eerst in Oosterhout voor te gaan. Daar worden nu om de twee weken op zondagmiddag diensten belegd die door krap tien mensen uit Oosterhout worden bezocht en daarnaast nog door wat andere be­lang­stellenden. Dat zijn dan in de praktijk vrijwilligers van het evangelisatiewerk in Ooster­hout.
Laat ons gebed zijn dat Nederland overdekt wordt met gemeenten waar het Woord bijbels wordt verkondigd, waar mensen de boodschap van zonde en genade, van schuld en vergeving kunnen horen. Laat het zo zijn dat anderen aan ons kunnen bemerken dat die boodschap aan ons hart vertroosting, geest en leven schenkt.

maandag 25 januari 2016

Selected Writings of Benjamin Morgan Palmer

Benjamin Morgan Palmer (1818-1902) was on the leading theo-logians of the Southern Presbyterian Church. Palmer was not only a great theologian and a powerful preacher but also a wise physician of souls. In 2014 the Banner of Truth published a selection of articles Palmer wrote for The Southern Presbyterian in the years 1869-1870.
The articles are divides in five categories. The second one con-taining Palmer’s articles on foreign missions are as relevant and compelling as when he wrote them. The same can be said of his exposition of the Beatitudes in the third part. Palmer emphasizes that the Sermon on the Mount must not be read as just ethical education. This ignores that it is fond on the lips of the Savior of sinners.
The Sermon on the Mount starts with the Beatitudes and so make clear its evangelical nature. The nature of the kingdom of God, the whole gospel of Jesus Christ and all the elements of true Christian experience which are the result of the indwelling of the Holy Spirit are unfolded in the Beatitudes.
The last part contains articles related to Christian experience. I just give a quote from the second article in which Palmer explains the meaning of the expression ‘accepted in the Beloved’ (Ephesians 1:6).  ‘The measure of God’s love to the believer is the love he has for Christ. From him it glances upon us – the love of a Father to those he has given to power to become his sons. And so it will be throughout eternity. Always seen and always loved only in Christ, the love will be as unchangeable as it is perfect. The acceptance being without reservation, the blessedness will be full, and the joy such as overflows from the Savior’s heart into the heart of his ransomed people forever and forever.’
Palmer lived what he taught and preached. When late on wet and dismal Saturday night and a communion service before him the next Lord’s Day a summons came. His wife urged him to delay the response till the following day. Palmer replied: ‘No. Death waits upon no man’s convenience, and an immortal soul may be at stake.’ So Palmer is a model for any minister of the gospel in his care for immortal souls.

Selected Writings of Benjamin Morgan Palmer, selected by Caleb Cangelosi and edited by C.N. Wilborn, Banner of Truth, Edinburgh 2014; ISBN 978-1-84871-410-6; hardcover 205 pp., price £9,50.

vrijdag 22 januari 2016

Wat kunnen we van de theologen van Princeton leren?

Het lezen van boeken om geestelijk en theologisch te worden gevormd
In de wetenschap dat het lezen van goede boeken één van de middelen is die God gebruikt om zicht te geven op de betekenis van het evangelie stimuleer ik gemeenteleden daartoe. Zijn zij dat niet gewend, dan pleeg ik hen te wijzen op de geschriften van de Anglicaanse bisschop J.C. Ryle, de negentiende-eeuwse oefe-naar Wulfert Floor en de jong overleden christelijke gere­for-meerde predikant F. Bakker. De inhoud van deze geschriften is bijbels en de presen­tatie helder.
Met dit advies probeer ik in ieder geval indirect al aan te geven dat wij van men­sen van ver­schillende achtergrond iets kunnen leren. Voor sommigen blijft het niveau van ver­woording in deze geschriften het maximum wat zij kunnen bereiken. Anderen blij-ken na be­trek­kelijk korte tijd ook met vrucht De Redelijke Godsdienst van Wilhelmus à Brakel of de Viervoudige staat van Thomas Boston te kunnen lezen.
Als het gaat theologen uit de geschiedenis van Kerk van wie wij iets kunnen leren, dan zijn er bepaalde perioden en bepaalde theologen die eruit springen. Naar mijn diepe overtuiging hebben weinigen zo’n diep inzicht gehad in het feit dat een kind van God zichzelf telkens weer voelt falen en dat hij daarom telkens weer op het Lam teruggeworpen wordt als H.F. Kohl­brugge. 
Gaat het om het beantwoorden van zielenvragen en om de prak-tijk van de god­zalig­heid in de breedste zin van het woord, dan denk ik aan de puriteinen en de mannen van de Nadere Refor-matoren. Zeker studenten in de theologie kunnen alleen maar tot hun schade deze geschriften ongelezen laten. Ik wil nog verder gaan. Ik ben er diep van overtuigd dat een theologiestudent die ernst maakt met de voorbereiding op het ambt, tijd zal vrijmaken om deze geschriften te lezen.

Het lesprogramma van Princeton Theo­logical Seminary
In deze overtuiging sta ik niet alleen. In 2012 is het tweehonderd jaar geleden dat Princeton Theo­logical Seminary werd gesticht. Het was de eerste theologische hogeschool van de Pres­by­teriaanse Kerk in de Verenigde Staten. 
Gedurende de gehele negentiende eeuw behoorde het lezen van geschriften van de Engelse puriteinen en van aan deze puriteinen verwante Schot­se theologen als Rutherford, Halyburton en Boston tot de verplichte leesstof van stu­den­ten. Meer dan een eeuw is Princeton Theological Seminary een kweekplaats en bolwerk van gereformeerde orthodoxie in de beste zin van het woord geweest.
Verbondenheid aan de ge­re­for­meerde leer en missionaire bewo-genheid waren nauw met el­kaar verbonden. De ge­richt­heid op zending en evangelisatie was één van de speerpunten van de hogeschool. In de twin­tig­ste eeuw begon zich een koerswijziging af te tekenen. Deze koers­wijziging werd officieel be­vestigd toen de synode van de Presbyteriaanse Kerk de con­stitutie van de hoge-school in 1929 wijzigde.

De geschriften van de Princeton theologen
Niet alleen het lesprogramma van de theologen van Princeton is nog altijd actueel, ook hun eigen geschriften zijn de moeite waard om te lezen. Op een enkele preek na zijn er bij mijn weten nooit werken van deze theologen in het Nederlands vertaald. Dat bete-kent dat men wel de Engelse taal redelijk machtig moet zijn om met vrucht van datgene wat de theologen van Princeton hebben geschreven kennis te nemen.
Voor een gewoon gemeentelid denk ik naast preken en preken-bundels, die opvallen door hun sterke gerichtheid op de persoon van de Mid­de­laar, aan een boek als Thoughts on Religious Expe-rience (Gedachten over godsdienstige beleving) van Archibald Alexander die als eerste hoogleraar aan Princeton Theological Semi­nary werd verbonden.
Ik ken in het Neder­lands eigenlijk geen boek dat zo breed en tege­lij­ker­tijd toegankelijk vragen bespreekt gere­la­teerd aan het karakter, ontstaan en de voortgang van het geestelijke leven. Ik noem slechts de vraag of men het tijdstip van zijn bekering moet kunnen aan-geven en de vraag of geestelijk leven nu begint met het toevlucht nemen tot Christus of met berouw over de zonden.
Een ander zeer toegankelijke werk is de The Way of Life (De weg van het leven) van Charles Hodge. In The Way of Life be­han­delt Hodge op een­voudi­ge wijze een drietal zaken die wij ook in zijn andere ge­schriften tel­kens weer te­gen­komen, name­lijk: hoe wij weten dat de Bij­bel Gods Woord is, wat de inhoud van de Bijbel is en welke ge­volgen de Bijbelse leer in ons le­ven heeft als de Heilige Geest die toepast aan ons hart. Zijn leerstellige uitzetting van het christelijke ge­loof is door­trok­ken van een bevindelijke gloed.
Hodge studeerde zelf aan Princeton Theo­lo­gi­cal Semi­nary en werd op 25-jarige leeftijd tot derde hoogleraar van Princeton benoemd. Aan­van­kelijk bezette hij de leerstoel Oosterse en Bijbelse literatuur. In 1840 verwisselde Hodge de leerstoel Oosterse en Bijbelse literatuur met die van de dog­ma­tiek. Wel bleef hij tot aan het einde van zijn leven aan studenten in de lagere jaren exegese geven van de brieven van Paulus.
Hodge schreef naast een driedelige gereformeerde dogmatiek, die sinds het verschijnen ervan al­leen door die van Herman Bavinck is overtroffen, meerdere bijbelcommentaren die nog altijd de moeite van het raadplegen waard zijn. Dat geldt ook voor de geschriften van andere bijbel­­­wetenschappers die aan Princeton waren verbonden. Ik denk aan de oudtestamentici Joseph Addison Alexander (zoon van Archibald) en Robert Dick Wilson en aan de nieuw­tes­ta­­menticus John Gresham Machen.
De blijvende betekenis van de Princeton theologen is ove­ri­gens niet beperkt tot de dogmatiek en de Bijbelvakken. Ook hun homiletische ge­schrif­ten zijn nog altijd de moeite waard. De stof van de colleges homiletiek van Archibald Alexander is nooit in druk verschenen. Het feit dat het van de hand van zijn zoon James Waddel Alexander verschenen werk Thoughts on Prea­ching (Gedachten over de prediking) nog altijd nieuw te krijgen is, is een aanwijzing voor de kracht ervan.

Wetenschap en godsvrucht
Kenmerkend voor de oorspronkelijk opzet van Princeton Theo-logical Seminary was de na­druk op het feit dat een goed predikant zowel godzalig als geschoold dient te zijn. We horen de­zelfde tonen als bij Voetius. Deze sprak in zijn inaugurele rede over wetenschap en gods­vrucht dooreen vermengd.
De theologen van Princeton wensten het klassieke christen­dom, waarvan de gereformeerde belijdenis naar hun vaste overtuiging de diepste vertolking was, te belijden en te verdedigen. Het ging hem om een beargumenteerde en academische uiteen­zetting en ver-dediging van het christelijke geloof en dat ten dienste van een bijbelse prediking die onder Gods zegen een nieuwe generatie wint voor de Christus der Schriften
Voor de theologen van Princeton sloot gods­­­vrucht het gebruik van het verstand en ijverige studie niet uit, maar juist in. Zij waren er echter wel van overtuigd dat slechts als wij ons verstand aan de openbaring onderwerpen, wij tot de kern van de bijbelse bood-schap door­dringen. Alleen zo ontvangen we ook het uiteindelijke zicht op de werkelijkheid om ons heen voor. Echte wetenschap kon voor deze theologen nooit een be­dreiging voor godsvrucht en theologie zijn.
Kern van alle kennis was voor de theologen van Princeton kennis van de Drie-enig God Die Zich aan ons in de Bijbel als Zijn onfeilbaar Woord heeft geopenbaard. Zij waren ervan over­tuigd dat de essentie van het werk van de Heilige Geest daarin bestaat dat Hij ons aan Christus ver­bindt en voortdurend op Christus leert zien als de Middelaar door Wie wij toe­gang ont­van­gen tot de Vader.
Ik be­sluit deze bijdrage over de blijvende betekenis van de theo-logen van Princeton met door te ge­ven wat Charles Hodge zei dat zijn vijftigjarig jubileum als hoog­leraar. Hij merkte op dat de stu­denten die Princeton Theolgical Seminary binnentraden, toen de eerste professoren nog leef­den, weliswaar in de gebouwen geen schil­derij of beeld van de Heere Jezus zagen.
Echter, in de colleges die er werden gege­ven, de Heere Jezus, zo zei Hodge, werd uitgeschilderd in al Zijn heerlijkheid en schoonheid als de enige en vol­komen Middelaar en Zaligmaker en erop werd gewezen dat een mens bij het zien op deze Middelaar veranderd wordt van heerlijkheid tot heerlijkheid. Van dat laatste, zo mogen we zeggen, waren deze professoren zelf een levend bewijs.

Biblical and Theological Studies: A Commemoration of 100 Years Princeton Seminary, 1912, herdr. 2003 door Solid Ground Christian Books, Birmingham, Alabama; ISBN1-932474-18-8; pb. 636 pp.; prijs $40,--
Ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van Princeton Seminary verscheen in 1912 en bundel met bijdragen van de leden van de toenmalige faculteit. Een breek scala onderwerpen die, zeg maar, alle terreinen van de theologie als wetenschap bestrijken (bijbelvakken, dog­ma­tiek, apologetiek, kerkgeschie-denis, praktische vakken), komt in deze bundel aan de orde.
Ik noem nog dat één van de theologen die een bijdrage schreef, van Nederlandse afkomst was en wel Geerhardus Vos. Vos was een zeer bekwaam nieuwtestamenticus. Kuyper heeft nog ge­poogd hem aan de Vrije Universiteit te verbinden, maar Vos koos ervoor in Amerika te blij­ven.

James. M. Garretson (red.), Pastor-Teachers of old Princeton: Memorial Addresses for the Faculty of Princeton Theolo­gi­cal Seminary 1812-1921, Banner of Truth, Edinburgh 2012; ISBN 978-1-84871-161-7; hb. 565 pp.; prijs £17,--.
James M. Garretson, predikant in de Presbyterian Church of America, stelde een bundel sa­men met begrafenispreken, her-inneringstoespraken en tijdschriftartikelen gewijd aan de ar­beid van de belangrijkste theologen die tussen 1812 en 1921 aan Princeton Theological Semi­nary waren verbonden.

James M. Garretson (red.), Princeton and the Work of the Christian Ministry: A Collection of Addresses and Articles by Faculty and Friends of Princeton Theological Seminary, twee delen, Banner of Truth, Edinburgh 2012; ISBN 978-1-84871-162-8; hb. 1408 pp.; prijs £30,--.
In deze twee delen zijn toespraken en artikelen gebundeld van professoren en vrienden van Princeton Theological Seminary. Het eerste deel bevat afgezien van een schets van de historie van de hogeschool die ter gelegenheid van het vijftigjarige bestaan ervan door W.B. Sprague werd vervaardigd, uitsluitend bijdragen van de eerste twee hoogleraren, namelijk Archibald Alexander en Samuel Miller.
De noodzaak van godsvrucht, verlangen om zondaren voor Chris­tus te winnen, maar ook de begeerte mensen eerlijk te behandelen en daarom ook onder­scheidenlijk te preken komen in de bijdragen naar voren. Het tweede deel bevat 39 bijdragen van een wijde kring van hoogleraren en vrienden van Princeton. Over elk van de bijdragen valt wel wat te vermelden. Daarvoor ontbreekt de ruimte.
Ik noem slechts de bijdrage van A.A. Hodge (zoon van Charles) waaraan hij aantoont dat een recht zicht op de leer nood­za­kelijk is voor een juiste praktijk van godzaligheid. Deze Hodge schreef trouwens een popu­laire gereformeerde dogmatiek onder de titel Outlines of Theology die door de bekende pre­diker Spurgeon hoog werd geroemd en als tekstboek aan zijn Pastors’ College werd gebruikt.


dinsdag 19 januari 2016

De schepping en de God van Abraham

Dit boek is de neerslag van een workshop over de creatio ex nihilo die van 9 tot 15 juli in 2006 op de pauselijke zomerresidentie Castel Gandolfio werd gehouden en waaraan chris­te­lijke, joodse en islami-tische geleerden deelnamen. In de eerste bijdrage stelt Ernan McMullin dat de Bijbel althans expliciet geen creatio ex nihilo leert, maar dat dit wel de enige logische ge­volgtrekking is die uit het bijbelse getuigenis kan worden getrokken.
Zelf zou ik, zeker als het gaat om het Nieuwe Testament, nog verder willen gaan. Inderdaad moeten we ver­dis­con­te­ren dat de focus van de Bijbel op de heilsgeschiedenis ligt en niet op filo-sofische vragen. Ik zou willen onderstrepen dat niet elke metafysica is met de Bijbel te verenigen en dat zeker af­wij­zen van elke vorm daarvan leidt tot vertekeningen van het bijbelse getuigenis. 
Wanneer Janet Soskice stelt dat het bijbelse getuigenis aangaande de schepping ons niet over de oor­sprong van de schepping inlicht, maar zich focust op de relatie tussen God en mens en wel in het bijzonder Zijn volk Israël, worden er tegenstellingen gemaakt die de Bijbel zo niet kent.
Boeiend is de bijdrage van David Burrell. Hij gaat in het onder-scheid dat Thomas van Aquino maakt tussen essentieel en partici-perend bestaan. De zienswijze van Thomas dat alleen Gods essentie zijn existentie noodzakelijk impliceert, is naar mijn diepe overtuiging een voorbeeld van een juiste doordenking van het bijbelse getuigenis.
Terwijl Alexander Broadie positief oor­deelt over de inzichten van Hume en Kant dat wij in zekere zin van de mens en zijn kennis­­­vermogen kunnen zeggen dat het de wereld ontwerpt, doe ik dat niet. Met onder andere Alvin Plantinga kies ik voor een realistische en geen idea­lis­tische zienswijze op kennis. Alleen zo kun je volledig recht doet aan het feit dat God wer­ke­lijk boven en buiten deze door Hem geschapen en van Hem afhankelijke werkelijkheid be­staat.
In een aantal bijdragen komt de verhouding tussen Gods soeve-reiniteit en de verant­woor­delijkheid dan wel vrijheid van de mens aan de orde. Mijn bezwaar is dat bij een louter filosofische benade-ringen van deze vraag, het primaat van het bijbelse getuigenis geen recht wordt gedaan en de relatie met de soteriologie niet goed in beeld komt. Dan denk ik aan de bede van de kerkvader Augustinus: ‘Geef mij wat Gij mij beveelt en beveel dan van mij, wat Gij van mij wilt.’

David B. Burrell, Carlo Cogliati, Janet M. Soskice en William R. Stoeger (red.), Creation and the God of Abraham (Cambridge: Cambridge University Press, 2013). 274 p., £22,99 (ISBN 9781107697270)

woensdag 13 januari 2016

An Introduction to Biblical Ethics

The two previous editions of An Introduction to Biblical Ethics were written solely by Robertson McQuilkin, the third president of Columbia International University. The third edition is coauthored with Paul Copan who teaches philosophy and ethics at Palm Beach Atlantic University and is a former student of McQuilkin.
This third edition has the subtitle Walking in the Way of Wisdom. This subtitle is drawn from the title of a philosophy of religion book Loving Wisdom: Christian Philosophy of Religion written by Copan in which he articulates the coherence of the Christian metanarrative of God, creation, fall, redemption and re-creation
The aim of their book is to provide the reader with a summary of biblical ethics on many topics in a single volume. The current edition addresses questions never considered when McQuilkin’s previous editions were released, such as gay marriage.
The strengths of this book is that gives practical solutions to a variety of topics such as homosexuality, abortion, politics in general the relationship between Church/State in particular, and a host of other practical issues such as dating, the importance of the Christian home, sexual ethics, etc. Helpful are additional reading suggestions provided by the authors at the end of each chapter.
On most the authors can speak with unanimity. The former student, however, has not adopted his professor’s views entirely, and so - importantly - the reader will find sections of the text marked ‘McQuilkin’s view’ and ‘Copan’s view’ so that their respective approaches may be seen.
One such area of divergence concerns the roles of men and women. Copan defends the egalitarian view. This opens the way for accepting women in office. I strongly disagree with Copan here and with any hesitation side with McQuilkin in his complementarian view. He states rightly that the subordinate role of the wife in marriage in founded and the creation order and cannot be seen as a result of the fall. The fall has leads to disabuse by husbands and men in general of their God given position.
Neither the Old Testament nor the New Testament teaches an abrogation of the creation order. In their use of their authority husbands are called to reflect Christ in his headship over his church. So we can say that the creation order is in a certain sense intensified in the New Testament. I would state that the egalitarian view does not take seriously the full authority of the Scriptures in this matter. Our own context becomes the prism through with Scriptural data are interpreted.
Another area of divergence between the two authors concerns economic systems. They generalize that - in this era at least – ‘capitalism’ and ‘socialism’ are the two major economic systems in play. McQuilkin approaches them as both lacking express Biblical warrant, though his harshest criticisms seem reserved for the former.
He believes the best approach is to recognize the biblical theme of protecting the poor from oppression. Alluding to Leviticus 25, he warns about a view of capitalism that allows the permanent enrichment of a few and the perpetual expense of the exploited. As a result, there can be no unlimited right of private property.
Copan’s view is much more openly supportive of free markets, sharply critical of socialism, and quick to note the empirical efficacy of free markets and the enforcement of property rights and equality before the law (Leviticus 19:15) for mitigating poverty globally. Here again I side more with McQuilkin than with Copan.
It seems to me very difficult to combine the moral principles underlying the Mosaic legislation with an unbridled free market system, although I admit that we can make here less directions inferences from Scripture in this era than in the case of gender roles. Rounding out this chapter, McQuilkin and Copan unite again to discuss the church’s obligation to the poor as people in God’s image. And that is certainly the case.
My main reservation with this book is Copan’s view on gender roles. Leaving that aside the authors clearly show that the Biblical world view still is as relevant as ever and that it can be applied to many of the pressing ethical issues of our present day culture.

Robertson McQuilkin and Paul Copan, An Introduction to Biblical Ethics: Walking in the Way of Wisdom, Downers Grove, Illinois 2014; ISBN 978-0-8308-2818-0; hardcover 667 pp., price $45,-- 

zaterdag 9 januari 2016

De zoektocht naar de historische Adam

Was Adam werkelijk een historisch persoon of gaat het in de paradijsgeschiedenis om een sym­bolische verwoording van een bovenhistorische werkelijkheid? Beginnend bij de kerkvaders en eindigend in het heden, laat VanDoodewaard, hoogleraar kerk-geschiedenis aan het Puritan Reformed Seminary in Grand Rapids, Michigan, zien dat tot de Verlichting vrijwel unaniem de paradijs­ge­schiedenis als historisch is opgevat.
Bij de uitzonderingen behoort Origenes. In navolging van Philo meent hij dat in Genesis 1 de schep­ping van de geestelijke mens en in Gen. 2 de val van de mens in het lichaam wordt beschre­ven. Over de histo­ri­citeit van de paradijsgeschie­denis zijn de gedachten van Origenes voor meerder uitleg vatbaar.
Voor vrijwel alle andere theologen in de Vroege Kerk staat de historiciteit van de paradijs­ge­schie­­denis buiten discussie. Dat geldt al voor de eerste kerkvader Irenaeus. Origenes meent dat God de wereld feitelijk in één moment schiep, maar dat ter wille van ons bevattingsvermogen over zes dagen wordt gesproken.
Daarin volgt Augustinus, Origenes. Augustinus wijst echter de gedachte af dat de paradijsgeschiedenis symbolisch mag worden opgevat. De zondeval als histo­ri­sche feit behoort voor Augustinus tot de kern van het christelijk geloof. Zonder dit feit verliest immers de leer van de erfzonde haar basis.
VanDoodewaard laat zien dat tot aan de zeventiende eeuw deze gedachte dat de wereld in zes gewone dagen werd geschapen, vrijwel algemeen aan­vaard was. Het standpunt van Augustinus wordt door Calvijn en Luther resoluut van de hand gewezen. Pas in de negentiende eeuw zijn er ook ortho­doxe theolo­gen die ruimte houden voor een aarde die ouder is dan zesduizend jaar. Dan neemt men aan dat in de geslachtsregisters namen zijn over-geslagen.
In Amerika menen onder andere Hodge en Warfield dat de scheppingsdagen niet als gewone dagen hoeven te worden opge­vat. Vooral theologen uit de Zuidelijke Staten hebben hierop kritiek. Voor Hodge en Warfield is de histo­riciteit en bovennatuurlijke herkomst van Adam en Eva als de eerste mensen evenwel onop­geef­baar. Warfield houdt binnen beperkte grenzen evolutie voor een mogelijkheid.
In onze eigen land zien we bij Kuyper, Bavinck en G.Ch. Aalders openingen voor de gedachte dat in ieder geval de eerste drie scheppingsdagen geen gewone dagen waren. G. Wisse heeft nog in de tijd dat hij tot de Gerefor­meerde Kerken behoorde, aange-geven dat hij hen daarin niet kon bijvallen. Ook prof. J.J. van der Schuijt liet zich in De Wekker op dit punt kritisch over genoemde theologen uit.
De studie van VanDoodewaard is een zeer grondige historische studie die allerlei ge­­kleurde voorstellingen ontzenuwt. Vooral wordt duidelijk hoe theologen over Gen. 1-3 hebben gedacht. Het zou een aanvulling als breder aan de zienswijze van christelijke geo-logen en biologen aan­dacht was geschonken.
Dan was naar voren gekomen dat het zogenaamde jonge-aarde crea­tio­nisme dat de schepping van de wereld in zes gewone dagen wetenschappelijk wil fun­deren, een uitbouw is van inzichten die zich in de negentiende eeuw begonnen te ontwikkelen. Een uitbouw die ook zelf een veel­kleurig karakter draagt en meer dan eens niet onweersproken is gebleven door hen die aan het volstrekt histo-risch karakter van Genesis 1-3 willen vasthouden.
Zelf zou ik iets meer benadrukt hebben dat de vraag naar de aard van de scheppingsdagen toch van een ander theologisch gewicht is dan die van de histor­ic­i­teit van Adam. Van belang is wel dat VanDoodewaard nog in een epiloog opmerkt dat gedurende de kerkgeschiedenis men ervan uit­ging dat de aarde in een staat van volwassenheid werd ge­scha­pen. Wie dat wetenschappelijk ver­dis­conteert, moet ook rekenen met schijnbare ouder­dom.
Min­der aantrekkelijk acht VanDoode­weerd de gedachte dat de fossielen door God meege­schapen zouden zijn. Hij wijst erop dat vanaf de negentiende eeuw een enkeling deze gedachte verde­dig­t, maar dat die terecht toch als weinig steekhoudend wordt gezien. Wat mij betreft was VanDoo­dewaard nog iets nader ingegaan op de verhouding tussen het fossielenbestand en de inhoud van Genesis 1-3.
Zeer belangrijk is het concluderende slothoofdstuk. Daarin laat VanDoodewaard zien dat het al dan niet aanvaarden van de historiciteit van Adam en van de lichamelijke dood als gevolg van de zondeval tot een essentiële aanpassing van de bijbelse bood-schap moet leiden. Dit gegeven kan – en naar ik meen hoort – voor mensen die anders tegen de zaken aankijken dan VanDoodewaard aanleiding geven zijn boek te lezen.
Het gaat hier om een boek van hoog niveau. Wie een grondige docu­mentatie zoekt hoe in de kerk­ge­schiedenis wordt gedacht over de eerste hoofdstukken van Genesis, kan zondermeer niet om dit boek heen. R. Albert Mohler, president van Southern Baptist Theological Seminary, schreef een woord vooraf waarin hij dit boek zeer hartelijk aanbeveelt.

William VanDoodewaard, The Quest for the Historical Adam: Genesis, Hermeneutics, and Human Origins (Grand Rapids: Heritage Books, 2015), 359 p., $30,-- (ISBN 9781601783776)

dinsdag 5 januari 2016

The First Chapters of Everything

Alasdaire Paine, vicar of St. Andrew Cambridge, England, makes clear in his little book The First Chapters of Everything that the opening chapters of Genesis were written to answer questions as: Who are we, and why are we here? Why is life both beautiful and tragic? What is real hope?
Questions about the relation between the account in the Genesis and findings of science must not divert our attention from the key teaching of the opening part of the Bible. This does not mean that Paine considers the first chapters of Genesis less than history; certainly not. He is convinced that it is real history.
He highlights that is of special importance to uphold that the whole mankind is the offspring of Adam and Eve and that the Fall of Adam was a historical fact. The death of man does not belong to God’s original creation. Het rejects the view of C.S. Lewis and others that although Genesis 2-3 is history, it tells us history in a non-historical way. The fact that what is told has a deep symbolical meaning does not preclude its literal and real historical character.
The first book of the Bible is structured by the phrase: ‘These are the generations of’. Gen. 1:1-2:3 must be considered as a prologue to the whole book. Gen. 2:4-4:26 is the first section introduced by the phrase ‘These are the generations of’.
Genesis 1 shows us that God is the God is the Creator of all things. He created out of nothing. The question ‘who made God?’ betrays a misunderstanding about the nature of God. Out Him, through and to Him are all things. Man is made in God’s image. He is made to glorify God. The task of man given him by God is to subdue the earth. Paine pointedly remarks that to subdue is different from to exploit.
Genesis 1 and 2 explain the origin of marriage between one man and one woman as God’s creation institution. Adam names Eve and not the other way around. This fact points to the headship of Adam over Eve and the headship of a husband over his wife. In marriage and family the ultimate responsibility rests with the husband.
At the same time the fact Eve is called the helper of Adam is an indication of the honorable position of the husband. The name helper is given in the Bible quite frequently to God himself. The fact that the husband is the head of the family does not mean that he has the right to use his headship in a wrong way. The New Testament teaches us that husbands ought to reflect Jesus and the wives out to reflect his church.
The first creation account closes with the Sabbath. The Sabbath as weekly day of rest is founded on the fact the God’s creation week ended with the Sabbath. Under the new dispensation the first day of the week, called the Lord’s Day in Rev. 1:10 became the day on which Christians met for corporate worship. Must the first day of the week seen as a Christian Sabbath?
Paine does not think so, because it is not explicitly stated in the New Testament. He thinks that the fourth commandment being fulfilled by Christ has only a spiritual meaning under the New Testament dispensation. Here I disagree with Paine. The Bible shows us that there is a close relationship between the day of rest and the day of corporate worship. This relationship, I am sure, is not abrogated under the New Testament dispensation.
In Genesis 3 we read that the serpent questions God’s goodness. He gives a false impression of God. This is the tactic of the devil until now. The essence of the Fall is that he wanted to be his own master judging himself what is right and wrong. The result of the Fall was that Adam and Eve were banished from the Paradise. We are not exactly told in Genesis 3 how the con­nec­tion between the Fall, human death and suffering works. We are simply told that it is a reality.
Genesis 3 tells us not only about the Fall, but also has a message of hope. God wanted rebels back. Already the fact that God asks Adam ‘Where are you?’ points in that direction. In the curse on the serpent comes a remarkable promise. All Old Testament’s hopes of a Great Rescuer and Redeemer start here.
Genesis 4 shows us God’s persistent grace. Here we also see the beginning of a spiritual division in mankind. Abel is the first martyr. He was murdered by his brother Kain. The final reason was that Abel served God while Kain did not. God provides for Adam and Eve in his place another son who is named Seth. From Seth comes Enosh and the beginning of another line besides that of Kain. It is the line of them who want to live for God.
It was that this time that people began to call on the name of the LORD. It is not without significance that the second literary unit of Genesis ends in this way. The meaning of the name LORD was only much later revealed to Moses. Gen. 4:26 points to the fact that is was to this God, the God of Eden, to whom they called.
The New Testament makes us abundantly clear that the living God is the triune God. Not only God the Father is LORD, but also God the Son. There is only salvation is his name. We invited and urged to call upon him as Lord to be saved.
The First Chapters of Everything is a good introduction to the first chapters of Genesis. It focuses on the message of the chapters and its meaning of us. In postscript the author point to the relationship between the opening chapters and the closing chapters of the Bible. The New Jerusalem seen by the apostle John on Patmos is more than a restored Eden.
The final glory of the new creation far surpasses the initial glory of the old creation. The only way of entrance to the New Jerusalem is Jesus Christ and faith in him. Besides eternal bliss Scripture speaks about eternal woe. So let is call on the Lord Jesus Christ and put our trust in Him. 

Alasdaire Paine, The First Chapters of Everything: How Genesis 1-4 Explains Our World, Christian Focus Publications, Fearn, Ross-shire 2014; ISBN 978-1-78191-323-9; paperback 189 pp., price £7,99. 

maandag 4 januari 2016

An All-Surpassing Fellowship

We can learn from all the saints when we want to understand and know more of the breadth, and length, and depth, and height of the love of Christ which passes all our knowledge.  A saint I want particularly to mention is the Scottish preacher Robert Murray M’Cheyne (1813-1843).
Already during his own lifetime MacCheyne was known for his godly walk. The writings of M’Cheyne and his biography by his close friend Andrew Bonar has encourage many Christians over the years. Not only in the Anglo-Saxon world. His writings were translated in a couple of languages.
David P. Beaty, pastor of River Oaks Community Church, Clem-mons, North Carolina, wrote a moving study of the life of M’Cheyne and the lessons that can be learned from it. M’Cheyne felt the weight of souls, who knew the reality of the coming wrath but above all he knew the realty of the all-surpassing fellowship with Christ.
In a powerful and urgent manner he preached Christ. Lovingly he spoke about him in personal conversations. Here is an example for every preacher and pastor today. Reading Christian biography is a means not only for pastors but for all believers to be guided in a closer walk with God. This is certainly true of books written about the life of M’Cheyne.
The biography of M’Cheyne by David P. Beaty is well written. It reveals afresh the source of M’Cheyne’s blessings: a holy, prayerful dependence on the Savior. I can heartily recommend this new bio-graphy of M’Cheyne. Not only for person who never read a biography of M’Cheyne before but also for them that know already quite a lot about him. Reading anew about M’Cheyne will stimulate to pursue God in our age.

David P. Beaty, An All-Surpassing Fellowship: Learning from Robert Murray M’Cheyne’s Communion with God, Reformation Heritage Books, Grand Rapids, Michigan 2014; ISBN 9781601783158; pb. 164 pp., price $15,--

zaterdag 2 januari 2016

Hebben Adam en Eva werkelijk bestaan?

Collins benadrukt dat de bijbelse openbaring ons mede gegeven is om de werkelijkheid om ons heen te verstaan. Dat maken de eerste hoofdstukken van Genesis ons al duidelijk. Hoe wij de geschiedenis van Adam en Eva opvatten, heeft te maken met de vraag hoe wij staan tegen­over het gezag van de Schrift.
De geschiedenis van de zondeval toont ons dat de zonde een vreemde indringer is in Gods schepping. Collins wil vasthouden aan Adam en Eva als histo­rische personen, maar houdt het voor moge-lijk dat hij een soort stamhoofd was, wiens opstand tegen God gevolgen had voor allen die onder zijn gezag vielen.
Hoe dicht Collins ook bij Gen. 1-3 wil blijven, in zijn visie zijn Adam en Eva niet het mensenpaar van wie alle mensen afstammen en behoort de natuurlijke dood van de mens bij Gods goede schep-ping. De dood ster­ven zou alleen slaan op wat wij in de dogmatiek de geestelijke dood noemen. Dat is kennelijk strijd met het duidelijk getuigenis van de Schrift.

C. John Collins, Did Adam and Eve Really Exist? Who They Were and Why You Should Care, Crossway Books, Wheaton, Illinois 2011; ISBN 978-1-4335-2425-7; pb.192 pp., prijs $16,99.

vrijdag 1 januari 2016

God Dwells among Us

The substance and basic thesis of this book is distilled from G.K. Beale The Temple and the Church’s Mission: A Biblical Theology of the Dwelling Place of God. The basic form of the present book was a seven-week sermon series preached by Mitchell Kim in Water Alliance Church in Chicagoland. Translating the sermons back to a written format allowed significant amplification and deepening of the material.
The main line of the book the priestly service of Adam in Eden finds it final fulfilment in the New Jerusalem. The tabernacle and the temple are representation of the creation. The Holy of Holies can be compared with the Garden of Eden. 
The central difference between Eden and the temple is the means provided for the purification of sinful people through the altar of burnt offering in the outer court. The New Testament shows us Jesus and his Church as the New Temple.
The authors speak about Jesus as Eden rebuilt and the Church as Eden expanding. In the New Jerusalem as the city without a temple because the Lamb is its temple Eden is completely expanded. God Dwells Among Us is an important book about a mayor biblical theme. 
My only criticism is that more emphasis could have been given to the fact the redemptive work of God in Christ surpasses God’s original purpose with Adam in Eden and in connection with the notion the personal application of salvation.

G.K. Beale and Mitchell Kim, God Dwells among Us: Expanding Eden to the Ends of the Earth, IVP, Nottingham 2015; ISBN 978-1-78359-191-6; pb. 211 pp., price £11,38


woensdag 30 december 2015

Een leerzaam commentaar op Leviticus

Het boek Leviticus behoort niet tot de gemakkelijkste Bijbelboeken. Toch is het veel belang­rijker dan menig Bijbellezer vermoed. Teksten als ‘Zie het Lam Gods’ en ‘Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden’ zijn alleen maar te begrijpen tegen de achtergrond van de oudtestamentische offerdienst.
Die offerdienst wordt uitvoerig in de eerste helft van het boek Leviticus beschreven. Deze beschrijving loopt uit op die van de Grote Ver­zoendag in Leviticus 16. De plaats daarvan laat het belang ervan zijn. Dit hoofdstuk vormt zowel het centrum van het boek Leviticus als van de gehele Pentateuch.
In Leviticus gaan aan dit hoofdstuk de offer- en reinheidswetten vooraf, terwijl wetten het heilig leven voor het aan­gezicht van God volgen. De tweede helft van Leviticus laat ons zien dat het hele leven voor Gods aangezicht moet worden geleefd, dat wil zeggen in het besef van Zijn aanwezig­heid.
In de serie Concordia Commentary verscheen al weer meerdere jaren geleden een zeer mooi com­mentaar op Leviticus. Een com-mentaar dat zowel voor degenen die wel als geen Hebreeuws be-heersen zeer bruikbaar is. De auteur John W. Kleinig is predikant in de Lutheran Church of Australia, een luthers kerkgenootschap dat nauwe banden heeft met de Lutheran Church Missouri Synod. Kleinig is als lecturer verbonden aan het Lutheran Seminary in Aidelaide.
Kleinig wijst erop dat de wetgeving van Leviticus in het teken staat Gods aanwezigheid in het midden van Zijn volk. In Ex. 40:35 lezen dat de heerlijkheid van de HEERE de tabernakel vervult na de oprichting ervan. In Lev. 9:23 wordt verteld dat de heerlijkheid van de HEERE aan al het volk ver­schijnt, als Aäron en zijn zonen tot priester zijn gewijd en een brand- en zondoffer voor zichzelf en voor het volk hebben gebracht.
Zo wordt duidelijk dat God alleen metterdaad te midden van Zijn volk kan wonen als de dienst van verzoening plaatsvindt. Zonder verzoening zou het volk door Gods heerlijkheid worden verteerd. Het hele leven behoort feitelijk een priesterlijke dienst voor God te zijn.
De theologische betekenis van de verschillende rituelen wordt in Leviticus zelden expliciet uitgelegd. Die theologische betekenis wordt echter wel voorondersteld. Het is van belang als lezer daarop te zijn bedacht. Kleinig zegt terecht dat alle wetten in Leviticus te maken hebben met de heiligheid van de HEERE en de betekenis daarvan voor Zijn volk. Leviticus kan worden getypeerd als de rituele grammatica van de heiligheid van de HEERE.
Reinheid is de voorwaarde voor heiligheid. Iets moet rein zijn om geheiligd te kunnen en mogen worden. Er is sprake van trappen in heiligheid. De hoogste heiligheid is verbonden met het heilige der heiligen in de tabernakel. De ark van het verbond wordt gezien als de voetbank van de hemelse troon van de HEERE.
Kleinig brent naar voren dat Leviticus deel uitmaakt van een gebeurtenissen die plaatsvonden bij de Sinaï. Die geschiedenis begint met de aankomst van het volk van Israël bij de Sinaï (Ex. 19:1-2) en eindigt met het vertrek (Num. 10:11-13).
Leviticus is opgebouwd uit zesendertig goddelijke toespraken die gericht zijn tot Mozes of tot Mozes en Aäron. Vijfendertig ervan worden ingeleid door de woorden ‘En de HEERE sprak’ (wajjedabbēr YHWH).
In Lev. 16:1-2 vinden we een dubbele introductie. Naast ‘En de HEERE sprak’ (wajjedabbēr YHWH) (Lev. 16:1) vinden we daar ‘De HEERE zei’ (wajjomèr YHWH) (Lev. 16:2). De laat­ste inleiding vinden we ook in Leviticus 21. Leviticus 16 kunnen we niet los zien van de dood van Nadab en Abihu, terwijl in Leviticus 21 over het gevaar van priesterlijke verontrei­niging door aanraking van een lijk wordt gesproken.
De dubbele introductie van Leviticus 16 is een onderstreping van de centrale betekenis van het ritueel van de grote verzoening. Zeventien toespraken ingeleid door 'En de HEERE sprak’ (wajjedabbēr YHWH) gaan eraan vooraf en zeventien toespraken met die inleiding volgen erop.
In het commentaar van Kleinig komt naar voren dat het gehele boek Leviticus zijn vervulling vindt in de Heere Jezus Christus. We moeten ook beseffen dat Leviticus evenzeer tot de nieuw­­testa-mentische gemeente van de HEERE is gericht als tot de oudtesta-mentische. In de oudtestamentische offerdienst vinden we een voorafschaduwing van de hogepriesterlijke bedie­ning van de Heere Jezus Christus.

John W. Kleinig, Leviticus, Concordia Commentary, Concordia Publishing House, St. Louis, Missouri 2004; ISBN 978-0-570-06317-5; hb. 601 pp., prijs $54,99

dinsdag 29 december 2015

Justification Reconsidered

Al in eerdere publicaties heeft Stephen Westerholm het klassieke perspectief op de recht­vaardiging bij Paulus verdedigd tegenover het nieuwe perspectief. In zijn laatste boeken zet hij de argumenten voor het klassieke perspectief in kort bestek wel heel helder neer. Reeds in de jaren zestig stelde Stendahl dat het gekwelde geweten Paulus vreemd was. Hij ziet het begin daarvan bij Augustinus.
De boodschap van de rechtvaardiging is in het nieuwe perspec­tief geen antwoord op de vraag van het gekwelde geweten maar op laar zien dat mensen zonder aan bepaalde culturele codes te vol-doen en wel met name de mozaïsche wetgeving tot de gemeente van Christus kunnen behoren. 
Snedig merkt Westerholm op dat dit nieuwe pers­pec­tief wel op-vallend goed past in het culturele klimaat van de eenentwintigste eeuw. Hijs telt de vraag wat de betekenis hiervan in de eerste eeuw na Chr. zou kunnen zijn. Hij bestrijdt dat dit in die tijd dat de diepste reden zijn kunnen zijn om tot de christelijke gemeente toe te treden of te behoren.
In de eerste brief van Paulus aan de Thessalonicenzen worden de woorden ‘rechtvaardigheid’ en ‘rechtvaardiging’ niet gebruikt. Als kern van het evangelie noemt Paulus de redding van de toekomende toorn. In tegenstelling tot de meeste mensen in onze eeuw was de toorn van God of van de goden voor de antieke mens een realiteit.
De boodschap van de rechtvaardiging staat ook in die context. Dat blijkt duidelijk uit de eerste hoofdstukken van de brief aan de Romeinen. Wie de toorn van God ernstig leert nemen, zal de vraag gaan stellen hoe hij ervan kan worden verlost. De bood-schap van de rechtvaardiging geeft dan ook het antwoord op de vraag van de mens hoe hij in Gods gericht kan bestaan.
Westerholm bestrijd dat rechtvaardiging alleen over iemands status gaat en niet met het gedrag heeft te doen. Alom in het Oude Testament blijkt juist dat die zij rechtvaardig worden genoemd, die zich rechtvaardig gedragen.
Het fundamentele probleem is dat uit­eindelijk vanwege de univer-sele zondigheid niemand zich werkelijk rechtvaardig gedraagt. Het wonder van het evangelie is dat iemand die goddeloos is, niettemin door geloof recht­vaardig wordt verklaard. De oorzaak van deze rechtvaardingverklaring is niet op het gedrag van de gelovige, maar de hem geschonken gerechtigheid van Christus.
Dat Jood en heiden op gelijke wijze tot de christelijke gemeente kunnen behoren, is niet de betekenis van de rechtvaardiging als zodanig maar een gevolg. Voor Paulus is fundamenteel dat de wet niet kan verlossen.
In tegenstelling tot proto-rabbinale Jodendom gaat hij namelijk uit van de fundamentele zondigheid van de mens. De vloek van de wet is dan ook geen heilshistorische of ecclesiologische cate-gorie. Dat laten de vloek uit Deut. 28 en Psalm 143 (teksten waarop Paulus zich beriep) ons zien. De mens is alleen al omdat hij deelt in Adams zondeval niet in staat te doen wat God van hem vraagt.
Het wonder van de boodschap van de rechtvaardiging dat deze ons laat zien dat God zowel goed is als rechtvaardig. Zijn rechtvaardigheid blijkt in het feit dat Christus de vloek van de wet en daarmee de toorn van God op zich neemt en Zijn goedheid dat er geen verdoemenis is voor hen die in Christus Jezus zijn.
Westerholm laat zien dat het voor de moderne mens zo moeilijk is de essentie van Paulus’ boodschap met betrekking tot de rechtvaardiging te vatten omdat hij niet pleegt te geloven dat de toorn van God op ieder mens rust.

Stephen Westerholm, Justification Reconsidered: Rethinking a Pauline Theme, Eerdmans Publishing Co., Michigan, Grand Rapids/Cambridge, U.K. 2013; ISBN 978-0-8028-6961-6; pb. 104 pp., prijs $15,--

dinsdag 22 december 2015

In de krijgsdienst van de Koning der koningen

John Angus MacDonald was een predikant van de Free Presbyterian Church of Scotland. Al heel jong mocht hij de HEERE kennen en vrezen. In 1939 werd hij tot predikant bevestigd van Uig, een dorp op het eiland Lewis. 
Zijn academische talenten waren niet groot, maar hij had een bijzondere gave om met mensen om te gaan en zo de inhoud van het Evangelie aan de orde te stellen. Heel getrouw deed hij zijn pastorale werk. Waren er kinderen aanwezig, dan liet hij nooit na hen erbij te betrekken.
Op het hoogtepunt van de luchtslag om Groot-Brittannië (Battle of Britain) zou deze markante predikant mede een avondmaalsdienst in de Londense gemeente van de Free Presbyterian Church leiden. Hij wist vanuit Lewis, dat voor de westkust van Schotland ligt, door meerdere zones met beperkte doorgangsmogelijkheden het trein-station van Inverness, de hoofdstad van de Schotse Hooglanden, te bereiken. 
Vervolgens stapte hij, gekleed in de gebruikelijke en opval­lende ambtskleding van predikanten uit de Hooglanden, een trein in die bestemd was voor militairen. Tal van Amerikaanse soldaten waren aanwezig en een Amerikaanse officier vroeg hem geërgerd: ‘Weet u niet dat deze trein voor het leger is gereserveerd?’ 
Daarop antwoordde John Angus MacDonald: ‘Geachte heer, ik ga naar Londen als een gezant van de hoogste Koning en in opdracht van de Heere van alle legermachten.’ Daarop bood de bewuste officier hem onmiddellijk een stoel aan.
Tijdens de lange treinreis had hij zeer hartelijke gesprekken met jonge Amerikaanse soldaten afkomstig uit New England, Iowa en de Zuidelijke Staten. Hij sprak met hen over de noodzaak om in Christus geborgen te zijn. 
Niet in het minst vanwege de reële mogelijkheid in de strijd te sneu-velen. Meerderen van de soldaten, vooral die uit de Zuidelijke Staten afkom­stig waren, hoorden uit de mond van John Angus MacDonald dezelfde geluiden die zij van huis uit hadden gehoord. 
Iedereen, wat ook zijn kerkelijke richting of geestelijke ligging was, stelde de aanwezigheid van deze vrijmoedige en blijmoe­dige ge-zant van Christus op prijs. Beladen met geschenken, waaronder een grote hoeveelheid chocolade, kwam hij in de Londense ge-meente van de Free Presbyterian Church.
Ik las wat ik nu meedeel in het boek Banner in the West: A Spiritual History of Lewis and Harris. John MacDonald de schrijver van dit boek, vertelt dat hijzelf zich deze predikant herinnert als een oude grijsaard van meer dan tachtig jaar. Hij bezocht hem meer dan eens na zijn eme­ritaat in Invernesss. 
Altijd vond hij hem met een Bijbel in Gaelic, de taal van de wes­te­lijke Hooglanden, en vaak met een versleten exemplaar van een van de werken van de puri­tein Thomas Brooks. Hij zei dan tegen de schrijver: ‘Ik bid zoals altijd of de HEERE mij bewaart en mij vasthoudt. Dat de HEERE verhoedt dat ik zou vallen en ik iets zou doen waardoor ik aanleiding tot smaad voor Zijn zaak zou geven.’ Laten wij in dit gebed deze pre­dikant navolgen.

woensdag 16 december 2015

De wortels van de Reformatie

De medivialist G.R. Evans publiceerde een herziene versie van haar studie The Roots of the Reformation: Tradition, Emergence and Rupture. Zij laat zien dat de Reformatie niet te be­grij­pen is los van ontwikkelingen in de eeuwen die eraan voorafgingen. De Reformatoren had­­den niet het gevoel dat zij aan het einde van het tijdperk dat wij nu de Middeleeuwen noemen leefden. Zij wisten zich verbonden met de eeuwen kerkgeschiedenis voor hen en wens­ten de Kerk van Christus te zuiveren van gebreken.
Evans beschrijft de opkomst van bedel­orden en van universi-teiten. Zij gaat in op de betekenis van het kloosterwijzen voor de Kerk van de Middeleeuwen. Aandacht voor het Hebreeuws was er al ver voor de Reformatie. Dan kunnen we denken aan de zoge-naamde victorijnen verbonden aan het klooster van Sint Victor in Parijs. De val van Constantinopel en de uittocht van Griekse geleerden daarmee ver­bon­den leidde tot nieuwe bestudering van het Grieks.
De Reformatie wenste de Kerk in haar zichtbare gestalte niet alleen van allerlei misstanden in levensstijl te zuiveren, maar beriep zich ook op de Schrift boven de kerkelijke traditie en boven het gezag van de paus. Rome antwoordde daarop met het concilie van Trente. Zo werd de breuk in de Kerk van Europa definitief.
Anders dan dissidente bewegingen in de Middel­eeuwen kregen de Reformatoren afgezien van de anabaptisten in meerdere landen zo niet de steun van hogere dan toch wel de steun van lagere overheden. In Scandinavië, Engeland, Schotland en delen van Nederland en Duitsland ging de gevestigde Kerk geheel op in een Kerk van de Re­for­­matie.
Het uitgangspunt van de Reformatie was dat niet de Vulgata maar de Schrift in de brontalen bron en norm was van het geloof. Het normatieve gezag van die boeken die wel in de Vulgata maar niet de Hebreeuwse Bijbel voorkwamen, de zogenaamde apocriefe boeken, werd door de Reformatie ontkend.
Verschillen tussen de Septuaginta en de Hebreeuwse masore-tische tekst riepen in de zeventiende eeuw de vraag op of de masoretische tekst wel altijd de meest ge­trouwe weergave was van de oorspronkelijke tekst. Een verdere verfijning van de verdedi­ging van het reformatorische Schrift­principe kreeg zo gestalte.
Van belang is ook de consta­te­ring van Evans dat in de zeven-tiende eeuw het besef doorbrak dat het Hebreeuws echt een ge­heel andere taal was dan de Europese talen. Er werd studie gemaakt niet alleen van het Ara­mees en het Syrisch, maar ook van het Arabisch om het Hebreeuws beter te leren be­grijpen.
Evans plaatst de Reformatie in een brede historische context. Dat geldt zowel voor de eeuwen ervoor als voor de eeuw erna. Zij onderstreept dat een belangrijk gevolg van de Reformatie was dat in Europa de Kerk niet langer uiterlijk en zichtbaar één was. De Reformatie heeft ter verdediging van haar uitgangspunt katholi-citeit niet zonder meer met zichtbare eenheid ver­bon­­den maar met eenheid in het geloof. Evans noemt dat niet uitdrukkelijk maar zo werden door de Reformatie al de kiemen gelegd van wat later de pluriformiteit van de Kerk wordt genoemd. 
Volstrekte afwijzing daarvan betekent dat men alleen de eigen gestalte van kerk-zijn als de ware gestalte van de Kerk van Christus ziet. Dat is een standpunt wat in zijn volle consequenties slechts door weinige christenen van de Reformatie wordt gedeeld. Dat leidt namelijk veeleer tot een sektarische dan tot een katholieke houding. Duidelijk moet namelijk zijn dat de Reformatoren zich niet ook maar juist katholiek wisten.

G. R. Evans, The Roots of the Reformation: Tradition, Emergence and Rupture, second edition, IVP Academic, Downers Grove, Illinois 2012; ISBN 978-0-8308-3947-6; 480 blz., prijs $30,--.

donderdag 10 december 2015

Gods toorn in de Psalmen

Stephan H. Wälchi deed een gereviseerde en uitgebreide versie van de dissertatie het licht zien die hij  onder supervisie van prof. dr. W. Dietrich schreef in 2007 en aan de universiteit van Bern verdedigde. Wälchi laat zien dat de toorn van YHWH in Zijn vernietigend handelen tot uiting komt. De toorn van YHWH kan zowel de enkeling als het gehele volk Israël treffen. Zij kan zich ook richten op Israëls vijanden die het bestaan van het volk bedreigen.
De enkeling ervaart Gods toorn in ziekte, ongeluk, sociale des-integratie en op zijn persoon gerichte vijandelijkheid. Het volk als geheel ervaart deze in militaire nederlagen en heeft die bijzonder ervaren in de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap. Wälchi onderscheidt met betrekking tot Gods toorn drie typen Psalmen.
Allereerst zijn er Psalmen die lijden waarvan de oorzaak niet be-kend is als ervaring van Gods toorn benoemen. Een tweede type is waar lijden geduid wordt als Gods toorn over eigen falen. Een derde type zijn die Psalmen waarin gesmeekt wordt of God Zijn toorn op de vijanden wil richten.
Veelal wordt achter Gods toorn menselijk falen ervaren. In andere gevallen is dat niet het geval. Het onbegrepen lijden is dan een vraag aan God en geeft hoop op redding van God die het lijden heeft opgelegd. De toorn van God is wezenlijk verbonden met Gods heiligheid. 
In tegenstelling tot omliggende volkeren heeft Israël Gods toorn niet als strijd tussen goden of pure willekeur ervaren, maar als richterlijk handelen van YHWH, de God van Israël. De duiding van de ballingschap als toorngeschie­de­nis opent de deur voor hoop.

Stephan H. Wälchi, Gottes Zorn in den Psalmen. Eine Studie zur Rede vom Zorn Gottes in den Psalmen im Context des Alten Testamentes und des Alten Orients (Orbis Biblicus et Orientalis 244) Fribourg/Göttingen, Academic Press/Vandenhoeck & Ruprecht, 2012; 191 blz., €59,99, ISBN 978525543702.