vrijdag 11 oktober 2013

Wasdom in de genade


De anglicaanse bisschop J.C. Ryle (1816-1900) is een theoloog van wie wij veel kunnen leren. Hij was direct en praktisch. Ik geef een citaat uit zijn werk Holiness: 
 Wanneer ik spreek over wasdom in de genade, bedoel ik op geen en­kele wijze dat het aandeel van een christen aan Christus kan groei­en. Ik be­doel niet dat hij kan groeien in de genadige aanne­ming door God. Ik be­doel niet dat hij ooit meer gerechtvaardigd kan zijn, meer verge­ven kan zijn en meer vrede met God hebben dan op het moment dat hij eerst ge­looft. Ik ben er ten diepste van over­tuigd dat de rechtvaardiging van de gelovige een volkomen werk is en dat ook de zwakste in de genade, ook al weet hij het niet en voelt hij het niet, niet minder gerechtvaardigd is dan de sterkste gelovige.
Onze verkiezing, roeping en toegang tot God laten geen standen toe. Er is daarin geen afname of toename mogelijk. Ik ging liever dan de brandstapel op dan af te doen aan de waarheid dat elke gelovige in Christus volmaakt rechtvaar­dig voor God is. Wanneer ik spreek over wasdom in de genade bedoel ik slechts dat de gena­dega­ven die de Heilige Geest in ons hart gelegd heeft groeien in kracht, sterkte en intensiteit. (...) Wanneer ik van iemand zeg dat hij groeit in de genade bedoel ik heel eenvoudig dat zijn schuldbesef verdiept, zijn geloof sterker wordt, zijn hoop helder­der, zijn liefde vuriger, zijn geeste­lijk gezind zijn meer aan de dag treedt. Zo iemand voelt meer van de kracht van de godzaligheid in zijn eigen hart. Het komt ook meer tot openbaring in zijn le­ven.


De eenheid van de kerk 5 (slot)

Wat is bepalend voor ware eenheid?
Welke christenen behoren bijbels gezien bijeen? Ik denk aan hen die onvoorwaardelijk het gezag van de Schrift belijden en die hun geloof zonder reserve in de gereformeerde belijdenis verwoord weten. Als het gaat om het eerste, zijn er ook in Nederland evangelische christenen van wie dat het geval is, al moeten we wel beseffen dat ook lang niet in elke evangelische ge­meente het Schriftgezag zonder reserve wordt aanvaard. Gaat het om de onvoorwaardelijke bin­ding aan de gereformeerde belijdenis dan kan je denken aan de Gereformeerde Gemeenten en delen van de Christelijke Gere­for­meerde Kerken.
De gereformeerde belijdenis is uiteindelijk niets anders dan een nadere ontvouwing van de apostolische geloofsbelijdenis. Kern ervan is dat de Bijbel de enige bron en norm van ons geloof is en van onze levenswandel. Aansluitend bij de Apostolische Geloofs-belijdenis wordt de Drie-enige God als God van volkomen zalig-heid beleden. Er wordt betuigd dat Jezus Christus God was en bleef en mens is geworden. We lezen over het bloed van Christus dat de hitte van Gods toorn wegnam. Daardoor werd ook de duivel verslagen.
Wordt Christus aan ons hart toegepast, dan gaan wij door Zijn kracht ook een nieuw leven leiden. Rechtvaardig voor God zijn wij alleen op grond van wat Christus deed en niet wij hebben gedaan. Dat blijft zo tot onze dood toe. De gereformeerde belijdenis leert ons dat het laatste houvast van een christen tot zijn laatste snik niet ligt in wat hij voor Christus deed en doet, maar in wat Christus voor hem heeft gedaan.
De Dordtse Leerregels geven een nadere ontvouwing van de leer van de verkiezing en van het werk van de Heilige Geest, zoals daarover in de Heidelbergse Catechismus en Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt gesproken. God loopt niet achter de feiten aan, maar werkt alle din­gen naar de raad van Zijn wil. Zijn liefde voor al de Zijnen is een liefde zonder begin en daarom zonder einde. Hier op aarde ziet een christen, zo wordt in het laatste artikel van de Nederlandse Geloofsbelijdenis beleden, met bran-dend verlangen uit naar de jongste dag.
De drie gereformeerde belijdenisgeschriften die de Kerk van de Reformatie in Nederland heeft, worden samen wel de Drie Formu-lieren van Enigheid genoemd. Dat wil zeggen: het zijn drie korte geschriften waarin het ene ware geloof wordt verwoord. Dat wil niet zeggen dat alle waarheden die daarin worden beleden van hetzelfde gewicht zijn. De leer van verzoening met God door het bloed van Christus is van een ander gewicht dan de verdediging van de doop van christenouders. Als kerk moet je daarin echter wel een standpunt innemen.
Laat onze bede zijn dat de Kerk van Nederland weerkeert naar en vasthoudt aan de waar­heden in de gereformeerde belijdenis-geschriften beleden. Als wij ons tot de kern ervan beperken, geldt al helemaal dat er geestelijke eenheid zijn ook als is er geen volstrekte kerkelijke eenheid mogelijk is. Heel concreet denk ik in de wereldkerk aan baptisten als Bunyan en Spurgeon en aan anglicanen als Newton en Ryle.
Wat wij hier in Nederland en wereldwijd nodig hebben, is een krachtig getuigenis over de heiligheid van God, de verlorenheid van de mens, de redding door Christus’ bloed en de vernieuwing door de Heilige Geest. Een getuigenis dat verbonden is met een leven naar Gods geboden, een leven in de navolging van Christus zoals de Bijbel daarover schrijft. Daarover wil de Heere Zijn zegen gebieden. Wat een zegen is het als vanuit deze eenheid in waarheid en godzaligheid, meer kerkelijke eenheid ontstaat.
Er is nog altijd een overblijfsel naar de verkiezing van genade in Nederland. Laten wij zelf strijden om in te gaan door de enge poort en anderen daartoe aansporen. Laten wij ons erover verblijden als waar ook en door wie dan ook dit evangelie van Gods genade wordt beleden en met een godzalige levenswandel versierd.
Laat ons gebed persoonlijk en kerkelijk zijn: ‘Zegen anderen, maar ook mij.’ Zeker is dat wij grote dingen van God mogen verwachten. Hij is machtig niet alleen elders in de wereld, maar ook in Nederland in de eenentwintigste eeuw wonderen te doen. Nooit kunnen we in het geloof teveel verwachten.
 
Uitzien naar de volmaakte eenheid
De volmaakte eenheid van Gods kerk zal hier op aarde nooit worden gevonden. De volmaakte eenheid is er pas in het nieuwe Jeruzalem. Daar zal de Kerk geen dode leden meer bevatten. Daar zullen de levende leden van de Kerk van al hun zwakheden verlost zijn. Ketterijen en dwalingen zullen de Kerk daar niet meer beroeren en afwijkingen in levenswandel zullen er niet meer worden gevonden. God zal daar alles zijn en in allen.
Er blijft een rust over voor het volk van God. Ontzagwekkend is het als wij die rust niet zullen beërven. Onomwonden spreekt de Bijbel over de toekomende toorn. Laten wij die ontvlieden en ons erop toeleggen de rust in te gaan die er overblijft voor het volk van God. ‘Kom Heere Jezus, ja kom haastiglijk.’
 
 

donderdag 10 oktober 2013

De eenheid van de kerk 4

Welke eenheid de nationale synode uitdraagt
Bij de komende nationale synode zal prof. dr. A. van de Beek de hoofdspreker zijn. Het gaat mij niet om de persoon van Van de Beek. Als persoon is hij een beminnelijk man. Zijn taalgebruik is ook klassiek. Van de Beek laat er ook geen twijfel over bestaan dat hij de Drie-eenheid en de godheid van Christus aanvaardt en dat hij de opstanding als een historisch feit erkent. Toch is hij allesbehalve klassiek orthodox. Heel nadrukkelijk ontkent Van de Beek dat wij de Bijbel moeten zien als het onfeilbare Woord van God. In tal van opzichten vertoont de Bijbel naar zijn inzicht fouten en tekortkomingen.
Van de Beek ontkent ook dat God de wereld goed heeft gescha-pen. De zondeval als historisch feit wijst hij van de hand. Heel vergaand is zijn zienswijze dat God met de zending van Zijn Zoon naar deze wereld, verantwoordelijkheid neemt voor Zijn eigen falen als Schepper. Volgens Van de Beek heeft dus niet alleen de mens, maar ook God Zelf gefaald. Deze ge­dachte kan niet anders dan als godslasterlijk worden gezien.
Het betekent wel dat het kruis van de Heere Jezus Christus in de theologie van Van de Beek een totaal andere betekenis krijgt dan in de Bijbel zelf. Van de Beek wil er niet van weten dat aan het kruis plaatsvervangend de toorn van God over de zonde is weg-gedragen. Hij meent ook dat Jezus niet alleen naar Zijn mense-lijke, maar ook naar Zijn goddelijke natuur aan het kruis heeft geleden. In meer dan één opzicht vervaagt zo in zijn theologie de grens tussen Schepper en schepsel, tussen God en mens.
Als het gaat om de vraag wie een christen is, verwijst Van de Beek simpelweg naar de doop. De toe-eigening van het heil door het persoonlijke werk van de Heilige Geest geeft hij geen plaats. Onduidelijk blijft hoe de doop zich tot de christelijke levensstijl verhoudt. Zeker is dat Van de Beek niet alleen geen enkele moeite heeft met de vrouw in het ambt, maar ook homo­seksuele relaties niet strijdig acht met de christelijke levensstijl.
Omdat Van de Beek meer dan eens heeft betoogd dat een christen op aarde een pelgrim is, wordt hij nogal eens orthodoxer geïnterpreteerd dan hij is. Wie het geheel van zijn theologie overziet, kan helaas niet anders dan constateren dat elementen die tot de diepste kern van het christelijke geloof en de christe­lijke levensstijl behoren door hem worden ontkend of bij hem geen plaats hebben. De eenheid die de nationale synode uitdraagt, is dan ook niet bepaald een eenheid van het ware geloof en de bijbelse praktijk van de godzaligheid.
 
 

woensdag 9 oktober 2013

De eenheid van de kerk 3

Waarom het initiatief van de nationale synode brede ingang vindt
Of het initiatief van een nationale synode op het grondvlak bij vele christenen leeft, weet ik niet zo. Wel is duidelijk dat het initiatief ingang vindt in allerlei kerken en groepen. Dat geldt voor hier en daar voor gematigd vrijzinnigen, maar vooral voor de breed-orthodoxe stroom van kerkelijk Nederland. Daarmee bedoel ik een houding die zich niet volledig aan een belijdenis, of die nu gereformeerd, luthers of baptistisch is, gebonden weet, maar vasthoudt aan de Drie-eenheid, aan Jezus Christus als Verlosser en aan de heilsbetekenis van Zijn werk.
Wat het laatste betreft, pleegt de invulling nogal vaag te zijn. Er wordt gezegd dat God een relatie met mensen wil hebben. Dat Hij daarvoor zijn Zoon gaf. Dat een mens in Gods ogen een parel is enz. Heel veel nadruk valt vervolgens op de taak die een christen heeft in de wereld. Im­mers de wereld is van God en God zal de wereld eenmaal volkomen verlossen
Voor radicaal vrijzinnigen en mensen die zich weten aangespro-ken door de beweging van predikanten die zich verenigd hebben in Op Goed gerucht is dit geluid nog te orthodox. Ech­ter, wie zich thuis voelt bij de belijdenis van de Kerk der eeuwen, of die nu op haar gerefor­meerde, lutherse, anglicaanse of baptistische wijze gestalte krijgt, mist hier zeer wezenlijke zaken.
Dan begin ik maar bij het feit dat een mens door de zondeval van God vervreemd is en dat ieder mens, hij of zij, die in een christelijk gezin geboren is en daarop geen uitzon­dering vormt, vanaf zijn ontvangenis onder Gods toorn ligt en het rijk van God niet zal binnengaan, tenzij hij opnieuw geboren is.
De achtergrond van het blijde nieuws dat God het verlorene zoekt, is dat Gods toorn van de hemel over de zonde en ongerechtigheid van de mens wordt geopenbaard. Heel de wereld ligt onder Gods oordeel. Op Golgotha is de hitte van Gods gramschap door Christus geblust. Persoonlijk krijgen wij deel aan de zaligheid door geloof dat een gave is van God.
Onlosmakelijk aan het geloof is bekering verbonden. Bekering betekent dat niet langer onze wil, maar Gods wil norm van ons leven wordt. Concreet is deze wil van God in de Tien Geboden geopenbaard. Het onderwijs dat Jezus in de Bergrede gaf en de apostolische vermaningen zijn feitelijk niet an­ders dan een concretisering van Gods geboden, waarbij in het bijzonder het geestelijke karakter ervan duidelijk wordt gemaakt.
Deze klassieke geluiden worden helaas in een groot deel van de christelijke kerk van Nederland niet meer gehoord. Op vage wijze wordt gesproken over Gods liefde, geopenbaard in Christus, waarbij het wegdragen van Gods toorn vaak nog niet wordt ontkend, maar niet tot nauwelijks wordt genoemd. Genade wordt heel algemeen ingevuld. Christelijke vrijheid wordt niet gezien als bevrijding van Gods toorn en van de macht van de zonde en tenslotte van mense­lijke tradities, maar als vrijheid om zelf te bepalen wat christelijke levensstijl inhoudt. Tegen zo’n invulling van de christelijke vrijheid heeft niet alleen Jacobus, maar ook Paulus in zijn brie­ven gewaarschuwd.
Dit geestelijke klimaat stempelt niet alleen de brede midden-stroom in de PKN, een kerk als de Nederlands Gereformeerde Kerken en de meeste evangelische gemeenten, maar ook het overgrote deel van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en een niet onbelangrijk deel van de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Bond in de PKN. Ook binnen de Gerefor-meerde Gemeenten bemerk je dat er mensen zijn die zich kennelijk door dit ge­dachtegoed weten aangesproken en ik zou niet durven zeggen dat dit voor de Hersteld Her­vormde Kerk niet geldt. Het is de lucht die wij bij wijze van spreken alom in kerkelijk Neder­land inademen.
De totstandkoming van de PKN is niet in de laatste plaats toe te schrijven aan de ingang van dit gedachtegoed binnen de Gereformeerde Bond. Voorstemmen van ver­tegen­woordigers van de Gereformeerde Bond gaven de doorslag bij de cruciale stemming. Enthousiast zei ook menig lid van de Gereformeerde Bond dat met de vorming van de PKN bijeengebracht was, wat bijeen hoort. Over wat bijeen hoort, gaan dan de wegen wezenlijk uit­een.
De synode Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de landelijke vergadering van de Nederlandse Gereformeerde Kerken hebben unaniem besloten een afvaardiging naar de nationale synode te zenden. Op de vorige synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken waren er slechts enkele tegenstemmen. De vraag moet dan worden gesteld, wat op lange termijn het bestaans­recht van deze kerken buiten de PKN is. Immers de breedte van de nationale synode en van de PKN ontlopen elkaar niet veel.
We moeten ook eerlijk zeggen dat de genoemde kerken, afgezien van de vrijzinnigheid en het gedachtegoed van de stroming rond Op goed gerucht, eigenlijk even breed zijn als de PKN. Daarbij moet je van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de Neder-lands Gereformeerde Kerken zeggen dat een bevindelijke stroming niet aanwijsbaar is.

dinsdag 8 oktober 2013

De eenheid van de kerk 2

Uitzien naar meer eenheid
Ook ik zie uit naar meer eenheid in de kerk en dat niet alleen nationaal maar ook inter­natio­naal. Echter, om maar direct met de deur in huis te vallen, denk ik, alleen al gezien het karakter van de credotekst, dan volstrekt niet aan de eenheid die de zogenaamde nationale synode beoogt. Echte eenheid is allereerst in eenheid in geloof. Veel belangrijker dan eenheid in kerkelijke structuren (hoewel ook die eenheid er toe doet), moet voor ons allen de eenheid in waarheid en in godzaligheid zijn. Dat is trouwens een eenheid die er al is en niet bewerkt hoeft te worden. Wij geloven een heilige, algemene christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen.
Wie belijdt dat de Drie-enige God de God is van volkomen zalig-heid en zich hier op aarde een gast en een vreemdeling weet op reis naar een beter vaderland, voelt zich één met de gelo­vigen van de oude bedeling en met de Bijbelheiligen van het Nieuwe Testament. Een christen die een levend lid is, weet zich ver-bonden met de kerkvaders en wel heel in het bij­zonder met de grote kerkvader van het Westen, Augustinus. Een christen van de Reformatie voelt zich geestelijk verwant met middeleeuwse christenen als Bernard van Clairveaux en Anselmus van Canter-bury, ook al onderkent hij ook in hun geschriften elementen die hem dankbaar maken dat de Reformatie er is gekomen.
Via hun geschriften kunnen we geloofs­gemeen­schap heb­ben met Reformatoren, de mannen van de Nadere Reformatie, de puriteinen en hun gees­te­lij­ke erfgenamen. Ik betoog niet dat al deze mannen (er kunnen trouwens ook namen van vrou­wen worden genoemd die door hun schriftelijke nalatenschap nog spreken nadat zij ge­stor­ven zijn) over alle zaken gelijk dachten en al helemaal niet dat zij allen dezelfde accenten legden. Toch is er bij alle variëteit een onderliggende eenheid voelbaar en aan­wijs­baar.
Al deze christenen van vroegere generatie hebben de mens getekend als een schepsel ge­scha­pen naar Gods beeld die in Adam van God is vervreemd en slechts vrede met God kan krijgen door het bloed van Christus. Zij hebben gesproken en geschreven over het levend­makende en vernieuwende werk van de Heilige Geest. Zij tekenden een ware christen als een pelgrim die op reis is naar het nieuwe Jeruzalem. Wie een levend lid is van Gods kerk voelt een eenheid als deze dingen gepredikt en betuigd worden. Dan is er eenheid die de eeuwen omspant en culturen overstijgt.
Vanuit de eenheid in waarheid en in godzaligheid zal er behoefte ontstaan naar uiterlijke vormen die deze eenheid gestalte geven. Dat verdeeldheid en onderlinge strijd niet goed is voor de zaak van Christus behoeft geen betoog. Echter, uiterlijke eenheid die niet verbonden is met de eenheid van geloof, de eenheid in de waarheid en de eenheid in godzaligheid is niet de eenheid die Christus heeft bedoeld en waarvan wij uit Johannes 17 mogen weten dat Hij daarvoor bidt.

maandag 7 oktober 2013

De eenheid van de kerk 1

Inleiding
Deze maand wordt er, evenals in december van het jaar 2010 het geval was, weer een zo­genaamde nationale synode gehouden. Het woord synode is wat verwarrend, want het gaat niet om een kerkelijke vergadering, maar om een initiatief dat door een daartoe in het leven ge­roepen inter­kerkelijke stuurgroep gestalte wordt gegeven. Motor achter de eerste nationale synode was ds. G. de Fijter. Bij het definitieve besluit tot de vorming van de PKN was zijn voorstem van cruciale betekenis.
Zonder dat wij die twee helemaal met elkaar gelijk mogen stellen, is er een aantal overeenkomsten te zien tussen het gedachtegoed dat leidde tot de vor­ming van de PKN en dat achter het initiatief van een nationale synode. Dat is dat alle ver­schillen die er in Nederland tussen christenen zijn, secundair zijn en dat naar buiten toe moet worden aan­ge­geven dat wij voor een gemeen-schappelijke zaak staan. Naar buiten toe moet eenheid worden uitgestraald.
Een stuurgroep bestaande uit mensen van verschillende kerken bereidt ook nu weer de nationale synode voor. De kerkelijke achtergrond van de leden van deze stuurgroep gaat van de Remon­strantse Broe­derschap tot de Gereformeerde Gemeenten. Inhoudelijk kunnen de mees­ten als gematigd rechtzinnig worden getypeerd, terwijl de remonstrantse vertegen­woor­diger dr. E.P. Meijering gematigd vrijzinnig is. Hij heeft grote waardering voor het vroeg­christelijke leer­stuk van de Drie-eenheid, maar ziet de opstanding van de Heere Jezus Christus niet als een his­torisch feit. Dat laatste heeft dan wel gevolgen voor de concrete invulling en het func­tioneren van de leer van de Drie-eenheid.
Als uitgangspunt functioneert een zogenaamde credotekst. Wie deze tekst leest, zal opvallen dat in onderscheid met de Apostolische Geloofsbelijdenis de maagdelijke geboorte, de hemel­vaart en het laatste gericht van de Heere Jezus Christus niet worden genoemd. Verder valt op dat het geloof wat wordt verwoord een sterk op deze aarde gericht karakter draagt. Dat wel over de wederkomst wordt gesproken, maar niet over het laatste oordeel heeft daar alles mee te maken. Vele kerken en kerkelijke gemeenschappen doen mee. De komende nationale sy­node zal ook de rooms-katholieke kerk als waarnemer aanwezig zijn. Onder andere de Hersteld Hervomde Kerk stuurt echter geen afvaardiging naar deze samenkomst.
 

zaterdag 5 oktober 2013

De persoon van de Heere Jezus Christus en de betrouwbaarheid van het getuigenis van de evangeliën (recensies)

In de nummers verschenen op 13 juli en 21 september 2013 schreef ik in het blad Ecclesia over twee artikelen ‘De persoon van de Heere Jezus Christus en de betrouwbaarheid van het getuigenis van de evangeliën’. Het laatste artikel wordt besloten met de titels van een aantal boeken waarvan ik voor deze publicatie gebruikt maakte. Hier geef ik een korte typering van elk van die boeken.

Birger Gerhardsson, The Reliability of the Gospel Traditionmet een inleiding van de hand van Donald A. Hagner, Hendrickson Publishers, Peabody, Massachusetts 2001; ISBN 1-56563-667-8; pb. 143 pp., prijs $14,95.
De Zweedse nieuwtestamenticus Birger Gerhardsson heeft zich decennia lang bezig gehouden met de overlevering van de mondelinge tradities die tenslotte vast werden gelegd in de evan­ge­liën. Hij voert pleidooi voor betrouwbaarheid ervan. De wijze waarop overleveringen is wel gekleurd door de situatie na Pasen, maar de inhoud van de overlevering is daarop niet terug te voeren. Zij gaat terug op Jezus’ zelf. Dat geldt ook voor het zogenaamde hoogheidbewustzijn van Jezus.
Het optreden van Jezus op aarde en Zijn onderwijs maakte duidelijk dat Hij Zich meer wist te zijn dan een profeet. Gerhardsson heeft de betrouwbaarheid van de overlevering van de tradities die zijn neergelegd in de evangeliën onderbouwd door verwijzing naar de over­leve­­ring van rabbijnse tradities. Dat placht uiterst nauwkeurig te gebeuren. Daar komt dan nog bij dat het gezag van Jezus voor Zijn volgelingen van een volstrekt andere orde was dan het ge­­zag dat rabbijnen onder hun leerlingen hadden. De persoon van Jezus en daarmee Zijn ge­zag was en is volstrekt uniek.
 
 
Mark D. Roberts, Can we trust the Gospels? Investigating the Reliability of Matthew, Mark, Luke, and John, Crossway Books, Wheaton, Illinois 2007; ISBN 978-1-58134-866-8; pb. 202 pp., prijs $12,99.
In dit boek verdedigt Mark D. Roberts, die als nieuwtestamenticus aan Fuller Theological Se­mi­nary is verbonden, de betrouwbaar-heid van de evangeliën. Hij laat zien dat we de cano­nie­ke evangeliën niet als elkaars concurrenten mogen zien. In over-eenstemming met 1 Kor. 15:1v. vertolken zij dezelfde boodschap. Formeel zijn de evangeliën anoniem.
Opmerkelijk is dat volgens de overlevering twee canonieke evangeliën geen apostel als schrijver hebben. Dat pleit voor de betrouwbaarheid van de overlevering ten aan­zien van de persoon van de evan­ge­listen. Het is wel zeker dat al in een heel vroeg stadium er naast mondelinge overlevering spra­­­ke was van schriftelijke vastlegging.
Roberts gaat ook de discussie aan met Bart Ehr­mann. Ehrmann scheef een boek met de titel Misquoting Jesus over de hand-schriften van het Nieu­we Testament. Ehrmann wijst op de vele verschillen tussen handschriften. Echter, uit boek zelf blijkt dat hooguit 1% pro­cent daarvan enige betekenis heeft en dan nog wordt op geen enkele wijze de inhoud van het christelijke geloof aangepast. De mogelijkheid om de tekst vast te stellen door Ehrmann niet betwist. Zijn uitgesproken doel blijkt de onder-mijning van het geloof in Nieuwe Testament.
Buigen voor het getuigenis van het Nieuwe Testament wordt niet alleen veroorzaakt door kennisname met argumenten voor de betrouwbaarheid er­van. Dat maakt die argumenten niet onbelang-rijk of overbodig. Wetenschap is nooit vol­le­dig neutraal. Voor de nieuwtestamentische wetenschap blijkt dat duidelijk in de werken van Ehr­mann. Het geldt ook voor Roberts maar met dit ver­schil dat Ehrmann wetenschap bedrijft in dienst van het ongeloof en Roberts in dienst van het geloof.
 

Paul Rhodes Eddy en Gregory A. Boyd, The Jesus Legend: A Case for the Historical Reliability of the Synoptic Jesus Tradition, Baker Academic, Grand Rapids, Michigan 2007; ISBN 978-0810-3114-4; pb. 479 pp., $32,--
Paul Rhodes Eddy en Gregory A. Boyd publiceerden inmiddels al weer een aantal jaar ge­le­den het resultaat van hun een onderzoek naar de historische betrouwbaarheid van datgene wat de synoptische evangeliën ons over Jezus meedelen. Hun studie voegt echt iets toe aan de vele studie die op dit terrein zijn verschenen. Zij benadrukken het belang en de betrouw­baarheid van mondelinge overlevering en wijze op het geweldige vermogen tot memorisatie in cul­tu­ren. Vermeldenswaard is dat hun studie in 2008 de Book Award Winner werd van het toon­aan­gevende tijdschrift Christianity Today.
Het grote bezwaar van de beide auteurs tegen de zogenaamde vormkritiek is dat die ervan uitgaat dat de over­ge­leverde verhalen van oorsprong afzonderlijk functioneerden. Van meet af vormden die een onderdeel van een grotere vertel- en overleveringstraditie. Stilering van de weergave van ge­beur­tenissen is geen reden de historiciteit ervan te betwijfelen. Het was een middel om memo­ri­satie te vereenvoudigen. Te weinig pleegt hier te worden beseft dat vóór de uitvinding van de boekdrukkunst bepaalde zaken anders functioneerden.
De auteurs wijzen erop dat het portret dat van Jezus wordt getekend altijd is verbonden met een visie op de betrouwbaarheid van de evangeliën en die visie staat weer niet los van de wereld­­beschouwing die ment heeft. De zoektocht naar de historische Jezus die vanaf de acht­tiende eeuw ontstaat, had niet tot maken met nieuwe feiten die aan het licht waren ge­ko­men, maar met een verandering in wereldbeschouwing.
Velen geloofden niet langer in een God Die van buiten deze werkelijkheid in deze werkelijkheid ingrijpt. Dat betekende dat men de ver­slagen van de wonderen bij voorhand als onhistorisch van de hand deed. Dat alleen al leid­de ui­ter­aard tot een heel ander portret van Jezus dan het portret wat geschilderd wordt in de evan­geliën.
Verschillen tussen de drie synoptische evangeliën moeten niet bij voorbaat worden toege­schre­ven aan het accent dat de respectie-velijke schrijvers ervan wensten te leggen. Het is zeer wel mogelijk dat die verschillen al in de mondelinge tradities die zij kenden, voorkwamen.
Wij moeten er ook van uitgaan dat voor ons moeilijk plaatsbare verschillen tussen de evan­geliën door hen die de evangeliën destijds mondeling hoorden voordragen, wel konden wor­den geplaatst, omdat zij over meer informatie beschikten. We moeten ook verdisconteren dat Jezus dezelfde dingen meer dan eens vertelde en niet altijd met exact dezelfde pointe
 

Craig S. Keener, The Historical Jesus of the Gospels, Eerdmans Publishing, Grand Rapids, Michigan/Cambridge, U.K. 2009; ISBN 978-0-8028-6888-6; pb. 831 pp., prijs $52,--.
Terwijl Bart Ehrmann tijdens zijn studie theologie van een fundamentalistisch christen een agnost werd, werd Graham Keener juist tijdens zijn studie van een atheïst een christen. Keener wijst op het grote verschil tussen de apocriefe en canonieke evangeliën. Hij benadrukt dat wij Jezus moeten zien in de context van het Jodendom van de Tweede Tempel. Daarbij moe­ten we wel onder ogen zien dat Jezus als persoon echt uniek was en is en dat niet alleen in de voorstelling van Zijn navolge-lingen. Wie dat niet wil verdisconteren, komt nooit tot een echt zicht op de historische Jezus.
In navolging van de biografen uit de oudheid vinden we in de evangeliën zowel de overdacht van feiten als retorische stilering. Vooral Lukas doet zich retorisch als een antiek historicus kennen. Zijn evangelie vormt samen met het boek Handelingen een tweeluik. Dat laatste boek is in termen van de toen gehanteerde genres geen biografie maar een historiografie.
Keener stelt dat de kruisiging van Jezus vanuit puur historisch oogpunt gezien onweersprekelijk is, Zijn begrafenis zeer waar-schijnlijk en Zijn opstanding de beste verklaring van de beschikbare feiten. Duidelijk is dat wij altijd bij een grens naderen als het gaat om historische zekerheden waar een christen die weet mag hebben van het innerlijke getuigenis van de Heilige Geest als het gaat om de betrouwbaarheid van de Schrift, overheen is gegaan. Graag had ik gezien dat Keener dit uitdrukkelijk had ver­woord. Behoudens deze kanttekening gaat het om een zeer waardevolle studie. 


James D.G. Dunn, Christianity in the Making Volume 1. Jesus Remembered, Eerdmans, Grand Rapids, Michigan/Cambridge, U.K. 2003; ISBN 0-8028-3931-2; hb. 1019 pp.; prijs $58,--
Jesus Remembered is het eerste deel in een trilogie die James D.G. Dunn schrijft over het vroegste christendom. Dunn wil niet louter als historicus tewerk gaan bij het lezen van het Nieuwe Testament. Hij beseft dat ieder zijn vooronderstellingen mee-brengt en dat de aard van de nieuw­testa­men­tische geschriften met zich meebrengt dat zij niet op afstandelijke en (schijn­baar) objectieve wijze kunnen worden benaderd. Hij wijst erop dat hoe minder portret van Jezus in overeenstemming met (synoptische) evangeliën hoe meer het overeenkomt met agenda van hen die portret ontwerpen.
Toch spreekt Dunn vaak aarzelend. Opvallend is in dit verband dat hij begint met de doop van Jezus in de Jordaan en niet bij Diens maag­delijke ge­boorte. Als hij zegt dat de evangelisten zich dat niet in rechtstreekse zin herinnerd hebben is dat waar, maar er is toch ook het getuigenis van Maria?! We mogen geloven en weten dat de discipelen via Maria van deze zaak hebben vernomen. Als het gaat om de op­stan­ding, gaat Dunn uit van het historisch ka­rak­ter ervan.
De oudste christelijke getuigenissen laten ons eenparig zien dat de volgelingen van Jezus van het lichamelijke karak­ter van de opstanding van hun Meester overtuigd waren. Zij getuigden van verschijningen en niet van visioenen. In de lijn van Barth kan Dunn echter ook zeggen dat de opstanding een gebeurtenis is die zich ont­­trekt aan geschiedenis als weten­schap. De vraag is dan: wat wordt daarmee bedoeld?
Immers als je overtuigt ben door de historische gegevens van het Nieuwe Testament ben je ook overtuigd van het feitelijke en historische karakter van de opstanding en is het niet mo­gelijk te stellen dat je wel als gelovige maar niet als historicus overtuigd bent. Wat Dunn pre­cies aangaande de historiciteit van de opstanding geloofd, is onduidelijk. Wel geeft hij aan dat het geloof in Zijn pre-existentie niet bij de historische Jezus behoort.
Door dit alles verschilt het portret wat Dunn van Jezus schildert, ook al hecht hij veel grotere waarde aan het historische karakter van de evangeliën dan meerdere andere nieuwtestamentici doen, toch wezenlijk van het portret dat de evangeliën zelf van Hem geven. Wie op dit punt een doorwrocht ander ge­luid wil vernemen, wijs ik The Pre-existent Son van Simon Gathercole (Eerdmans, Grand Rapids/Cambridge, U.K. 2006). Gathercole laat zien dat volgens de synoptische evan­ge­liën, Jezus van Zijn pre-existentie heeft getuigd, al is het meer verhuld dan het evangelie naar Johannes. 
 

Robert B. Stewart en Gary R. Habermas (red.), Memories of Jesus: A Critical Appraisal of James D.G. Dunn of Jesus RememberedBroadman & Holman Publications, Nash­ville, Tennessee 2010; ISBN 978-0-8054-4840-5; pb. 334 pp., prijs $29,99.
Deze studie een kritische appreciatie van boek Jesus Remembered van James D.G. Dunn. Ge­we­zen wordt op de grote rol die herinneringen innemen in het boek van Dunn. Wij kunnen vol­gens hem slechts over Jezus spreken zoals Hij door Zijn eerste navolgelingen werd her­in­nerd. In deze appreciatie komt naar voren dat methodisch het grote manco van Dunn is dat hij niet een relatie legt tussen deze herinneringen en Jezus zelf. Als herinneringen zuiver en ade­quaat zijn zeggen zij namelijk echt iets over Zijn persoon en werk. Op deze wijze fun­c­tio­ne­ren immers ook getuigenissen voor een rechtsgang. In onderscheid met Bauckham gaat Dunn niet uitdrukkelijk in op de plaats en betekenis van de ooggetuigen bij het proces van her­in­nering.
Wanneer Dunn de historiciteit van de geboortegeschiedenissen bekritiseert, gaat het feitelijk om metafysische aanname. Immers ook hier is sprake van herinnering aan Jezus. dat de geboorte-geschiedenissen pas vrij laat een wijdere verspreiding vonden, kan verklaard worden uit de terughoudendheid erover te spreken, terwijl Maria, op wie de informatie daarover te­rug­ging, nog in leven was. Dunn aanvaardt de opstanding als de meest logische verklaring van de data.
Belangrijk is ook hier het onderscheid dat Dunn maakt tussen ‘events’, ‘data’ en ‘facts’. ‘Events’ zijn de gebeurtenissen uit het verleden. De ‘data’ zijn de aanwijzingen die er zijn voor een ‘event’. Van tal van ‘events’ zijn geen ‘data’ en zijn dus, ook al zijn ze werkelijk ge­schied, niet meer voor een latere generatie via onderzoek toegankelijk. Een ‘fact’ is de inter­pre­tatie van concrete data die heenwijzen naar een ‘event’. Stephen Davis merkt op dat een der­gelijke definitie van ‘fact’ verwarrend is.
Omdat Dunn de opstanding wel een ‘fact’ wil noemen, maar onduidelijk is over het feit of het ook een ‘event’ is, wordt niet helder of hij werkelijke de historiciteit van de opstanding wil aanvaarden. Wie de boeken van Dunn ter hand neemt, moet deze kritische appreciatie niet ongelezen laten.
 

Paul Barnett, Gospel Truth: Answering the New Atheist attacks on the Gospels, IVP, Nottingham 2012; ISBN 978-1-84474-594-4; pb. 220 pp., prijs £9,99.
In antwoord op de zogenaamde nieuwe atheïsten geeft de Australische Anglicaan Barnett dat hun intuïtie terecht is dat wanneer de evangeliën in hun getuigenis aangaande Jezus niet be­trouw­baar zijn, het hart van het christelijke geloof wordt getroffen. Hij gaat in op de belang­rijkste zaken die in dit verband van belang zijn en laat zien dat wij de evangeliën als een be­trouw­baar getuigenis van Gods­wege aangaande Jezus Christus mogen zien.
Het feiten­ma­te­riaal als zodanig is allesbehalve ontoereikend. Wie dat wel meent, heeft een houding tegen­over dit materiaal dat ideologisch vijandig is gekleurd. Niet de feiten als zodanig leidden tot vraagtekens bij de geloof­waar­digheid van het evangelie, maar een houding ten opzichte van die feiten. Dat verschil in houding kwam overigens al voor in de eerste eeuw na Chr.
 

donderdag 3 oktober 2013

The authority of Scripture 8 (end)

Biblical exposition
It is the duty of ministers of the Gospel to expose the Scriptures. They must do that in the assurance that the Scriptures are the infallible and inerrant Word of God for all ages. The application is a part of the exposition. When we think that the application is not immediately related to the exposition, we in fact see the Bible just as an historical document. In that case the sources for the application of the biblical message come from outside the Bible. Knowledge of gram­mar, bib­lical history and languages is highly use­ful. We must compare Scrip­ture with Scrip­ture. We must reject how­ever exegetical methods, which are not based on the self-wit­ness of the Bible.
Our approach to the Bible is never neu­tral. We must approach the Bible in the aware­ness that it is the voice of the liv­ing of God. Not our reason must judge the Bible, but the Bible must judge our rea­son. What we need above all is the enlightening of the Holy Spirit. Other­wise our knowl­edge of the Bible and of bibli­cal exe­gesis can be very great, but it is just an encyclopaedic knowledge. For that reason exposing the Scripture, we miss the real point. How we have to pray daily: "Open thou mine eyes, that I may behold wondrous things out of thy law (Psalms 119:18)"
 

The end of the authority of Scripture

God has given us his Word to make us wise unto salvation. Defending the infallibility of Scrip­ture must never become an aim in itself. Our aim must be that we and other people glorify the triune God who has revealed himself to us and speaks to us in his Word. When we have our reser­vations about the divine origin of the Scripture and its divine inspiration, we cannot speak with authority any longer.
Prophets and apostles knew themselves to be spokesmen of the living God. They said: "Thus saith the LORD". Accepting the books of prophets and apostles as the Word of God, ministers of the gospel preaching the Word may speak and must speak which the same assur­ance: "Now then we are ambassadors for Christ, as though God did beseech you by us: we pray you in Christ's stead, be ye reconciled to God. (2 Corinthians 5:20)"
 

The authority of Scripture 7

The formal and material authority of Scripture
The scope of Scripture is the message of salvation by Jesus Christ. In that context we speak about the material authority of Scripture. That means: Scripture has authority because of its mess­age. The will of God and the way of salvation is abundantly taught in it. The for­mal auth­ority of Scripture means that all what the Scripture teaches on what­ever topic has divine authority. In article 5 of the Belgic Con­fession we read: "believing without any doubt all things contained in them."
More than once it has been defended that the Scripture is only infal­lible in regard to its doc­trine of faith and salvation. Men want to hold fast to its material authority but cannot accept its for­mal auth­ority. Again we must say that it is impossible to separate the saving message of Scrip­ture from all that it contains. The formal and material authority of Scripture presupposes each other and need each other. The formal and material authority of Scripture is two sides of one coin.
The saving message of Scripture is complete reliable because it is revealed to us in the fully inspired, infallible Word of God. We can never separate the content of Scripture form the character of God. What God says and that God speaks to us in Scripture, are com­pletely related to each other. Because of the form given to the Scrip­ture by God (fully and verbally inspired), the Scripture can fulfil the aim for which God has given it to us (to make us wise unto salva­tion).
 

The witness of the Holy Spirit

How do we come to the assurance that the Bible is the Word of God? It has been testified in the church during the ages. The Bible itself shows many marks of its Divine origin. Our ultimate assurance that the Bible is the Word of God is not based on the fact that the church receives and approves it as such, but on the inner witness of the Holy Spirit. The Holy Sprits convinces us of our adoption into the family of God. At the same it convinces us of the divine origin, and the divine authority of the message of the Bible.
Paul wrote to the Thessalonians: "For our gospel came not unto you in word only, but also in power, and in the Holy Ghost, and in much assurance; as ye know what manner of men we were among you for your sake (1 Thessalonians 1:5)." In the sec­ond chapter of the same epistle we read: "For this cause also thank we God without ceasing, because, when ye received the word of God which ye heard of us, ye received it not as the word of men, but as it is in truth, the word of God, which effectually worketh also in you that believe" (1 Thessalonians 2:13).
A Christian upbringing or Christian witness is as a rule the first way in which we are brought in contact with God’s Word, and is used by God, as the conviction that the Bible is the Word of God. But the witness of other men never can be our ultimate ground of assurance. Our unshakable assurance is based on the witness of the third person of the Holy Trinity in our hearts. Being enlightened by the Holy Spirit we see the majesty of God in his Word. We recognized his voice.
When we try to convince others of the message of the Bible, we can point to the fulfilment of prophecies, the trustworthiness of quite a lot of biblical accounts proved by archaeological excava­tions, the existence of the Christian church and so on. We can also point to unrest in every human heart and explain it in the light of the bibli­cal message of sin and salvation. We can witness and we are obliged to do it, we only God can really convince and assure people and he does it by his Holy Spirit.
 

woensdag 2 oktober 2013

The authority of Scripture 6

The historical reliability of the biblical witness
One of the essential features of biblical revelation is that God acts in history. God governs history. The biblical record is a his­torical record. Our salvation is based on God's mighty and saving acts. Is it essential that these mighty acts really happened? Are we to accept the reliability of the biblical historical records?
Let me first say the Bible is written in several genres. We find prose and poetry, psalms and prophecy. Awareness of the literary categories is essential for proper exegesis. We must however an appeal to literal genres to undermine the historical trustworthiness of the biblical record of events. What the Bible reports regarding history must be accepted as such.
The salvation of sinners depends on the work of Christ. Sometimes the position is defended that the acts reported in the Bible can be still true although they in reality never happened. We find this view already in the early church. Origenes said that several histories reported in the Bible were in reality allegories containing a lesson for us. With his allegorising method he tried to take away the offen­sive nature of the biblical message for the educated men of his own time. Heathen philosophers noted that fact.
In trying to explain the biblical message, Origenes offered it up to an essen­tial philosophical nderstanding inimical to the essence of the biblical message. When the great facts of the life of Christ never hap­pened, it cannot be said that Christ saves us. Not tak­ing se­riously the his­tori­cal reality of Christ's redem­ptive work, of his virgin birth, his death and resurrec­tion is a sin of a Pelagian view on sin and an esse­ntial moralistic view on the nature of salvation.
The saving acts of God in history are integrally related with the bib­lical record of the history of God's covenant people under the Old Testament dispensation and the biblical record of the life of our Sav­iour on earth. When we really obey the Scripture we accept all it says. In article five of the Belgic Confes­sion we read "believing without any doubt all things contained in them (namely the book of Holy Scripture)."
The fact that the Bible has a scope namely the revelation of Christ and his redemptive work does not mean that the other things revealed in the Bible are not essential. When we doubt what the Bible says about the context in which it places Christ and his work, we lose the very message of salvation. In this context I will discuss the issue how we must understand the first three chapters of Genesis. Are they myth or history?
In the account given in Genesis there is no hint that the first three or eleven chapters are only symbolical. They simply recount something which the writer believed took place. In the New Testament the fall of man is accepted as a historical fact. In Romans 5 Paul compares the action of Adam with the action of Christ.
The redemptive work of Christ is the answer on the fall of Adam. The historicity of Christ is cru­cial for Paul's argument. Man was created in the image of God. On a certain point in history Adam transgressed God's command. Death and mis­ery was the result. Death and miseries are not a part of God's ori­ginal creation.
If Adam's work is mythical, how do we know that Christ's work is not mythical? When we deny the historicity and significance of the first Adam, we cannot get a real insight into the work of the second and last Adam Jesus Christ. Accepting the histori­cal factuality of the fall of Adam is essential for a faithful presen­ta­tion of the gospel of Jesus Christ.
The famous scientist Pascal said that true Christian religion consists in the knowledge of two persons, namely Adam and the damna­tion and misery of all mankind as a consequence of his fall and Jesus Christ and the felicity of all who believe in him.
Accepting the historical trustworthiness of the first part of Gen­esis is heavily criticized in the name of modern science. We all know the name of Darwin and his theory of evolution. We must never forget that so-called scientific data are in many cases not so sure as its defenders suggests.
Much of which is accepted as the only possible inter­pretation of the facts or data in one age, is seen by the next as the consequence of the prejudice with which the former age approached the­ data. All too often it is forgotten that science functions within the framework of pre-scientific presuppositions that are of an ideologi­cal or religious nature. Neutral science does not exist. That is especially true when questions concerning the origin of creation and human being are answered.
Evolution is not based on real fact but on the gaps between the facts. There is not one sure example of a being that can be seen as a transi­tion between tow kinds. Evolution is not the result of research of data but a postulate that can never be proved wrong for them who accept it. There­in it shows itself to be more than a scientific the­ory.
Real scientific theories can in principle be falsified. I do not say that accepting the historical trustworthiness of the first part of Genesis we can answer all ques­tions concerning the relation between faith and science. But that is not necess­ary for trusting the Bible as the infallible Word of God. Everybody no matter what his con­victions are lives implicit or explicit with open questions.
It is also important to realise that already in the Early Church the relation between the account of the origin of the world and the science of their day was problematic. According to the Greek philos­ophy matter was eternal. The Greeks did not belief in God as the Cre­ator of mat­ter.
We know that Augustine as a young man wrestled with the relation between faith and science. It was one of the reasons that he left the Christian church. But after many years he came back con­fessing that his heart was full of unrest until in found rest in God. Augustine learned more and more to bring into captiv­ity every thought to the obedience of Christ (compare 2 Corinthians 10:5).