maandag 22 mei 2017

An excellent commentary on Hebrews

The New International Greek Testament Commentary is a series of high academic quality. Already a couple of years ago Paul Ellingworth wrote in this series an excellent commentary on the Epistle to the Hebrews. In 2015 a paperback edition was published. The commentary of Ellingworth starts with a broad introduction in in which the circumstances in which Hebrews was written, its canonization, structure, theology and purpose are analyzed.
Although already in the Early Church the letter was ascribed to Paul, Ellingworth rightly follows Origin who stated that only God knows who has written this epistle. Following Luther Ellingworth thinks that Apollos is the most likely candidate, although his authorship cannot be proven.
I agree with Ellingworth that we must assume that most of the readers of Hebrews were converted Jews who formed a part of a greater Christian community. It is more likely to under-stand the phrase ἀπὸ τῆς Ἰταλίας as referring to people who left Italy. Supposing that the readers of Hebrews were a predominantly but not exclusively Jewish-Christian group but not including all member of the Christian community Rome must be preferred as the place where the readers lived.
Ellingworth prefers to date Hebrews before the fall of Jeru-salem in 70. Although the use of the present time when des-cribed the sacrificial system could be rhetorical and just be related to rituals described in the Old Testament, is seems almost impossible that the author would not have alluded to the destruction of the Temple when he wrote after 70.
The final admission of Hebrews into the canon was linked with that of its attribution to Paul. Initially the western church understood Hebrews to teach that those who had sinned after baptism could not be forgiven and readmitted in the church. That delayed its canonical status in the West. 
Finally both the Eastern and Western parts of the church accepted its canonicity being convinced of its apostolic con-tent. In the West the positive views of Jerome and even more Augustin played a decisive part, although Augustin became more and more reluctant about Pauline authorship.
The background of Hebrews is primarily the Old Testament in the form of the Septuagint. In several places his argument depend on the Septuagint. The author is convinced that the Old Testament speaks about Christ and sees it as his central task to discover with clues provided in the Old Testament itself to clarify the meaning of Christ’s person and work and that in order to encourage his readers to persevere in the faith they profess.
Regarding the relationship to the first century Jewish philo-sopher Philo of Alexandria Ellingworth makes the cautionary remark that the author of Hebrews is first and foremost a Christian, secondarily a Christian steeped in the Old Testa-ment, and no doubt in the third place a man affected by lin-guistic habits and intellectual traditions similar to those which contributed to Philo’s development. 
A direct influence of Philo on the author of Hebrews is very unlikely, because the writings of Philo cannot have been so familiar and influential on the author of Hebrews just a decade or two after their publication. More than Ellingworth I would unite the first points he observes. I think that Ellingworth is right when he says that the presentation of Melchizedek in Hebrews may have been stimulated by the ideas about him in Qumran and elsewhere.
The structure of Hebrews can be made by analyzing its content or on formal grounds. Ellingworth prefers the latter approach, because it points to features which lie clearly present on the surfaced of the text. Writing about the theology of Hebrews Ellingworth states that in Hebrews the historical and theological continuity of the people of God before and after the ministry of Christ on earth is stressed very empha-tically. The most distinctive feature of the christological lan-guage of Hebrews is its use of the name Jesus. 
There are thirteen occurrences and in most of them (Hebrews 4:14 and 10:10 are exceptions) it is used alone. Where Jesus is used alone, except in Hebrews 13:12, it occurs at the end of a clause. Ellingworth does not mention it, but I am sure that this use of the name Jesus does not only point to the cen-trality of Jesus for the message of Hebrews, but also of the great privilege of the New Testament believers. In distinction to believers under the Old Testament dispensation they know the personal name of the Messiah and Son of God and may address him by using this name.
The conclusion of Ellingworth is that Hebrews was written to a predominantly Jewish-Christian community living in Rome where Judaism (but not Christianity) was well established and officially tolerated. There was the constant temptation to de-emphasize, conceal, neglect and abandon the distinctively Christian features of their faith. Nowhere does the author of Hebrews states that his readers apostatize but is a real danger. 
It is true that the readmission to the church of Christians who denied the faith in times of persecution or the question of the final perseverance of the saints is not the concern of the author of Hebrews when he wrote this letter of encourage-ment and warning with its sermonic elements. Nevertheless these questions must be answered on the level of systematic theology and then the question is whether in Hebrews seeds are to be found for the readmission of lapsed Christians to the church and for the doctrine of the final perseverance of the saints. I would answer both questions positively. 
The give arguments for it would require at least an article of moderate length and it is not the place to do that here. I can point to the commentaries of man like John Calvin, John Owen, John Brown and Philip E. Hughes.With regard to the perseverance of the saints I can also point to the contri-butions of Buist. M. Fanning and Randall C. Gleason in Herbert W. Bateman IV (ed.), Four Views on the Warning Passages in Hebrews (Grand Rapids: Kregel Academic, 2007).

Paul Ellingworth, The Epistle to the Hebrews, The New International Greek Testament Commentary (Grand Rapids: Eerdmans,1993), paperback xcviii + 764 p., $62,-- (ISBN 978-0-8028-7407-8 )

woensdag 17 mei 2017

Wat kunnen wij van J.C. Ryle (1816-1900) leren?

Inleiding
Dit is jaar is het tweehonderd jaar geleden dat John Charles Ryle, de eerste Anglicaanse bisschop van Liverpool werd geboren. Ryle werd door genade een belijder van Jezus Christus en een dienaar van het Evangelie. De Heere heeft hem de gave gegeven om de boodschap van het Evangelie op eenvoudige wijze te ver-woorden. Daarop legde Ryle zich ook toe. Hij merkte dat weinig zaken zo moeilijk zijn dan eenvoudig preken.
Vanaf zijn benoeming tot bisschop van Liverpool maakte Ryle deel uit van het Hogerhuis. Het was gemakkelijk in het Hogerhuis een toespraak te houden, zo zei hij, dan in een boe­ren­gemeente op zondagmiddag de aandacht te houden. Dit is stond voor Ryle vast dat naarmate wij zelf het Evangelie beter leren verstaan, wij het aan anderen eenvoudiger kun­nen uitleggen.
Al bij zijn leven viel het anderen op dat Ryle de dingen eenvoudig kon verwoorden. In zijn derde gemeente Helmingham liet hij voor het eerst een traktaat het licht zien. De traktaten die hij publi-ceerde waren bewerkingen van preken. Vervolgens verschenen deze in boek­vorm. Vooral de laatste jaren zijn meerdere werken van Ryle in het Nederlands vertaald. Prof. dr. Baars en ds. K. ten Klooster voorzagen de vertaling van Old Paths (Het hart van het Chris­te­lijk geloof) van een inleiding.
Al in de jaren zeventig van de vorige eeuw vertaalde ds. C. Smits die toen oudgereformeerd predikant was, Warning to the Churches (Waarschuwing aan de kerken) en liet aan die verta­ling een voor-woord voorafgaan. Smits voelde zich eensgeestes met Ryles waar­schu­wing dat uiterlijke kerkelijke betrokkenheid waar-onder deelname aan de sacramenten, geen garantie zijn van een levend geloof.
Naast traktaten die bewerkingen waren van preken, schreef Ryle een uitleg op de vier evan­geliën en ook nog een aantal boeken met schetsen van personen uit de Engelse kerkge­schiedenis. Hij vroeg aandacht voor de Engelse reformatoren, de puriteinen en niet te vergeten de Anglicaanse Evangelicals die door God werden gebruikt in de ‘Evangelical Revival’ (herleving van het Evangelie).
Ik heb daar wel eens meer op gewezen maar in de Engelse taal betekende zeker vroeger Evangelical dat men het Evangelie ver-stond en wenste uit te dragen naar haar diepste betekenis. Die vond men terug bij Reformatoren en puriteinen. In die zin komt trouwens ook in de kanttekeningen van de Statenvertaling het woord ‘evangelisch’ voor.

De afkomst van Ryle
Ryle was de oudste zoon van John Ryle jr., een schatrijke bankier. De grootvader van Ryle, die ook John heette, had fortuin gemaakt in de zijde-industrie. Hij was een man die contact heeft gehad en zich aangesproken wist door de prediking van John Wesley, de grote methodistische prediker uit de achttiende eeuw. Voor de vader van Ryle lag dat anders. Door het vroeg overlijden van John sr. was hij op 24-jarige leeftijd erfgenaam geworden van diens vele bezittingen. De rijkdom had hem van God vervreemd.
De ouders van Ryle bezochten met regelmaat de diensten van de Anglicaanse parochiekerk van Macclesfield, maar hun godsdienst was louter uiterlijk. Nooit heeft Ryle onder zijn ouder­lijk over de noodzaak en inhoud van het levende geloof en van bekering horen spreken. Vanaf zijn zevende levensjaar bad hij niet meer persoonlijk en hij was al eenentwintig toen hij voor het eerst zelf de Bijbel ging lezen.
De middelbare school was voor hem Eaton College, een kost-school voor de upper ten van Engeland. Hij leerde er onder andere leden van de koninklijke familie kennen. Daarna ging hij naar Oxford. In het voetspoor van zijn vader die naast bankier ook politicus was, wilde hij de politiek in.

De omkeer en weg naar het ambt
Vanaf 1836 ontstond er in het hart van de student een toe-nemende geestelijke onrust. In de zomer van 1837 bracht een ziekte hem op de rand van de dood. Toen hij in de kerstdagen van dat jaar naar huis kwam, werd meteen duidelijk dat Ryle een nieuw mens was geworden. Hij ging nu onder zijn ouderlijk dak bij de maaltijd hardop voor in gebed. Op het precieze tijdstip en de exacte toedracht hij het tot geloof kwam, heeft Ryle zich niet uitgelaten. Hij vond dat noch in zijn eigen leven noch in het leven van anderen belangrijk. Het ging hem om de natuur en de vruchten van het waarachtige geloof.
Zijn overgang van de dood naar het leven heeft Ryle als de belangrijkste gebeurtenis en ver­an­dering in zijn leven getypeerd. Was hij vòòr zijn eenentwintigste levensjaar gestorven, dan had hij, zo heeft hij zelf betuigd, de eeuwigheid in de rampzaligheid moeten doorbrengen. Drie jaar na deze gebeurtenis ging de vader van Ryle failliet. Naar Ryle’s eigen woorden werden zij op die dag in juni 1841 wakker als een van de rijkste families van Engeland en gingen zij slapen, voor zover zijn de slaap nog konden vatten, als een van de armste. Dat laatste is niet helemaal waar. Het eerste wel.
In ons geld omgerekend lag het jaarinkomen van John Ryle jr. ergens tussen de twaalf en vijftien miljoen euro en het landgoed dat zij bewoonden, zou in onze tijd op zo’n vijfenveertig miljoen euro worden geschat. Als oudste zoon zou Ryle het overgrote deel van zijn vaders bezitting erven. Om de politiek in te gaan was geld nodig. Dus die weg was afgesloten. Ryle moest nu voor zijn inkomen gaan werken.
Was ik geen christen geweest, zo zei Ryle, dan had ik wellicht zelfmoord gepleegd. Zelfs zijn hond waaraan hij zo zeer gehecht was, werd verkocht. Ryle vestigde zich in New Forest. Een bevriende kolonel die zelf een oprecht christen was, heeft zijn naam onder de aandacht van een Anglicaanse predikant gebracht. Deze vroeg hem hulpprediker te worden. Een aanbod dat Ryle aanvaardde.
Van de buitenkant gezien leek zijn roeping tot het ambt niet een bijzonder geestelijke zaak. De vruchten – en daar gaat het toch om – lieten anders zien. In huiselijk opzicht is Ryle leed niet bespaard. Driemaal is hij getrouwd geweest en tweemaal weduwnaar geworden. Heel verdrietig dat zijn zoons niet bij het geloof bleven waarin zij waren opgevoed. Kerkelijk eindigde Ryle zijn loopbaan als bisschop van Liverpool. Belang­rij­ker dan een bouw van een kathedraal vond hij dat in alle districten van Liverpool het Evangelie kon worden gehoord.

De inhoud van zijn prediking
Ryle bracht het Evangelie ernstig nodig en indringend. Ik besluit met een citaat dat typerend mag heten. ‘Wanneer ik spreek over wasdom in de genade, bedoel ik op geen en­kele wijze dat het aandeel van een christen aan Christus kan groei­en. Ik be­doel niet dat hij kan groeien in de genadige aanne­ming door God. Ik be­doel niet dat hij ooit meer gerechtvaardigd kan zijn, meer verge­ven kan zijn en meer vrede met God hebben dan op het moment dat hij eerst ge­looft. Ik ben er ten diepste van over­tuigd dat de recht-vaardiging van de gelovige een volkomen werk is en dat ook de zwakste in de genade, ook al weet hij het niet en voelt hij het niet, niet minder gerechtvaardigd is dan de sterkste gelovige. Onze verkiezing, roeping en toegang tot God laten geen standen toe. Er is daarin geen afname of toename mogelijk. Ik ging liever dan de brand­stapel dan af te doen aan de waarheid dat elke gelovige in Christus volmaakt rechtvaar­dig voor God is. Wanneer ik spreek over wasdom in de genade bedoel ik slechts dat de gena­dega­ven die de Heilige Geest in ons hart gelegd heeft groeien in kracht, sterkte en intensiteit. (...) Wanneer ik van iemand zeg dat hij groeit in de genade bedoel ik heel eenvoudig dat zijn schuldbesef ver­diept, zijn geloof sterker wordt, zijn hoop helder­der, zijn liefde vuriger, zijn geeste­lijk gezind zijn meer aan de dag treedt. Zo iemand voelt meer van de kracht van de godzaligheid in zijn eigen hart. Het komt ook meer tot openbaring in zijn le­ven.’

Ian H. Murray, J. C. Ryle. Prepared to Stand Alone, Banner of Truth, Edinburgh 2016; ISBN 978-1-84871-679-7; pb. 273 pp., prijs £8,50.
Ter gelegenheid van het feit dat in 2016 tweehonderd jaar geleden was dat Ryle werd geboren, schreef Iain H. Murray, de oprichter van de uitgeverij The Banner of Truth, een nieuwe biografie over hem. Murray schrijft met grote betrokkenheid. Zonder de feiten geweld aan te doen geeft hij de boodschap van de feiten door. Dat laatste kan niet op neutrale wijze gebeuren. Het gaat Murray over om dat wij van Ryle leren belijders van Gods genade in Christus te zijn.

Andrew Atherstone, Bishop J.C. Ryle’s Autobiography. The Early Years, Banner of Truth Edinburgh 2016; hb. prijs £15,50 (ISBN 9781848716865)
Deze uitgave is een kritische editie (dat wil zeggen met aan-tekeningen) van de autobiografie van Ryle die hij in 1873 heeft gedicteerd aan zijn derde vrouw. Ryle deed dit met oog op zijn kinderen. Andrew Atherstone kreeg in 2005 het originele manus-cript onder ogen. Deze Banner uitgave is daarop gebaseerd. Ze bevat ook meerdere foto’s uit de familiealbum van Ryle die nooit eerder zijn gepubliceerd.



dinsdag 11 april 2017

Gemeenschap met de triomferende kerk

Wanneer God een zondaar trekt, krijgt hij niet alleen een band met Christus maar ook een band met de heiligen, met Gods kinderen. In Hebreeën 12:23 wordt van de gelovigen op aarde onder andere gezegd dat zij gekomen zijn tot de geesten van de volmaakt rechtvaardigen. Dat slaat op de ontslapen kinderen God. Mede op grond van deze tekst  mogen wij, als het gaat om de gemeenschap der heiligen, daarbij ook de heiligen voor Gods troon betrekken.
Wat de heiligen voor Gods troon precies weten van Gods kerk hier op aarde is ons niet bekend. In ieder geval hebben wij hun voorbede niet nodig. Dat sluit echter niet uit dat wij een band met hen mogen hebben. Dan denk ik niet alleen aan de bijbelheiligen, aan mannen en vrouwen uit de kerkgeschiedenis maar ook aan kinderen van God die wij persoonlijk hebben gekend en inmid-dels in Christus zijn ontslapen.
Bij het gebruiken van het Heilig Avondmaal maar ook op een be-grafenis van één van Gods kinderen kan het heimwee om samen met de heiligen voor Gods troon Gods lof te bezingen soms heel groot zijn. Dan wordt de band met die heiligen bijzonder gevoeld. Het kan ook bij andere gelegenheden. Zelf deed ik deze ervaring eens op bij een preekbeurt in Schoonrewoerd inmiddels al weer een behoorlijk aantal jaren geleden.
In Schoonrewoerd heeft van 1927 tot 1940 dhr. Van Leeuwen ge-staan. Dat was een getrouw godsgezant. Ik heb nog meerdere oudere mensen gekend die nog onder zijn prediking hebben gezeten en daar ook een zegen onder hebben ontvangen. Dhr. Van Leeuwen spreekt ook nog door de geschriften die hij heeft nagelaten.
In een dagboek uit zijn geschriften samengesteld kwam ik onder andere de volgende zin tegen: ‘Alle dingen bewegen zich naar de vaste lijnen in dat gemaakt bestek. Niets uit de mens, die viel overal buiten, maar al wat tot zaligheid dient in roeping, geloof en liefde.’
Dhr. Van Leeuwen was niet alleen een godvruchtig, maar ook een markant man. In de crisis­tijd moest hij eens doordeweeks ergens een spreekbeurt leiden. De penningmeester van de vereniging haalde hem op van de trein en sprak zijn verontschuldiging uit dat Van Leeuwen was uitgenodigd. Ik vrees, zo zei hij, dat wij u nau-welijks de reiskosten kunnen betalen. 
Van Leeuwen antwoordde dat de man nergens over in behoefde te zitten. ‘Als de Heere niet over­komt,’ zo zei hij, ‘is de preek die ik houd geen cent waar en als Hij wel overkomt is hij on­be­taalbaar.’ Dat laatste mocht overigens het geval zijn.
In de kerkdienst waarnaar ik reeds verwees, sprak over Efeze 3:18-19: ‘Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, En be­kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.’ 
Nadat ik over de breedte, lengte diepte en hoogte van de liefde van Christus als zo­danig had gesproken, bracht ik naar voren dat zelfs de heiligen van alle eeuwen tot in alle eeuwigheid deze liefde niet kunnen omvatten. Denkend aan de heiligen voor Gods troon werd ik toen krachtig bepaald bij dhr. Van Leeuwen die zo getrouw in de gemeente van Schoonre­woerd had gearbeid en nu al zovele jaren juichte voor Gods troon. 
Hoewel ik hem nooit pers­oonlijk had ontmoet – hij was al overleden toen ik werd geboren – voelde ik die zondagavond tijdens de genoemde dienst een bijzondere band met hem. Zelfs zo dat ik niet zoals wel eens het geval is langer preekte dan normaal wanneer de Heere zo kennelijk aanwezig is, maar nu juist rond 19.45 uur de dienst besloot zo’n tien minuten eerder dan gebruikelijk.
Ik was zo overweldigd door de heerlijkheid van de dingen die ikzelf in mijn preek besprak, dat ik voelde dat hij verstandig was om te besluiten voordat ik echt niet verder zou kunnen. Als hier op aarde de ervaring van Gods liefde in Christus en de gemeen-schap der heiligen al zo groot is, wat moet het dan zijn om in het nieuwe Jeruzalem al Gods heiligen in heerlijkheid te zien. Het grootste zal zijn dat al de heiligen samen het Lam zullen mogen zien zoals Hij is.

zaterdag 1 april 2017

Arthur Hildersham: Prince among Puritans

Puritanism was a mighty movement of spiritual renewal in the Church of England. It arose among the Protestants who were critical of the Elizabethan Settle­ment of Religion. For con-science sake they could not confirm to certain ecclesiastically prescribed ceremonies as wearing the surplice, receiving the Lord’s Supper kneeling and making the sign of the cross at baptism. Puritan preachers desired not only a further refor-mation of the Church of England but also that the members of parochial churches would be godly Christians who manifested in their lives the marks of the children of God.
In the years between 1640 and 1660 not only episcopacy, but also monarchy was abolished. Now the government favored the Puritan movement. At the same time internal tensions among the Puritans especially with regard to church govern-ment came to the foreground. In 1662 most of the then living Puritans left the Church of England. The newly adopted Act of Uniformity made it impossible for them to remain. This so called Great Ejection marks the end of Puritan­ism as an ecclesiastical movement within the Church of England.
One of the great Puritans living before the period of the Civil War was Arthur Hildersham (1563-1632). He was related to the royal family. For that reason queen Elizabeth I spoke about him as ‘cousin Hilderham ’.In his own time he was ranked in the top of the godly ministers. His influence extended far beyond his pulpit and parish.
Through his writings - some of the published posthumously – this influence also went beyond his own lifetime. Several of them were translated in Dutch and strengthened the cause of the Dutch Further Reformation: a movement which aim was to promote experiential godliness in the Reformed Church of the Netherlands.
Until recently never a book length study of the life of Arthur Hildersham was written. Dr. Lesley A. Rowe, an associate fellow in the history department of the University of Warwick, remedied this deficiency. She has offered a well written and congenial account of her subject. She closes her biography with ten lessons form Hildersham for today. 
Hildersham was brought up in a staunch Roman Catholic family. He was an unlike convert. Certainly unaware of the spiritual convictions of its master, John Disborow, who was a committed Protestant and godly man, his parents send him to send to Saffron Walden School in Essex because of its high reputation.
When he was thirteen years Hildersham went to Christ College in Cambridge. Again Hilderham’s parents must have been unaware of the strong Protestant and Puritan influences in Christ College. In the 1570s and 1580s Christ College had a succession of godly masters: Edward Dering, William Perkins and Laurence Chaderton. 
The latter became a close friend of Hildersham. It seems likely that Hildersham was part of the group that met weekly with Chaderton for Bible study, prayer and discussion. Only fifteen years old Hildersham resisted the will of his father to train for the Roman Catholic priesthood in Rome.
We can see in the conversion of Hildersham the importance of godly educators but above all the strength of God’s grace. The same things are true in the 21th century. Hildersham started his career as lecturer in Ashby-de-la-Zouch (1587-1593). After-wards he became the vicar of St. Helen’s Church in Ashby (1593-1605). Just at the beginning of the reign of James I when stricter conformity of the ecclesiastical rules was encouraged, Hildersham was deprived of his benefice. He finally also lost his license to preach.
Three months after the death of James I he was relicensed, Again he became a lecturer in Ashby until his death in 1632. Rowe rightly notices that we can learn from the life of Hilderham that a minister of the gospel has not to despair when he is prevented from preaching (in our situation the causes can be entirely different). God used Hilderham mightily though the witness of his personal life as he continued to live among the people of Ashby.
Hildersham’s opinions on matters as wearing the surplice, receiving the Lord’s Supper kneeling and making the sign of the cross at baptism were not shared by all godly ministers. In the sixteenth and seventeenth century several ministers of the Church of England were Calvinist in doctrine, but did not share all Puritans emphazises.
Hilderham regarded these men as brethren in Christ and conversed with them in a gracious and generous spirit. The same was true for the separatists who felt you ought to leave the Church of England. He opposed separatism but urged all holding the Reformed faith to maintain spiritual unity in the gospel of grace. In this really catholic attitude Hildersham is an example for today.
Rowe closes her biography of Hildersham with the following words: ‘His watchword was soli Deo Gloria. Ours should be the same.’ I heartily agree with that. 

Lesley A. Rowe, The Life and Times of Arthur Hildersham. Prince among Puritans (Grand Rapids: Reformation Heritage Books, 2015) 210 pp., hardcover, $28,-- (ISBN 978-1-60178-222-9).

vrijdag 17 maart 2017

Jonathan Edwards over het christelijke leven

Jonathan Edwards wordt als de grootste Amerikaanse theo-loog gezien. Bij een breder publiek is hij vooral bekend om zijn preek ‘Zondaren in de hand van een toornend God’  over Deut. 32:35, Met grote ernst spreekt Edwards daar over de realiteit van de eeuwige rampzaligheid. Minder bekend is dat hij ook een preek heeft gehouden met de titel ‘De hemel: een wereld van liefde.’ Feitelijk is die tweede preek nog veel type-render voor Edwards dan de eerste.
Een christen is voor Edwards niet alleen iemand die verlost is van de toekomende toorn maar ook iemand die hier op aarde reeds de hemelse liefde en blijdschap in beginsel mag sma-ken. Een christen dient God met vreugde. Niet alleen als hij denkt aan het einddoel van zijn reis: het hemelse Jeruzalem, maar ook als het gaat om het dienen van God als zodanig. In de wedergeboorte wordt een mens op een allesomvattende wijze vernieuwd. Vanaf dat moment ligt zijn diepste vreugde en blijdschap in God.
Wie naar een verbindend thema zoekt in de boodschap en theologie van Edwards komt uit op het begrip schoonheid. Een zaak die hij allereerst verbindt met God en Zijn majesteit. Gods majesteit is vol van schoonheid. Gods schoonheid wordt zichtbaar in de schepping maar zien wij toch allereerst en allermeest in de persoon van de Middelaar de Heere Jezus Christus.
Gods schoonheid wordt ook weerspiegelt in het leven van Zijn kinderen. Voor een christen geldt van zijn kant dat dit zijn diepste begeerte is. Heel concreet noemt Edwards de vrucht van zachtmoedigheid als het gaat om het weerspiegelen van Gods schoonheid. Onze liefde tot God, onze ijver voor God, ons belijden van Zijn Naam dient met zachtmoedigheid te worden gestempeld.
Edwards is niet alleen een theoloog van de schoonheid van God, maar ook een theoloog van opwekking. Zijn boekje A Faithful Narrative of the Surprising Work of God in the Con-version of Many Hundred Souls in Northampton, Massachu-setts  is een verslag van een opwekking in zijn eerste ge-meente in 1737 plaatsvond. Een opwekking die nog vooraf-ging aan de zogenaamde ‘Great Awakening’. Edwards zag in deze opwekking en ook in opwekkingen verbonden met de ‘Great Awakening’ het werk van de Heilige Geest.
Meer dan aanvankelijk raakte hij er wel van doordrongen dat het niet alles goud was wat er blonk. Edwards benadrukt dat het waarachtige werk van de Heilige Geest nooit buiten het gevoel omgaat. Echter of gevoelens van de Heilige Geest zijn, blijkt niet in het sterk emotionele of buitengewone karak-ter ervan maar in de vrucht. 
In dat licht moeten de volgende werken die hij schreef worden gezien: Distinguishing Marks of a Work of the Spirit of God, Some Thoughts Concerning the Present Revival in New England and the Way it Ought to be Acknowledged and Promoted  en A Treatise Concerning Religious Affections. Het laatste werk is ongetwijfeld zijn meest gerijpte werk als het gaat de betekenis en het karakter van het werk van Gods Geest in het hart van een mens.
Van Edwards kunnen wij leren wat het betekent nabij God te zijn en omgang met God te hebben. Dat betekent niet dat er geen zwakheden in zijn benadering zijn aan te wijzen. Archi-bald Alexander schreef in zijn Thoughts on Religious Expe-rience: ‘En als er een tekort is in de ge­schriften van deze grote en goede man op het terrein van de bevindelijke gods­dienst, ligt het daarin dat zij de indruk wek­ken als­of ver-nieuwde per­sonen allereerst de deugden van God met ver­heuging overdenken, zon­der aan de Middelaar te denken.’
In samenhang daarmee kan worden opgemerkt dat Edwards zozeer de nadruk legt op nauwe omgang met God dat de blijvende betekenis voor het geloofsleven van de rechtvaar-diging door het geloof alleen wat in de schaduw komt te zijn. Hier vormen de geschriften van vooral Luther en Kohlbrugge een heilzame correctie. Wie dit bedenkt, kan echter zeer veel van Edwards leren. Waarachtig geloof zet het hart in brand en geeft ons vreugde in God.

Dane C. Ortlund, Edwards on the Christian Life. Alive tot the Beauty of God (Wheaton: Crossway, 2014), pb. 207 pp., $18,99 (ISBN 978-1-4335-3505-5)
In de serie ‘The Theologians on the Christian Life’ schreef Dane C. Ortlund een deeltje over Jonathan Edwards. Ortlund onderstreept het diepe inzicht van Edwards in de natuur van het christelijke leven. Vanuit dit gezichtspunt is zijn boekje een goede introductie tot de theologie van Jonathan Edwards. 
Edwards leerde heel nadrukkelijk de rechtvaardiging door het geloof alleen. Toch staat deze boodschap bij hem niet zo cen-traal als bij Luther. Alle nadruk valt bij hem op de gevoelvolle omgang met God. Daarbij heeft Edwards heel sterk onder-streept dat door Gods Geest gewerkte gevoelens ons gelijk-vormig maken aan Hem in Wie wij ons verheugen en Wie wij dienen.

donderdag 2 maart 2017

De gekruisigde Christus. De betekenis van de verzoening

Donald Macleod was van 1978 tot 2011 als hoogleraar systema-tische theologie aan het Free Church College te Edinburgh ver-bonden. Na zijn emeritaat schreef hij een uiterst belangrijke studie over de verzoening. Het is een voorbeeld van een geslaagde syn-these van een bijbels-theo­lo­gische en systematische benadering. Dat maakt dit werk bijzonder belangwekkend.
Macleod onderstreept dat de Kerk der eeuwen beginnend met de kerkvaders de verlossende betekenis van het kruis van Christus heeft beleden en geproclameerd. Als het gaat om het antwoord op de vraag wat het verlossend werk van Christus aan het kruis inhoudt, begint Macleod met de plaatsvervanging. Terecht bestrijdt MacLeod de opvatting dat de gedachte van plaats-vervanging pas bij Anselmus of Luther zou zijn te vinden. We vinden die immers al in de Vroege Kerk, onder andere bij de kerkvader Athanasius.
Macleod had hier ook nog naar de Brief aan Diognetes kunnen verwijzen. Een zeer belangrijke aan­wijzing in het Nieuwe Testa­ment zelf dat de kruisdood van Jezus plaatsvervangend is, is het feit dat deze als offer kan worden getypeerd. Niet alleen het voor-zetsel anti in Markus 10:45 maar ook het voorzetsel huper in 1 Timotheüs 2:6 wijzen erop dat de kruisdood van Jezus een plaats­ver­vangende losprijs was. Zonder de notie van plaatsvervanging blijft de betekenis van het kruis van Christus onbegrij­pe­lijk.
Tegelijkertijd stelt Macleod dat de plaatsvervanging niet de volle-dige verklaring van de betekenis van het kruis is. Het kruis bevrijdt ons ook van de macht van de zonde en van de satan. De hele lijdensgang van Christus en in het bijzonder Zijn dood aan het kruis is een daad van gehoorzaamheid. Het kruis als offer en daad van gehoorzaamheid is de grond van toegang tot God en van de rechtvaardiging. 
De vijandschap die door het kruis werd weg­ge­nomen, is niet alleen de vijandschap van de mens ten opzichte van God, maar ook de toorn van God ten opzichte van de mens. Door het kruis maakt Gods toorn plaats voor vrede. Daarbij dienen we altijd te bedenken dat Degene op Wie de verzoening is gericht, Zelf tot de weg van verzoe­ning heeft besloten, aldus Macleod.
De Engelse taal biedt de mogelijkheid om bij het woord hilastèrion in Romeinen 3:25 zowel expiation als propitiation als vertaling te kiezen. Omdat met het woord hilastèrion ook op het verzoen-deksel wordt gezinspeeld, geeft MacLeod de voorkeur aan expiation zonder dat hij wil af­doen aan de notie van het weg-nemen van Gods toorn. Zelf prefereer ik de omgekeerde keuze, omdat propitiation expiation insluit, terwijl het omgekeerde niet het geval is.
MacLeod meent dat de vraag voor wie Christus stierf teveel aan-dacht kan krijgen. Toch houdt hij vast aan de particuliere ver-zoening. Het Nieuwe Testament maakt namelijk duidelijk dat Jezus met Zijn kruisdood meer dan de mogelijkheid van zaligheid tot stand bracht. Het kruis van Christus is de daadwerkelijke grond van de zaligheid.
Wie dat vasthoudt, moet het particuliere karakter van de ver-zoening onderkennen. De algemene verzoening doet ook geen recht aan het coherente karakter van het verlossende handelen van de Drie-enige God. De verkiezing door de Vader, het kruis van Christus en het toe-eigenende werk van de Heilige Geest hebben dezelfde strekking.
MacLeod meent dat wij sprekend over het kruis van Christus ook over het lijden van de Vader kunnen spreken. Hij beroept zich op het feit dat een vader meelijdt als een zoon lijdt. Echter, in het Nieuwe Testament wordt deze gedachte nergens zo verwoord. Hier spreekt hij al te men­selijk over God. Wie het lijden ook op de Vader betrekt, doet af van de betekenis en het wonder van de incarnatie. Laten wij met de Vroege Kerk vasthouden aan de ver-woording dat Hij Die niet lijden kon toch geleden heeft.
Ik val Macleod bij in zijn kritiek op de negentiende-eeuwse Schotse theoloog John MacLeod Campbell. De laatste stelde dat niet alleen Gods liefde, maar ook Gods vergeving universeel is. Het kruis is voor hem niet de grond van de verzoening, maar de openbaring van Gods vaderlijke liefde. 
Wij kunnen slechts verloren gaan door de vergeving waarin wij reeds delen af te wijzen. Campbell wees de gedachte van ver-zoening door vol­doening af. Zonder de uit­drukking te gebruiken, is zijn zienswijze dat Christus plaatsvervangend berouw heeft ge­toond.
De gebroeders Torrance waren beiden vurige bewonderaars van Campbell. Christus is voor hen de representatieve Mens in Wie de gehele mensheid heeft geleden. Niet toevallig is dat de gebroeders Torrance de theologie van Barth in Schotland hebben gepropageerd. De waar­derende woorden die Macleod aan Barth wijdt, staan op gespannen voet met het feit dat Barth, hoewel hij gebruik maakt van orthodoxe formuleringen, met zijn conclusies heel dicht Campbell nadert.

Donald Macleod, Christ Crucified: Understanding Atonement (IVP, Nottingham 2014), 272 p, £16,99 (ISBN 9781783591015)

dinsdag 28 februari 2017

Het Evangelie naar Lukas, Pillar New Testament Commentary

In de serie Pillar New Testament Commentary verscheen een tweede commentaar van de hand van James R. Edwards, hoog-leraar theologie aan de Whitworth University, Spokane, Washing-ton. De eerste commentaar was op Marcus en de tweede op Lucas. Evenals het deel op Marcus heeft dit deel een hoog niveau. Aan de commentaar op de tekst gaat een ruim twintig pa­gina’s tellende inleiding vooraf. Daarnaast bevat dit deel een aantal excursen.
In de inleiding stelt Edwards het verschil aan de orde tussen Paulus zoals wij die kennen uit zijn brieven en Paulus zoals Lukas hem in het boek Handelingen tekent. Hij merkt terecht op dat we Paulus uit zijn brieven als theoloog leren kennen en vanuit het boek Handelingen als stichter van gemeenten en herder. Die twee perspectieven vallen niet samen, maar sluiten elkaar niet uit. 
Edwards volgt de kerkelijke traditie dat Lukas, de metgezel van Paulus, het derde evangelie en het boek Handelingen heeft geschreven. In zijn uitleg wijst hij op de soms opmerkelijke over-eenkomsten in taal, thema’s en theologische accenten tussen Lukas en Paulus. Ik noteer wel dat Edwards nalaat te wijzen op de parallel tussen Lukas 15:24 en Efeziërs 2.
Vrij algemeen aanvaard is de gedachte dat Lukas een proseliet was. Kolossenzen 4:10-11 lijkt ook in die richting te wijzen. In deze verzen worden de namen genoemd van medewerkers die even­als Paulus Jood zijn. Edwards bestrijdt echter dat de mede-werkers die in Kolossenzen 4:12-14 worden genoemd, onder wie Lukas, zondermeer heidenen zouden moeten zijn. 
Zelf neig ik meer dan hij toch in die richting. Feit is wel dat Origenes, Ephraim de Syriër, en Epi­pha­nius ervan uitgingen dat Lukas een Jood was. Epiphanius identificeert hem met een van de zeventig Joden die door Jezus werden uitgezonden. 
Waar ik Edwards zonder reserve in bijval is dat wij niet kunnen stellen dat Lukas primair de focus richt op de volkerenwereld. Hij laat met tal van argumenten zien dat Jezus voor Lukas allereerst de vervulling is van Gods voor­zienige leiding in de geschiedenis van Israël. Ik zou daaraan toevoegen een vervulling die in over-eenstemming met oudtestamentische profetieën wordt uit-gebreid naar de heidenen.
Als het gaat om de bronnen van Lukas noemt Edwards allereerst Markus. In overeenstem­ming met de visie van de overgrote meerderheid van nieuwtestamentici stelt hij dat Markus het oudste bestaande evangelie is. Nu hoeven wij niet altijd een meerderheid te volgen, maar ook mij lijkt deze zienswijze toch de meest waarschijnlijke. 
Als tweede bron gaat Edwards uit van een Hebreeuwse tekst. Zo verklaart hij het zeer hoge aantal semitismen in de tekst die alleen bij Lukas voorkomt. Hij wijst de verklaring af dat Lukas zelf welbewust in de stijl van de Septuaginta schreef. Sommige semi-tismen komen namelijk in het geheel niet in de Sep­tua­ginta voor en andere te weinig om van een patroon van imitatie te spreken. Ik zou hier van een zeer aantrekkelijke hypothese willen spreken.
Als derde bron noemt Edwards niet Q maar gebruikt hij de naam ‘Double Tradition’, dat wil zeg­gen: het tekstmateriaal dat Lukas en Mattheüs gemeenschappelijk hebben. Van Q wordt aan­genomen dat deze bron uitsluitend uitspraken van Jezus heeft bevat. 
Echter Lukas en Mattheüs hebben 175 verzen gemeenschappelijk die een verhalend karakter hebben. In ieder geval een ervan (Luk. 22:62) komt voor in de lijdensgeschiedenis. Edwards gaat ervan uit dat de ‘Double Tradition’ een min of meer compleet evangelie was met uitspraken en geschie­denissen, waaronder de lijdensge-schiedenis.
Daarnaast zijn er geen concrete aanwijzingen dat er in de aller-vroegste kerk een schriftelijk docu­ment is geweest dat louter uitspraken van Jezus bevatte. Het evangelie van Thomas be­staat weliswaar louter uit uitspraken van Jezus, maar dat geschrift is van later datum dan de vier in de canon opgenomen evangeliën en is nooit door enig deel van de apostolische kerk als canoniek aanvaard. 
Naar mij dunkt, zijn dit valide argumenten. De enige vraag die overblijft, is: Waarom is in de lijdensgeschiedenis dan niet meer de ‘Double Tradition’ gevolgd? Het kan echter ook zo zijn dat de ‘Double Tradition’ hier met Marcus overeen­stemde.
Waarom lezen we in Lukas dat de hoofdman, toen Jezus aan het kruis stierf, betuigde: ‘Deze mens was rechtvaardig’ (Luk. 23:47), terwijl wij in Mattheüs en Markus lezen dat hij beleed: ‘Deze mens was Gods zoon’ (Mat. 27:54; Mark. 15:39)? Elders in het evan-gelie naar Lukas wordt Jezus wel de zoon van God genoemd. De gedachte dat Lukas onjuiste gedachten zou hebben willen ver-mijden die deze uitdrukking zou kunnen oproepen bij helle-nistische lezers, is dan ook onbevredigend. 
Edwards zoekt het antwoord in Lukas 22:37. Jezus is naar Jesaja 53 de rechtvaardige Knecht van de Heere, Die voor onrecht-vaardigen lijdt. Ik merk op dat dit op een eigen wijze de plaats-vervangende betekenis van het kruis onderstreept. Het moge duidelijk zijn dat het commentaar van Edwards een waardevolle aanvulling is op bestaande commentaren op het derde evangelie.

James R. Edwards, The Gospel according to Luke, PNTC (Grand Rapids/Nottingham: Eerdmans Publishing Co./Apollos, 2015), 831 p., $65,00 (ISBN 9780802837356).


dinsdag 21 februari 2017

An Introduction to one of England's Greatest Theologians

John Owen (1613-1683) is rightly regarded as one of the greatest theologians Britain ever produced. A.F Mitchell said that he was a genius and learning only se­cond to Cal­vin. In him we see the not atypical combination of fervent puritan piety and reformed ortho-doxy that uses scholastic terminology to clarify the message of the gospel. The last decennia we have seen a revival in Owen studies. The past years quite a number of doctoral dissertations have been defended in which attention was drawn to one of the aspects of Owen’s theology.
Ashgate Publishing can be congratulated that she published a companion to Owen’s theology. The articles are written by an international group of leading Owen scholars. This much needed volume explores key questions related to Owen’s method, theology and pastoral practice.
The first article is written by Ryan Kelly. He explores Owen’s con-tribution to theological codification during the Protectorate. During these years Owen stood in very close contact to highest governors of the country and especially Oliver Cromwell, the Protector himself. Because of the connecting between church and government theological codification had always political aspects. John Coffey asks attention for Owen’s view on toleration. 
Owen cannot be seen as a defender of toleration in the modern sense, but in the British context of the middle of the seventeenth century his ideas were quite progressive. Owen wanted a national Reformed church, but everyone who could not join for sake of conscience this church ought to be given religious freedom when he agreed to the fundamentals of the Reformed faith. 
Unitarians and Socianians were excluded from toleration because of their heterodox views. The reason that Roman Catholics were not allowed to take profit of toleration was not only religious but also political. They were seen as a danger for the freedom of Britain from papal Rome which claimed sovereignty over the princes of Europe.
Especially helpful I found the article by Susan McDonald on Owen’s view on the beatific vision of God in eternal glory. She shows that Owen paid more attention to beatific vision than generally was done in Reformed theology. He differs significantly from the leading medieval theologian Thomas Aquinas. Owen speaks much more Christ-centered than Thomas. Owen states in Meditations and Discourses on the Glory of Christ that the blessed and blessing sight of God which we have in eternal glory will be always in the face of Jesus Christ.
Without denying the value of the other articles I finally point to the article of Robert Letham on Owen’s doctrine of the trinity in its Catholic context. In his unfolding the doctrine of the trinity Owen closely followed Augustine, the greatest church father of the West. Just as Augustine he can define the Holy Spirit as the band of love between Father and the Son. 
In agreement with Western theologian Owen has defended the filioque. The Spirit not only proceeds from the Father but also from the Son. We can never separated the work of the Spirit from the work of the Son. The filioque secures the Christ centered character of Owen’s theology.
Letham rightly says that differences between Owen and the church fathers of the East and especially the Cappadocians are quite often exaggerated. Having said that, we must still admit that Augustine emphasized more the unity within the trinity and the Cappadocians more the trinity in the unity. 
Owen is in his focus on the three persons more characteristic of the East. In Of Communion with God the Father, Son and Holy Ghost he states that we have distinctly communion with each of the three divine persons. Owen is very important here making clear for us the great relevance of the doctrine of the trinity for Christian piety.
For everyone interested in Owen I can heartily recommend The Ashgate Research Companion to John Owen’s theology. This col-lection of well-informed interpretative essays provides an excellent guide to the range of his thought.

Kelly M. Kapic and Mark Jones, The Ashgate Research Companion to John Owen’s theology (Farnham, UK: Ashgate Publishing, 2012), hb. 334 p. price £25,--. (ISBN 9781409434887) 

donderdag 16 februari 2017

A praiseworthy commentary on Acts

In the series Zondervan Exegetical Commentary on the New Testament Eckhard J. Schnabel, distinguished professor of New Testament Studies at Gordon-Conwell Theological Seminary, wrote a commentary on Acts. In this series each contributor treats the literary context and structure of the passage in the original Greek and provides an original translation based on the literary structure. In the explanation that follows Greek word are place between brackets. A quite unique feature of this series is that is both useful for pastors and students who know Greek and those who do not have a workable knowledge of it.
The explanation of a passage of followed by theology in application. In this section attention is paid for the relevance of the passage for today. In this way we find in this commentary the classic conviction that application of Scripture is a part of the explanation because the Scripture is not just a voice from the past, but the voice of the living God. Inspiration has not just to do with the origin of Scripture, namely that the words written down by the writers of the books of the Bible are the words of the Holy Spirit, inspiration is also a remaining quality of the Bible.
Schnabel has a high view of the historical reliability of Acts. With regard to the date of Paul’s letter to the Galatians, he prefers an early dating before the Apostle Convent. Doing that it is easier to understand the connection between what Paul narrates in Galatians and Luke in Acts. Schnabel shows the origin and extension movement of the followers of Jesus or the Christian Church is in Acts portrayed as the fulfillment of the Old Testament of the prophecies of the outpouring of the Holy Spirit and the restoration of Israel connected with it. Gentiles are incorporated in the community without having to conform to the Mosaic legislation.
I agree with Schnabel that the best way to understand the regulations of the Apostle Convent in terms of the regulations in Lev 17-18 for Gentiles who live in Israel as resident aliens. Under the new dispensation these rules must be followed for Gentiles who belong to the Church so that Jews and Gentiles can peacefully live together in the Christian Church.
Schabel underlines that Acts teaches us God through Jesus as the exalted Messiah grants to presence of the Holy Spirit. The second volume written by Luke has as content the acts of the exalted Messiah through the Spirit outpoured by Him. Apostles and evangelists are the means used by Christ and His Spirit. In the first part of Acts Peter stands in the centre and in the second part – even more than Peter in the first – Paul.
Only once (Acts 14:4) Paul - together with Barnabbas - is called an apostle by Luke. To explain this phenomenon Schnabel points to the fact Luke is the only evangelist who traces the designation of the Twelve as ‘apostles’ to Jesus Himself (Luke 6:13).He evidently wanted to be consistent and use as much as possible that term for the Twelve only. Luke surely has known that Paul had to insist on his right to be called an apostle, yet he did not use the second volume of his work to bolster Paul’s apostolic credentials. Paul and Barnabbas are called apostles in Acts14:4 because that have been send out by the risen Lord, the church of Jerusalem and the church of Antioch.
In find the commentary of Schnabel both a reliable, very readable and useful commentary also for pastors and students who do not know Greek. Besides the points I already highlighted I want to direct your attention to the fact that the commentary of Schnabel helps us to realize – perhaps better than before – that the Holy Spirit is the Originator of the Christian church and He is the transforming power of the new community of believers. That men are becoming believers and transformed to the image of Christ is finally God’s work or the work of the Lord Jesus Christ through His Spirit.
Luke shows us that nothing can hinder the progress of the gospel. The history of the church is the heart of the history of the word. Although the cano­nical period is closed, the same remains true until the end of history, when finally already predestinated to life are brought to faith in Jesus Christ.

Eckhard J. Schnabel, Acts, Zondervan Exegetical Commentary on the New Testament (Grand Rapids: Zondervan, 2012), hardcover 1161 pp., price $59,99. (ISBN 978-0-310-24367-0)

donderdag 9 februari 2017

Het blijvende gezag van de Schrift

Als jong theoloog redigeerde Donald Carson samen met John Woodbridge een tweetal bun­dels over Schriftgezag en herme-neutiek. De bijdragen in deze bundels zijn nog altijd het lezen waard. Carson zelf is bij zijn overtuiging gebleven dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God is.
Echter er zijn naast de vragen die in de jaren tachtig van de vorige eeuw speelden nieuwe vragen met betrekking tot het gezag van de Schrift gekomen. Of er zijn oudere vragen te­rug-gekeerd. We kunnen dan denken aan de these dat het oorspronkelijke christendom heel divers was en de (proto)-orthodoxie van latere datum.
Onder redactie van Carson verscheen vorig jaar bij Eerdmans een zeer omvangrijke studie over het blijvende gezag van de Schrift. Meerdere medewerkers van de bundels over het Schrift­gezag en de hermeneutiek uit de ja­ren tachtig van de vorige eeuw gaven opnieuw hun medewerking. Onder hen is ook John Woodbridge. Daarnaast zien we tal van nieuwe na­men. Naast nieuwe vragen geldt, zoals Carson zelf terecht in het woord vooraf op­merkt, dat een nieu­we generatie Bijbelwetenschappers, dog­matici en kerk-historici zich de ar­gu­­men­ten voor het volstrekte gezag van de Schrift inner­lijk moet eigen maken.
The Enduring Authority of the Christian Scriptures is zo om-vangrijk dat het volstrekt onmoge­lijk is om in een niet al te omvangrijke recensie alle bijdragen ook meer enigszins recht te doen. Ik licht er een aantal uit. Allereerst is dat de bijdrage over de visie van de negentiende-eeuwse theologen verbonden aan Princeton Theological Seminary op het Schriftgezag.
Mede met behulp van de Schotse Common Sense Philosophy die toen het heersende weten­schappelijk paradigma in de Verenigde Staten was, hebben de negentiende-eeuwse Prince­ton theologen het objectieve gezag van de Schrift verdedigd. De Schrift is geen neer­slag van menselijke ervaringen, maar in mensenwoorden maakt God Zichzelf aan ons be­kend.
Zij konden een vergelijking maken tussen de wijze waarop een natuurweten­schapper de data verwerkt en die waarop een theo-loog dat doet met de Bijbelse gegevens. Bradley N. Seeman geeft aan dat deze vergelijking niet geheel gelukkig is. Zij doet geen recht aan het pri­maat van de Schrift boven theologische formu-leringen. Seeman brengt wel heel terecht naar voren dat wij niet moeten vergeten in welke context deze vergelijking wordt ge­maakt.
Naast de objectieve betekenis van de Bijbelse openbaring gaat het deze theologen om een zeer gron­dige exegese. Alleen op basis daarvan mogen wij uitspraken doen. Daarbij komt nog dat de Princeton theologen zelf uitdrukkelijk aangaven dat we alleen in geloof tot de diepste kern van de Schrift komen. Deze geloofs-houding is in de natuurwetenschap niet nodig. Meer dan sommige critici waar willen hebben, waren zij overtuigd van het belang van de verlichting en vernieuwing door de Heilige Geest.
De belijdenis van het objectieve gezag van de Schrift wordt nog al eens als funderings­den­ken afgedaan. Dat denken wordt dan negatief gewaardeerd. In meerdere bijdragen komt het funde-ringsdenken ter sprake. Dat geldt onder andere voor die van Osvaldo Padilla over ‘Postconservative theologians and Scriptural Authority’ en die van R. Scott Smith over ‘Non-Foundational Epi-stemologies and the Truth of Scripture.’ In beide bijdragen komt naar voren dat volstrekte verwerping van het fun-deringsdenken er toe leidt dat de Bijbel niet meer als bron van Godskennis kan worden gezien. Die opvatting is echter klassiek en ontstond niet pas ten tijde van de Verlichting.
Wat wij vanaf de Verlichting zien, is dat tegen de heersende trend in toch de overtuiging blijft bestaan dat de boodschap van de Schrift ook een kenniselement heeft. Postconservatieve theo-logen menen dat God Zijn wil in een samenspel van de Schrift, de kerk en de cultuur openbaart met Zijn Zelfopenbaring in Christus als norm. Echter wie dat laatste concreet wil invullen, moet toch het kenniselement van de Bijbelse openbaring – hoe minimaal ook – een plaats geven zonder dat men die plaats echt kan fun­deren.
Smith pleit voor een gematigde vorm van funderingsdenken. Ons verstaan van de Bijbelse waarheid moeten we niet gelijk stellen aan die waarheid zelf. Wij kennen ten dele en lopen het gevaar de Bijbelse boodschap fout te verstaan. Wij mogen het getuigenis van de kerk der eeuwen niet negeren bij ons pogen de Schrift te verstaan. Wel mogen en moeten we uitgaan van het objectieve bestaan van God. Hij spreekt in relatie daarmee over metafysisch rea­lisme. Het objectieve bestaan van God en het feit dat Zijn openbaring in de Schrift ook een objectief kenniselement bevat, zijn met elkaar verbonden.
Het christelijke geloof is gebaseerd op publieke, historische feiten. Het is belang om daarom datgene wat de Schrift als historisch aandient ook zo te aanvaarden. Bijbelse geschied­schrij­ving heeft wel een focus maar is echte geschiedschrijving. De bijdrage over weten­schap en Schrift van Kirsten Birkett is informatief, maar vind ik te algemeen blijven.
Nogmaals bena­druk ik dat The Enduring Authority of the Christian Scriptures meer en zelfs veel meer biedt dan datgene wat in deze recensie wordt besproken. Ik stip even aan dat in een aantal bij­dra­gen aandacht wordt gevraagd voor de status en betekenis van heilige ge­schriften in andere religies. Ik meen dat het om een zeer waardevolle bundel gaat.

D.A. Carson (red.) The Enduring Authority of the Christian Scriptures (Grand Rapids, MI: Eerdmans, 2016), 1240 p, $65,-- (ISBN 9780802865762).

dinsdag 7 februari 2017

Een waardevol commentaar op de brief aan de Galaten

In de serie Baker Exegetical Commentary on the New Testament verscheen een uitleg van de brief aan de Galaten van Douglas J. Moo. Moo heeft al meerdere commentaren op brieven van Paulus op zijn naam staan en schreef samen met Donald Carson een zeer instructieve inleiding op het Nieuwe Testament. 
Voor de uitleg van de brief aan de Galaten maakt het niet uit of je die wat vroeger of wat later dateert. Wie de brief aan de Galaten met het boek Han­delingen vergelijkt, komt tot de conclusie dat deze twee het beste te harmoniseren zijn bij een datering nog vóór het apostelconvent.
Dat betekent dat de brief niet aan de ethische Galaten is gericht, maar aan de inwoners van steden in het zuiden van de provincie van Galatië, die Paulus bij zijn eerste zendingsreis bezocht. Moo heeft een lichte voorkeur voor vroege datering. Wie meent dat de brief aan de ethische Galaten is gericht, moet er ook van uitgaan dat Paulus hier afweek van zijn gebrui­ke­lijke strategie om grote bevolkingscentra, gelegen op belangrijke handelsroutes, het Evangelie te prediken.
Met grote instemming nam ik kennis van de visie van Moo dat het feit dat de brief aan de Galaten in een bepaalde historische context is geschreven, niet betekent dat er geen algemene principes onderliggen. Moo gaat niet mee met het nieuwe perspectief op Paulus. Daarbij worden de ecclesiologie en de voortgang van de heilsgeschiedenis als de kern van de bood-schap van de rechtvaardiging gezien.
Paulus maakt echter duidelijk dat de wet als zodanig – zonder dat wij dit kunnen beperken tot bepaalde aspecten ervan – ons niet in staat is te verlossen. Paulus stelt ‘doen’ en ‘geloven in Jezus Christus’ tegenover elkaar. Terecht stelt Moo dat de fundamentele zaak die in de brief aan de Galaten aan de orde komt, niet is: ‘Wat is er verkeerd aan de wet?’, maar ‘Wat is er verkeerd met de mensheid dat de wet niet in staat is de mens te verlossen?’
In oudere commentaren wordt vaak te weinig aandacht geschon-ken aan de grote betekenis van de Geest in de brief aan de Galaten. Aan het geloven van de boodschap van het Evangelie is, zo betoogt Paulus aan het begin van Galaten 3, het ontvangen van de Geest verbonden. In de nieuwtestamentische gemeente van Christus vinden de oudtestamentische beloften van de uitstorting van de Heilige Geest hun vervulling.
Het werk van de Heilige Geest in de vernieuwing van gelovigen komt naar voren in Gal. 5:13-6:10. Dan wordt duidelijk –wat Paulus nog breder in de brief aan de Romeinen naar voren laat komen – dat over de wet niet alleen in negatieve zin moet worden gespro-ken. In de vernieuwing door de Geest wordt de wet vervuld. Zelf zou ik er nog uitdrukkelijk op willen wijzen dat Paulus als hij in positieve zin over de wet spreekt nooit het werkwoord ‘doen’ gebruikt.
Moo betwist dat ‘de wet van Christus’ waarover Paulus schrijft in Gal. 6:2 de oudtestamen­tische wet is die in Christus haar vervulling vond. Hij zegt dat het gaat om de ethische leiding die aan gelovigen wordt gegeven, gefundeerd op het onderwijs van Jezus en van Zijn aposte­len.
Mijn vraag is of dit wel een tegenstelling is. Immers in het onderwijs van Jezus Christus en Zijn apostelen hebben de tien geboden een grote plaats. In het Oude Testament staan die al in het kader van de uittocht. In het Nieuwe Testament mogen zij geplaatst worden in het kader van de nieuwe uittocht gerealiseerd in de kruisdood en opstanding van Jezus Christus.
Als het gaat om de uitdrukking pistis tou Christou is de vraag of het hier om ‘het geloof in Christus’ of ‘de trouw van Christus gaat’. Is tou Christou een genitivus objectivus, zoals de eeuwen door is gesteld, of een genitivus sub­jectivus? Terecht stelt Moo dat deze vraag op grammaticale en linguïstische gronden niet te beant-woorden valt. De vraag moet beantwoord worden vanuit het geheel van Paulus’ theologie.
De reden dat de laatste verklaring zo populair is geworden is dan ook een theologische. In de brieven van Paulus heeft de tegen-stelling tus­sen ‘geloven’ en ‘doen’ een grote plaats’. Dan is het heel moeilijk voorstelbaar dat de uit­drukking pistis tou Christou niet in dat licht moet worden verstaan. De keuze voor de gene-tivus subjectivus pleegt nogal eens ingegeven te zijn door een theologie die de noodzaak van persoonlijk geloof minimaliseert.
Als het gaat om Gal. 5:17 zou ik expliciet een verbinding willen zien met Rom. 7:4v. Zeker is wel dat het ontvangen van de Heilige Geest de gelovigen in een nieuwe relatie tot het vlees en de zonde stelt. Een christen is niet in het vlees en leeft niet onder de macht van de zonde, maar moet wel geleid door de Geest tegen de zonde en het vlees strijden. Samenvattend: Moo schreef een waardevol commentaar waarvan veel valt te leren.

Douglas J. Moo, Galatians, BECNT (Grand Rapids: Baker Academic, 2013), 469 p., $44,99 (ISBN 9780801027543)

donderdag 2 februari 2017

Het gezag van de Schrift. De onderlinge samenhang van de sola's van de Reformatie

In onze tijd komt ook in protestantse kring de vraag naar voren of wij nog wel uit­komen met het sola scriptura van de Refor-matie. Leert het postmodernisme ons niet dat een beroep op een tekst – en in dit geval op de tekst van de Schrift – niet alleen iets zegt over die tekst maar ook over degene die zich erop beroept. Is de gedachte dat de Schrift een objectieve inhoud heeft geen fictie of met een andere insteek: getuigt dit niet van een rationalistische visie die op een ongeoorloofde wijze ervan uitgaat dat het kenmerkende van de Schrift is dat zij een kennis­inhoud heeft?!
Biblical Authority after Babel van de begaafde Amerikaanse theoloog Kevin J. VanHoozer, onderzoekshoogleraar systema-tische theologie aan Trinity Evange­lical Divinity School, heeft deze vragen als achtergrond. Nadrukkelijk wenst VanHoozer vast te houden aan het feit dat de Schrift objectieve kennis schenkt. Hij bestrijdt dat dit standpunt van ratio­na­lisme getuigt. Wie het afwijst, blijkt aan het geloof – hoe summier ook – toch een kennis­inhoud te geven. Alleen func­tioneert de Schrift niet als uiteindelijke norm van de kennisinhoud van het geloof.
Uitdrukkelijk gaat VanHoozer in op het van rooms-katholieke zijde meer dan eens geuite bezwaar dat de Reformatie de secu-larisatie en het epistemologisch scepti­cisme heeft be­vor­derd en aanleiding heeft gegeven tot een diepgaande verbrok­ke­ling van de chris­te­lijke kerk. Temeer omdat steeds meer protestantse theologen van deze argumen­ten onder de indruk blijken te zijn. Hoe komt het dat het sola scriptura van de Reformatie binnen het pro­testantisme niet tot een breed ge­deelde gezamenlijke uitleg van de Bijbelse bood­schap heeft geleid?
VanHoozer brengt terecht naar voren dat het sola scriptura niet los moet worden ge­maakt van de andere solas van de Refor-matie. Wie werkelijk sola scriptura belijdt, weet ook van zalig worden door genade alleen, van Christus als enige Middelaar, van het geloof als het enige middel dat ons deel geeft aan Christus en Zijn ge­rechtigheid en van het feit dat het in dit alles om de eer van God alleen gaat.
Ondanks het feit dat de Reformatie verbrokkeld is geraakt, blijkt er over de grenzen van kerkverbanden toch tussen klassieke protestanten meer eenheid te zijn dan in eerste instantie zichttbaar is: een eenheid van geloof. Zoals christen-en elkaar moeten dienen in het leren kennen en verheerlijken van God geldt dat ook voor kerkverbanden en plaat­se­lijke gemeenten.
Met een zinspeling op Lewis stelt VanHoozer dat onversneden (mere) protestants chris­ten­dom een katholiek christendom is, gestempeld door de Reformatie. Naar zijn diepe overtuiging is Rome niet echt katholiek. Rome gaat zonder dat er nog een uiteindelijke toetsing aan de Schrift mogelijk is, uit van de juistheid van haar verstaan van het Evan­ge­lie. Vaticanum II betekende in allerlei opzichten een vernieuwing van Rome. Het was ech­ter geen terugkeer naar het Evangelie.
Vol­gens Vaticanum II wordt genade niet alleen via de sacra-menten, maar via de gehele gescha­pen werkelijkheid meege-deeld. Dat de genade ingebouwd is in de geschapen wer­kelijkheid staat haaks niet alleen op de boodschap van de Reformatie maar ook op het Bijbelse getuigenis. Juist Vaticanum II laat de actualiteit en relevantie van sola scriptura zien.
Aansluitend bij de Anglicaanse Australische nieuwtestamen-ticus Greame Golds­worthy stelt VanHoozer dat het beginsel van geloof alleen wijst op de onto­log­ische onbekwaam­heid van de zon­daar terug te keren tot God en op het epistemo­logische en soteriolo­gische pri­maat van de Heilige Geest. Tegen het post­moderne hermeneutische relativisme stelt VanHoozer dat objectieve kennis van de Bijbelse boodschap het doel van het gelovig onderzoek van de Schrift blijft.
Hij wijst af dat de uitleg van de Schrift onlosmakelijk is ver-bonden met de geloofs­ge­meenschap waartoe wij behoren, en wij daar nooit boven uit kunnen stijgen. Juist Luther is hiervan het klassieke tegenvoorbeeld. Met instemming las ik hoe VanHoozer wijst op de betekenis van de inzichten van Alvin Plantiga bij het onderbouwen van de notie dat de Schrift niet alleen objectieve inhoud heeft, maar wij die inhoud ook kunnen kennen.
Sola scriptura betekent dat de Bijbel de uiteindelijke norm (norma normans) is,  maar niet dat zij de enige norm is. Er zijn van de Schrift afgeleide normen (normae normatae) die wij niet mogen verwaarlozen. Negatie van de betekenis van de kerk-geschiedenis – juist ook voor de uitleg van de Schrift – is strijdig met het katholieke karakter van het chris­te­lijke geloof. Wie de Kerk der eeuwen vervangt door het protestantse indi-vidu sluit zich af voor de rijkdom van de Kerk der eeuwen en maakt protestanten juist zo ontvankelijk voor Rome. 
Kort samengevat komt de studie van VanHoozer neer op een pleidooi voor protestants ge­stem­pelde katholiciteit, waarbij het sola scriptura de enige uitein­delijke norm is, maar wel een norm die gehanteerd wordt smekend om de ver­lichting door de Heilige Geest. En die verdisconteert dat wij niet de eersten zijn die de Schrift lezen en dat de Heilige Geest ook aan vorige generaties wijsheid schonk. Het grote verschil met Rome blijft dat de tradi­tie geen heersende (magisterial) maar dienende (mini­sterial) taak en plaats heeft bij de uitleg van de Schrift en het verstaan van het Evangelie.

Kevin J. VanHoozer, Biblical Authority. Retrieving the Solas in the Spirit of Mere Pro­tes­tant Christianity, Brazos Press, Grand Rapids, MI 2016; ISBN 9781587433931; xii + 269 pp., prijs $21,99.