zaterdag 26 augustus 2017

Wat zijn de wortels van de nieuwtestamentische rustdag?

Al een aantal malen bereikte mij de laatste tijd de vraag hoe het ligt met de eerste dag van de week als rustdag. De eeuwen door heeft de christelijke kerk haar samenkomsten op de eerste dag van de week gehouden. Echter, hoe verhoudt zich dat met het oudtestamentische gebod om na zes dagen van arbeid op de zevende dag van de week te rusten?
Een vragensteller had horen beweren dat de eerste dag van de week als rustdag pas na een paar eeuwen in de kerk zou zijn opgekomen. Constantijn de Grote, de eerste christelijke keizer van het Romeinse rijk zou hiervoor verantwoordelijk zijn ge-weest. Zij die zo denken, menen dat de Reformatie op een aantal punten niet radicaal genoeg zou zijn geweest.
Echter, Constantijn was de eerste christelijke keizer van het Romeinse rijk. Hij liet als eerste wetten uitvaardigen om de eerste dag van de week als rustdag te houden. Dat betekent echter niet dat pas onder Constantijn de christenen de eerste dag van de week als dag van samen­komst gingen houden.
De wortels daarvan liggen al in de apostolische tijd. Omdat de Heere Jezus Christus op de eerste dag van de week opstond, hadden christenen op deze dag hun onderlinge bijeenkomsten. Waar dat mogelijk was, gingen Joodse christenen op de laatste dag van de week ook naar de synagoge. Echter, naar mate de tijd voortging groeiden kerk en syna­goge steeds verder uiteen. De eerste dag van de week bleef als dag van samenkomst over.
In de eerste brief van Paulus aan de gemeente van Korinthe wordt duidelijk dat de apostel van deze praktijk uitgaat. In Openbaring 1:10 wordt de eerste dag van de week ‘’de dag van de Heere’ genoemd. Bij de woorden ‘van de Heere’ staat in het Grieks geen zelfstandig naamwoord. Dat is wel het geval als het om de dag van de Heere als de laatste dag gaat. Hier staat een bijvoeglijk naamwoord. Het gaat om die dag van de week die met de Heere Jezus Christus is verbonden en dat is de eerste dag.
Volgens het Nieuwe Testament hebben Joodse christenen de vrijheid zich aan de mozaïsche wetgeving te houden. Christenen uit de heidenen leidt het alleen maar af van de kern van het Evangelie, namelijk dat Christus ons verlost van de vloek van de wet. Zowel in de brief die hij schreef aan de gemeente van Colosse als in die aan de Galaten brengt de apostel Paulus naar voren dat heidenchristenen die zich aan de mozaïsche wetgeving (sabbat, oudtestamentisch cul­tisch jaar, spijswetten) houden, daarmee aangeven dat zij de kracht van het Evangelie niet kennen.
Nu in onze tijd meerdere christenen voor de zevende dag als rustdag gaan pleiten, krijgen deze brieven op dit punt een nieuwe actualiteit. Soms wordt het argument gebruikt dat wij op deze manier gemakkelijker ingangen bij het Joodse volk voor het Evangelie krijgen. Echter, rabbijnen stellen dat helemaal niet op prijs dat niet-Joden de zevende dag als rustdag houden. Dat is volgens hen een voorrecht dat alleen het Joodse volk toekomt.
De eerste dag als dag van samenkomst heeft niet alleen nieuwtestamentische wortels, maar wordt als zodanig ook al helemaal aan het begin van de kerkgeschiedenis vermeld. De brieven van Ignatius van Antiochië behoren bij de oudste chris-telijke literatuur buiten het Nieuwe Testa­ment. Heel nadruk-kelijk stelt Ignatius dat christenen de dag van de Heere houden en niet de oudtestamentische sabbat.
Ook in de brief van Barnabbas, een geschrift uit de tweede eeuw, wordt de achtste dag (dat wil zeggen de eerste dag van de week) als dag van samen­komst genoemd. Deze brief suggereert dat het sabbatsgebod zijn vervulling heeft ge-vonden in de eerste dag van de week als nieuwtestamen-tische dag van samenkomst.
Bij de oudste getuigenissen van niet-christenen over chris-tenen behoort de brief van Plinius de Jongere, stadhouder van Bithynië, aan keizer Trajanus. Hij schreef de keizer hoe hij met chris­te­nen in zijn provincie omging. Hij meldde daarbij onder andere dat christenen nog vóór de zon was opgegaan op de eerste dag van de week samenkwamen en in hun samen-komsten liederen ter ere van Christus als God zongen.
Het is een volstrekte vertekening van de feiten als de eerste dag van de week als rustdag als een feitelijk heidense vinding van Constantijn zou zijn. Dat Constantijn wetgeving ter bevor­de­ring van de zondagsrust invoerde, betekent niet dat pas onder zijn regering christenen op de eerste dag van de week samenkwamen. Dat hadden zij al vanaf het begin gedaan.
Aan­van­kelijk moesten de samenkomsten vóór zonsopgang en na zonsondergang plaats vin­den. Vele van de eerste christe-nen waren slaven en moesten overdag werken voor hun meesters. Waar christenen een groot deel van de bevolking gingen vormen, werd het mogelijk de eerste dag van de week ook als rustdag te gaan houden. Die ontwikkeling heeft Constantijn de Grote door middel van wetgeving bevorderd.
Voor heidenen werd deze ontwikkeling acceptabel gemaakt, omdat Constantijn suggereerde dat de God van de Bijbel feitelijk dezelfde was als de zonnegod. Op staatkundig gebied kon Constantijn zo het monotheïsme bevorderen zonder dat heidenen direct aan de God van de christenen behoefden te denken. Dat elke week weer de eerste dag van de week een rustdag was, was wel typisch christelijk.
Ik ga voorbij aan de vraag hoe diep geworteld het christelijke geloof bij Constantijn was. Daar wordt door historici ver-schillend over geoordeeld. Als keizer moest en wilde Con-stantijn wel met de realiteit rekenen dat slechts een minder-heid van zijn onderdanen bij de christelijke kerk behoorde.
Zeker is dat de christelijke kerk van zijn dagen Constantijn dankbaar was voor het feit dat die dag die zij al eeuwen lang kenden als dag van samenkomst nu ook een rustdag voor de maatschappij werd. Zo werd bevorderd dat iedereen die tot de christelijke kerk behoorde, de samenkomsten op de eerste dag van de week kon bezoeken.
In onze tijd zien we de omgekeerde ontwikkeling. De overheid kan niet bepalen welke dag van de week voor christenen een bijzonder karakter heeft. Dat is en blijft de eerste dag. Door zondagswetgeving af te breken maakt zij het christenen wel moeilijker om deze dag voor de Heere en Zijn dienst vrij te houden.
Een aparte vraag is hoe nauw de relatie is tussen de eerste dag van de week als nieuwtesta­mentische dag van samen-komst en de oudtestamentische sabbat. Moet de nieuwtesta­-men­tische dag van samenkomst wel als rustdag worden gehouden? Het Oude Testament laat ons zien dat een dag van samenkomst altijd een rustdag behoort te zijn. Dat principe blijft onder de nieuwe bedeling staan.
Wie meent dat onder de nieuwe bedeling de zevende dag de rustdag is, zou de rustdag op zaterdag moeten houden, maar de samenkomsten van de gemeente toch op de eerste dag van de week moeten beleggen. Verbonden met de herdenking van de opstan­ding van de Heere Jezus horen die zondermeer op de eerste dag van de week als de dag van de Heere. Feitelijk kom je dan bij twee rustdagen uit. Dat is niet erg praktisch en ook bijbels moeilijk te gronden. Het feit dat de kerk de eeuwen door de eerste dag van de week als rustdag heeft gehouden, is dan ook helemaal in de lijn van de bijbelse gegevens.
De Reformatoren legden echter geen nauwe relatie tussen het rusten als ordening vanuit de schepping en de eerste dag van de week. Onder de nieuwe bedeling betekende dit rusten naar hun overtuiging allereerst dat wij alle dagen van ons leven van onze boze werken moeten rusten. Luther en vooral Calvijn hebben om praktische redenen zondagsheiliging bepleit. In zijn commentaar op Genesis slaat Calvijn overigens tonen aan die al aanleiding geven om de eerste dag van de week als rustdag met de scheppingsorde te verbinden.
In het gereformeerde protestantisme heeft deze lijn zich na Calvijn verder doorgezet. Dat zien wij in het bijzonder, maar zeker niet uitsluitend, in het puritanisme. Op de Dordtse synode worden in antwoord 103 de woorden ‘op de sabbat’ ingevoegd. In de oorspronkelijke uitgave stond enkel dat men op de rustdag naarstig tot Gods gemeente moet komen.
Van groot belang is te beseffen dat men bij de sabbat niet aan de zevende, maar de eerste dag van de week dacht. De eerste dag van de week is als de dag van de Heere de nieuw-testamentische sabbat. De Engelse puriteinen en de Schotse gereformeerden hadden bezwaren tegen de benaming ‘zon­dag’ voor de eerste dag van de week. Zij spraken over Lord’s Day of (Christian) Sabbath. Dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. Als het gaat om een twintigste-eeuwse prediker denk ik bijvoorbeeld aan Martyn Lloyd Jones. Bij Schotse kerkgebouwen pleegt vermeld te staan dat er diensten zijn op de sabbat. Dan gaat het echt niet om de zevende dag van de week, maar zondermeer om de eerste dag.
Naast diensten op de sabbat is er in behoudende ge­meenten altijd ook een wekelijkse doordeweekse samenkomst. Het ontbreken daarvan wordt als een bewijs van geestelijk verval gezien en een symptoom dat er in de bewuste gemeente niet veel meer is dan wat wij zondagschristendom noemen. Dit is even terzijde. Hier zien we een aanwijzing dat er ook in de gereformeerde gezindte veel zondags­christendom in de negatieve zin van het woord is.
Laten wij wel ernst maken met het heiligen van de eerste dag van de week als dag van samenkomst en rustdag. De boodschap die wij in de samenkomsten van de gemeente horen is altijd ook een appèl om alle dagen van ons leven van onze boze werken te rusten.
Wie dat doet, ziet uit naar de grote dag des Heeren. Naar de rust die er overblijft voor het volk van God. In het nieuwe Jeruzalem zal er geen wekelijkse rustdag meer zijn. Als het nieuwe Jeruzalem neerdaalt uit de hemel, vangt de eeuwige sabbat aan. Ongestoord wordt dan de lof bezongen van die Heere Die ons Gode gekocht heeft met Zijn bloed.

Bij uitgeverij De Groot Goudriaan verscheen al weer een aantal jaren geleden het boekje van Bruce Ray Laat ons de rustdag wijden. Deze Amerikaanse predikant geeft een brede bijbelse fundering van de eerste dag van de week als rustdag. Tweedehands is dit boekje ongetwijfeld nog te krijgen. Voor hen die redelijk Engels lezen noem ik On the First day of the week: God, the Christian and the Sabbath. Dit is een uitgave van Day One en de auteur Iain D. Campbell.