woensdag 28 oktober 2015

Blijvend vergeving nodig

Wie de naam van prof. dr. J. van Bruggen hoort, denk aan het Commentaar Nieuwe Testament derde serie. Van deze serie die inmiddels al weer een aantal jaren geleden werd voltooid, was hij de eindredacteur. In de schriftelijke arbeid van werken van Van Bruggen blijkt zijn diepe eerbied voor de Schrift als het Woord van God. Dan denk ik niet alleen aan zijn commentaren in de genoem-de serie maar ook aan zijn boeken Het kompas van het christelijk geloof en Kroongetuigen van het evangelie.
In recensies die ik schreef over de delen uit de CNT op de brieven aan de Romeinen en de Galaten heb ik een aantal kritische kant-tekeningen geplaatst. Bij de brief aan de Romeinen ging het om de uitleg van roeping en verkiezing en wel vooral in Rom. 9-11. In de uitleg van beide brieven constateerde ik dat Van Bruggen de bete-kenis van de rechtvaar­diging eenzijdig heilshistorisch opvatte en geen recht deed aan gegevens in Paulus zelf die ons laten zien dat rechtvaardiging allereerst moet worden verbonden met Gods gericht en met de vrijspraak in dat gericht.
Juist vanwege die kritische kanttekeningen in recensies over de genoemde delen uit CNT door mij zijn geplaatst, wil ik aandacht vragen voor een bijdrage van Van Bruggen waarin hij zich van een andere zijde toont. Gerelateerd aan het boek Kroongetuigen van het evangelie heeft Van Bruggen al een aantal jaren een website met de naam www.meeroverkroongetuigen.nl. wie naar het menu bijlagen op deze website gaat, komt onder andere een Bijbelstudie tegen waarin Van Bruggen ingaat op de vraag of een christen nog altijd moet vragen om vergeving.
Die vraag wordt lang niet altijd door iedereen instemmend beant-woord. Men zegt dan: ‘Een ware christen is toch vrijgesproken in Gods gericht?! Wie om vergeving vraagt, staat niet echt in de vrijheid van de kinderen van God.’ Uitgaande van de vijfde bede van het Onze Vader: Vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven onze schuldenaren.’
Van Bruggen wijst erop dat wanneer Paulus het over het volmaakt zijn van christenen in dit leven heeft, dat niet als zondeloos bedoeld is, maar als volwassen. Ook bij het volwassen geloofsleven behoort de belijdenis van schuld en de bede om vergeving. Dat blijkt duidelijk uit de eerste brief van Johannes. Daar lezen we: ‘Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons’ (1 Joh. 3:9)
Heel mooi brengt Van Bruggen naar voren dat een christen die verzoend is met God en volkomen vergeving heeft ontvangen, de vreugde van het geloof niet ervaart door terug te kijken op een bij voorbaat betaalde schuldnota maar door toegang tot God te zoeken door de volmaakte Hogepriester Die zit aan de rechterhand van de Vader. Bij Hem vinden we genade! Zo vaak wij die nodig hebben en daarom tot Hem naderen.
In de bewuste bijdrage lees ik zo mooi en terecht dat in vele toonaarden en op vele leeftijden Gods kinderen het gebed hebben vertolkt van de tollenaar uit de gelijkenis (Lucas 18:9-14): ‘O God, wees mij, de zondaar, genadig!’. Deze zaak bewerkt zich niet tot christenen van een bepaalde richting. In alle kerkelijke liturgieën hebben die gebeden een plaats.
Hieraan kan worden toegevoegd dat binnen de kloosters Psalm 51, de bekendste boetepsalm, dagelijks wordt gebeden. Ook al wijzen we het kloosterwezen af, met deze praktijk horen we geen moeite te hebben. Zou dat wel het geval zijn, dan hebben we alle reden ons af te vragen of wij wel echte zonen en dochters van de Refor-matie zijn.
Ik besluit met een aantal regels uit een gedicht dat in het begin van de negentiende eeuw door Bilderdijk is gedicht. Regels die Van Bruggen aanhaalt in zijn bijdrage op de genoemde website:
Genadig God, die in mijn boezem leest!
Ik vlied tot U, en wil, maar kan niet smeeken.
Aanschouw mijn nood, mijn neêrgezonken geest,
En zie mijn oog van stille tranen leken!

Ik smeek om niets, hoe kwijnend, hoe bedroefd.
Gy ziet me een prooi van mijn bedwelmde zinnen:
Gy weet alleen het geen uw kind behoeft,
En mint het meer, dan 't ooit zich-zelf kan minnen.

dinsdag 27 oktober 2015

A Review of Two Theologies of the New Testament

Introduction
When Christian people hear about biblical theology, most of them understand this expres­­sion to mean theology that has the Bible as its ultimate standard and source. In this sense all theology ought to be biblical. In theology as an academic discipline, bibli­cal theology has a somewhat different meaning. In theology as an academic discipline this part of the theology stands between exegesis and systematic theology.
Exegesis is the exposition of Scripture. Its focus is the single text or a single passage. Systematic theology reflects on the Bible as a whole. Under­stan­ding and recapitulating the content of the Bible is done in community with the church of all ages. Systematic theology is always confessional in character. The doctrinal content of the Bible is underlined.
Biblical theology focuses on the content of biblical revelation from the view point of its un­folding in history. The history of revelation or redemption is one of the leading viewpoints in biblical theology as an academic discipline. Biblical theology asks calls attention to the indi­vi­dual biblical witnesses and treats biblical themes in the context of the history of revelation and redemption. The emphasis falls on the diversity of the individual biblical witnesses within the greater unity of the Bible as a whole.
In biblical theology the great distinction is between theology of the Old and the New Testament. When we speak about the theology of the Old and New Testament the under­lying presupposition is, that the writings of the Old and New Testament, although diverse in character and each having its own accents and distinctive, ulti-mately form a con­sistent and coherent unity.
At the same time I must say that quite a lot of scholars, who have written an Old or New Testament theology, only accept the canon for pragmatic reasons. Then we are not writing biblical theology, but the history of religion. Actually, theology, in the strict and real sense of the word, is only possible, when the Bible is accepted as the infallible and inerrant Word of the living God.
I stress, that we cannot draw exact distinctions between exegesis, biblical theology and syste­matic theology. In fact, it is a spectrum and besides that, we must reckon with the so called hermeneutical spiral. It is a great misunderstanding if we think that exegesis and biblical theology can be done in a neutral way. The exegetes and scholars who suggest that neutrality is possible in biblical theology are unaware they are the most dogmatic scholars we have come across.
Finally, I state emphatically, that biblical theology can never replace systematic theology. The Bible as a whole confronts us with questions, which can never be solved solely by an appeal to biblical texts. I think about ques-tions with regard to the relation­ship between time and eternity and the relationship between the Creator and his creation. That was the reason that already some years ago, Carl Truman wrote an article with the somewhat provo­cative title ‘A Revolutionary Balancing Act Or: Why our theology need to be a little less biblical?’
When theologians want to restrict themselves to biblical theology at the expanse of systematic theology, you always see that they have an anti-metaphysical bias. They do not want to speak about God in himself, but only about God in his relationship to his creatures. But this is a very important dogmatic decision with far reaching conse-quences.
You use to see in that case, that the narratives of the Bible are in a certain sense read as dogmatic treatises. Because in the biblical narratives God reacts to the actions of man in many cases, the conclusion is drawn that you cannot speak about the immutability of God. But what actually is the case, is that the genre of narrative is not really taken seriously. I must add that when we take the Biblical narratives as a whole, their clear message is that God is completely in control of all history. History is his story. The whole reality depends on him and he himself is independent. In theology we have the term the aseitas Dei.
Having tried to make you aware of the limitations of biblical theology, I am convinced that studying the content of the Bible focusing on the history of redemption and on the specific con-tribution of each book of the Bible and each writer of the Bible to the complete revelation, can be very fruitful.
So after these important remarks by way of introduction, now I call your attention to two theologies of the New Testament that were published in the last years. The first one consists of two volumes and is written by the American New Testament scholar Ben Witherington III. The second is written by Udo Schnelle, an outstanding German New Testament scholar.

The Indelible Image
Witherington has given his two volume study the title The Indelible Image. By means of the concept of the image of God Witherington explains the relationship between theology and ethics in the New Testament. The first volume treats the individual witnesses of the New Testament and the second the collective witness. Witherington states that in quite a several of the studies of New Testament theology, ethics are not given its due emphasis. He wants to remedy this fault.
Witherington does not mention it, but in former days actually no separation was made between systematic theology and ethics. Gisbertus Voetius, the father of the Dutch Further Reformation, can serve as a good example here. Many of the disputations of Voetius centered around questions related to the practice of piety. The fostering of piety was seen as the end of (systematic) theology. So Witherington is not that new in his treatment, as he perhaps suggests.
Whiterington has a high view of the authority and historical reliability of the New Testament. He stresses that theology and history must not be seen as each others rival. The gospels must be seen both as theological and historical writings. In the case of the gospel of John the word ‘theological’ must be underlined and in the case of the synoptic gospels the words ‘writing of ‘historical’.
All four gospels are based on what eyewitnesses saw or heard. Witherington is convinced that also in the case of the fourth gospel, we are confronted with real history. Witherington also defends the historical reliability of Acts. In painting the portrait of early Chris-tianity, Luke gives a selection of the facts, but not an idealized story that is far from highly unrealistic. 
It is remarkable that in the gospels Matthew and John, both written by persons who belonged to the circle of the Twelve, the frequency of the use of the name of Father is much higher than in the other gospels. Among the synoptic gospels, Matthew in this respect most closely resembles the gospel of John.
The unity of the New Testament writings is seen in the way they speak about the person and the work of Christ. In almost all writing of the New Testament Jesus is called either Lord, Christ or/and Son of God. Only in 3 John do we not find any of these three words/expres­sions. But the reason is simple - its content as a letter of exhortation and its shortness. Jesus is everywhere portrayed as the one in whom redemption is found. He is the Savior.
Jesus himself and his activity and teaching while he was on earth, are the fountain of the expressions of faith with regard to his person. Witherington rightly makes this statement without denying that compared to the self revelation of Christ when he was on earth there is in the New Testament a further development in the pre-sentation of the person of Christ after his exaltation and after the outpouring of the Holy Spirit.
The witness of the writers of the New Testament not only when they record the teaching of Jesus when he was on earth, but also when they are instructed by the resurrected and glorified Christ, confronts us with the real Christ. We cannot make a distinction between the Christ of faith and the Jesus of history, but only between Jesus Christ when he was on earth and Jesus Christ as he is in heaven.
Wirtherington’s finding that according to Paul the gospel does not annihilate the order of creation but intensifies it, is very important. Homosexual behavior cannot be reconciled with the bearing of the image of Christ. Homosexual orientation – just as all sinful desires - can be seen as a result of the fall of man. Persons who have this orientation must be called to self denial in the light of the order of creation and the gospel of Christ and never be given the impression that homosexuality can be allowed under certain conditions. Witherington denies that Paul or other New Testament witnesses can be seen as defenders of the view of sinless perfection. There are mature believers, but also a mature believer has reasons to confess his sins and shortcomings.
According to the new perspective, justification has only to do with the boundaries of the community of faith. It is an ecclesiological and not a soteriological doctrine. The new perspective denies the rightness of the view of the Reformation on justification. Withe-rington cannot be seen as a defender of the new perspective on Paul, but he does not sufficiently highlight the great importance of the message of justification in Paul’s writings. Rightly he states that Paul and James do not really contradict each other with regard to justification and faith. They each use both the word ‘justification’ and the word ‘faith’ in different ways.
As you understand, I think that the two volumes of Witherington are very valuable. They are goldmines full of useful information and useful insights. Honestly I must point to what I consider as a very serious defect, a defect that is seen again and again in the way Witherington presents the message of the New Testament.
Witherington is a thoroughgoing Arminian. He denies the particular nature of the atonement, although nowhere in the New Testament it is ever said to unbelievers/persons outside the Christian church that Christ died for them. A complete Savior is preached and must be preached to unbelievers, both Jews and gentiles.
Not just a blessing connected with the work of Christ (Christ died for you) but Christ himself must be presented to unbelievers. The message that we will never be separated from the love of God in Christ, because Christ died for us and prays for us, is a message of consolation for believers. It makes clear to them the depth and the total character of Christ’s love for them.
Witherington cannot give a satisfying explanation about the sayings in the New Testament about election and predestination. Final election depends in his view of man’s faith. But in the New Testament we read just the reverse. This is the main reason that I bring attention to another work in the field of New Testament Theology published within the last couple of years.

Theology of the New Testament
The study of Udo Schnelle, originally written in German and translated in English, has its own defects and shortcomings, but Schnelle makes clear that in the New Testament faith is seen as a gift of God. Faith completely rests on God’s grace and that is the reason that the fountain of faith is personal election. Especially in John’s gospel and the Pauline epistles the unconditional and personal nature of election is stressed.
It is impossible for the language of election to refer only to the election of the congregation and not the election of individuals. It contrary to the central tenets of the witness of Paul, that the final salvation of believers depends on his own perseverance and is not guaranteed by the predestination and covenant loyalty of God.
The study of Schnelle can also be praised for other reasons. The fact that the history of Jesus and his church is not treated in a neutral way in the New Testament, does not mean that the information cannot be seen as reliable. All writing of history is selective and is done out of a certain perspective. Schnelle underlines that Jesus himself, while he was on earth knew that he had a unique relationship to God and had a unique place in the history of salvation.
I would make an even stronger statement, but as such we can agree with Schnelle. He emphasizes the continuity between what happened before and after Easter. He is convinced that the resurrect­tion of Christ is real history and not a myth. Schnelle has no patience with the view that originally there was a low Christology and that a high Christology points to a later date in development of presentation of the person of Christ.
At the same time we must say that Schnelle does not have a very high view of Scripture. He thinks that the gospel of John can only be accepted in a very small measure as a source of historical information. He thinks that the Pastoral Epistles and the epistle to the Ephesians were not written by Paul. His argument is not only the style in which these letters are written but also their theological content are different.
He thinks that Paul cannot have written these letters, because both the Pastoral Epistles and the letter to the Ephesians are less charismatic than Paul’s correspondence with the Corinthians. This is a circular argument. The emphasis on the gifts of the Spirits in the two letters to the Corinthians is related to the problem in the congregation of Corinth. Besides that, it is perhaps no coincidence that in later letters this problem is not so acute.
The extra ordinary gifts of the Spirit became more and more accidental. The differences in style can related to differences in content. In addition, we know that Paul made use of secretaries. Perhaps he gave them more freedom in the framing of his later letters. The fact that Schnelle thinks that there is a real disagreement between Paul and James, must perhaps, at least partly, related to his Lutheran background.
With regard to his view of Scripture, we have to prefer Witherington, but it is a remarkable that Schnelle although he has a lower view of Scripture, does much more justice to the full implications of the New Testament teaching of grace defending the personal and unconditional character of God’s election. So finally, I think that we can learn from both of them and must at the same time read their studies with critical discernment.

Udo Schelle, Theology of the New Testament, trans. M. Eugene Boring, Baker Academic, Grand Rapids, Michigan 2009; ISBN 978-0-8010-3604-0; hb. 910 pp.

Ben Witherington III, The Indelible Image: The Theological and Ethical Thought World of the New Testament: Volume One. The Individual Witnesses, IVP Academic, Downers Grove, Illinois 2009; ISBN 978-978-8308-3861-5; hb. 856 pp.

Ben Witherington III, The Indelible Image: The Theological and Ethical Thought World of the New Testament: Volume Two. The Collective Witness, IVP Academic, Downers Grove, Illinois 2010; ISBN 978-978-8308-3862-2; 838 pp.


zaterdag 17 oktober 2015

De historiciteit van Adam

Was Adam werkelijk een historisch persoon of gaat het in de paradijsgeschiedenis om een sym­bolische verwoording van een bovenhistorische werkelijkheid? Beginnend bij de kerkvaders en eindigend in het heden, laat VanDoodewaard, hoogleraar kerk-geschiedenis aan het Puritan Reformed Seminary in Grand Rapids, Michigan, zien dat tot de Verlichting vrijwel unaniem de paradijs­ge­schiedenis als historisch is opgevat.
Bij de uitzonderingen behoort Origenes. In navolging van Philo meent hij dat in Genesis 1 de schep­ping van de geestelijke mens en in Gen. 2 de val van de mens in het lichaam wordt beschre­ven. Over de histo­ri­citeit van de paradijsgeschie­denis zijn de gedach-ten van Origenes voor meerder uitleg vatbaar.
Voor vrijwel alle andere theologen in de Vroege Kerk staat de historiciteit van de paradijs­ge­schie­­denis buiten discussie. Dat geldt al voor de eerste kerkvader Irenaeus. Origenes meent dat God de wereld feitelijk in één moment schiep, maar dat ter wille van ons bevattingsvermogen over zes dagen wordt gesproken.
Daarin volgt Augustinus, Origenes. Augustinus wijst echter de gedachte af dat de paradijsgeschiedenis symbolisch mag worden opgevat. De zondeval als histo­ri­sche feit behoort voor Augustinus tot de kern van het christelijk geloof. Zonder dit feit verliest immers de leer van de erfzonde haar basis.
VanDoodewaard laat zien dat tot aan de zeventiende eeuw deze gedachte dat de wereld in zes gewone dagen werd geschapen, vrijwel algemeen aan­vaard was. Het standpunt van Augustinus wordt door Calvijn en Luther resoluut van de hand gewezen. Pas in de negentiende eeuw zijn er ook ortho­doxe theolo­gen die ruimte houden voor een aarde die ouder is dan zesduizend jaar. Dan neemt men aan dat in de geslachtsregisters namen zijn over-geslagen.
In Amerika menen onder andere Hodge en Warfield dat de scheppingsdagen niet als gewone dagen hoeven te worden opge­vat. Vooral theologen uit de Zuidelijke Staten hebben hierop kritiek gehad. Voor Hodge en Warfield is de histo­riciteit en boven-natuurlijke herkomst van Adam en Eva als de eerste mensen evenwel onop­geef­baar. Warfield houdt binnen beperkte grenzen evolutie voor een mogelijkheid.
In onze eigen land zien we bij Kuyper, Bavinck en G.Ch. Aalders openingen voor de gedachte dat in ieder geval de eerste drie scheppingsdagen geen gewone dagen waren. G. Wisse heeft nog in de tijd dat hij tot de Gerefor­meerde Kerken behoorde, aan-gegeven dat hij hen daarin niet kon bijvallen. Ook prof. J.J. van der Schuijt liet zich in De Wekker op dit punt kritisch over genoemde theologen uit.
De studie van VanDoodewaard is een zeer grondige historische studie die allerlei ge­­kleurde voorstellingen ontzenuwt. Vooral wordt duidelijk hoe theologen over Gen. 1-3 hebben gedacht. Het zou een aanvulling als breder aan de zienswijze van christelijke geo-logen en biologen aan­dacht was geschonken. 
Dan was naar voren gekomen dat het zogenaamde jonge-aarde crea­tio­nisme dat de schepping van de wereld in zes gewone dagen wetenschappelijk wil fun­deren, een uitbouw is van inzich-ten die zich in de negentiende eeuw begonnen te ontwikkelen. Een uitbouw die ook zelf een veelkleurig karakter draagt en meer dan eens niet onweersproken is gebleven door hen die aan het volstrekt histo-risch karakter van Genesis 1-3 willen vasthouden.
Zelf zou ik iets meer benadrukt hebben dat de vraag naar de aard van de scheppingsdagen toch van een ander theologisch gewicht is dan die van de histor­ic­i­teit van Adam. Van belang is wel dat VanDoodewaard nog in een epiloog opmerkt dat gedurende de kerkgeschiedenis men ervan uit­ging dat de aarde in een staat van volwassenheid werd ge­scha­pen
Wie dat wetenschappelijk ver­dis­conteert, moet ook rekenen met schijnbare ouder­dom. Min­der aantrekkelijk acht VanDoode­weerd de gedachte dat de fossielen door God meege­schapen zouden zijn. Hij wijst erop dat vanaf de negentiende eeuw een enkeling deze gedachte verde­digt, maar dat die terecht toch als weinig steekhoudend wordt gezien. Wat mij betreft was VanDoo­dewaard nog iets nader ingegaan op de verhouding tussen het fossie-lenbestand en de inhoud van Genesis 1-3.
Zeer belangrijk is het concluderende slothoofdstuk. Daarin laat VanDoodewaard zien dat het al dan niet aanvaarden van de histo-riciteit van Adam en van de lichamelijke dood als gevolg van de zondeval tot een essentiële aanpassing van de bijbelse bood-schap moet leiden. Dit gegeven kan – en naar ik meen hoort – voor mensen die anders tegen de zaken aankijken dan VanDoodewaard aanleiding geven zijn boek te lezen.
Het gaat hier om een boek van hoog niveau. Wie een grondige docu­mentatie zoekt hoe in de kerk­geschiedenis wordt gedacht over de eerste hoofdstukken van Genesis, kan zondermeer niet om dit boek heen. R. Albert Mohler, president van Southern Baptist Theological Seminary, schreef een woord vooraf waarin hij dit boek zeer hartelijk aanbeveelt.


William VanDoodewaard, The Quest for the Historical Adam: Genesis, Hermeneutics, and Human Origins (Grand Rapids: Heritage Books, 2015), 359 p., $30,-- (ISBN 9781601783776) 

dinsdag 13 oktober 2015

De ware schat van de Kerk

De rechte bediening van het Woord: het voornaamste kenmerk van de kerk
Eén van Luthers 95 stelling luidt: ‘De ware schat van de kerk is het evangelie van Gods eer en genade.’ Met deze stelling houdt de reformatorische en voluit bijbelse gedachte verband dat de kerk in haar zichtbare vorm overal te vinden is waar het Woord van God recht wordt bediend. De rechte bediening van het Woord maakt de kerk tot kerk. Waar die te vinden is, is het wezen van de kerk aan-wezig en waar die ontbreekt, ontbreekt het wezen van de kerk.
De eeuwen door heeft Christus naar Zijn trouw verbond Zijn kerk in stand gehouden. Er zijn tijden geweest dat de kerk in haar uiterlijk verschijningsvorm bijna verdwenen was, hoewel er nog genoeg kerkgebouwen waren met vele kerkgangers. Dat geldt voor die tijden dat de rechte bediening van het Woord zo goed als verdwe-nen was. Je kunt dan denken aan de kerk van de Middeleeuwen.
De Heere gedacht echter aan Zijn kerk. Er kwam een Reformatie. De kerk kreeg een nieuwe verschijningsvorm waarin het wezen van de kerk veel helderder naar voren kwam. Vrijwel direct vanaf het begin viel de kerk van de Reformatie uiteen in een lutherse en gereformeerde richting. De (Anglicaanse) Kerk van Engeland is naar haar oorsprong als een bijzondere verschijningsvorm van de gereformeerde reformatie te zien.
We mogen geloven dat de gereformeerde belijdenis de diepste samenvatting is van de leer van het Oude en Nieuwe Testament. Daarmee ontkennen we niet dat de getrouwe bediening van het Woord ook in lutherse en anglicaanse kerken werd gevonden. In de loop der eeuwen is het protestantisme steeds veelvormiger gewor-den. Als ik nog een aantal hoofdstromingen mag noemen dan zijn dat het baptisme en methodisme. Onder methodisten en met name onder baptisten heeft de Heere Zijn kerkvergaderend werk willen verrichten.

De inhoud van de rechte bediening van het Woord
Waarin bestaat de rechte bediening van het Woord? Heel een-voudig kan dat als volgt worden samen­gevat: Er is één God, één Middelaar en één Geest, er zijn twee wegen en drie stukken. Een ware christen worden we door het vernieuwende werk van de Heilige Geest. Deze Geest overtuigt ons allereerst van zonden om zo in ons hart behoefte te scheppen aan de Middelaar, de Heere Jezus Christus.
Wie hem door een waar geloof wordt ingelijfd, wordt ook gewillig gemaakt om God te dienen. Langs deze weg gaat een mens over van de brede op de smalle weg en leert Hij de ene Naam tot zaligheid belijden en de drie-enige God als God van volkomen zaligheid te verheerlijken. Niet alle stukken van de geloofsleer zijn van hetzelfde gewicht. Overal waar deze zaken worden beleden en gepredikt, vergadert Christus Zijn kerk. Dat geldt niet alleen daar waar er kerken zijn die de gehele gereformeerde belijdenis onder­schrijven, maar bijvoorbeeld ook voor baptistische gemeenten of anglicaanse gemeenten. Overal waar Christus Zijn kerk vergadert wordt beleden dat Hij het Lam is dat ons vrijgekocht heeft met Zijn bloed en dat Zijn Geest Heere is en levend maakt.
De volmaakte eenheid van de kerk wordt hier op aarde niet gevonden. Bij alle variëteit is er toch een eenheid in het geloof. Dan gaat het met name over de leer van zaligheid. De geestelijke eenheid van de kerk valt niet met de structurele of uiterlijke eenheid samen. Ook al mogen we de Reformatie als een wonder Gods begroeten, dat betekent niet dat we aan de kerk van de Middel-eeuwen de naam van kerk volledig ontzeggen.
De tegenwoordigheid van Christus beperkt zich niet tot één uiterlijke manifestatie van de kerk en is ook niet per definitie blijvend gebonden aan een bepaalde uiterlijke manifestatie van de kerk. In de Geloofsbelijdenis van Westminster staat zo veelzeggend dat ware kerken kunnen verworden tot synagogen van de satan.
De volmaakte eenheid van de kerk zal hier op aarde niet komen. Ik denk aan een punt als de doop. Baptisten als Spurgeon en Philpot hebben de kinderdoop onbijbels geacht. Zij wensten ook niet te behoren tot een kerk waarin alleen al maar die mogelijkheid werd geboden. Wij daarentegen zijn ervan overtuigd dat de kinderen van christenouders gedoopt behoren te worden.
Toch voelen we ons met vele geestelijke banden aan mannen als Spurgeon en Philpot verbonden. Wij wijzen bijvoorbeeld in tegen-stelling tot de anglicanen het ambt van bisschop af. Toch her-kennen wij ons in de prediking van een anglicaanse bisschop als J.C. Ryle. Wie naar de volkomen eenheid van de kerk verlangt (en welke ware christen zou dat niet doen) dient dagelijks te smeken: ‘Kom, Heere Jezus, ja kom haastiglijk.’

De kerk: de gemeenschap der heiligen
Naar haar uiterlijke verschijningsvorm is de kerk daar waar het Woord recht wordt bediend. Als het gaat om de kerk naar haar innerlijke zijde dan wordt zij gevormd door allen die door een levend geloof Christus als de Koning en het Hoofd van de kerk zijn ingelijfd. Samen vormen alle ware gelovigen de gemeenschap der heiligen.
Het zou van sektarisme getuigen als wij zouden menen dat waarachtige christenen slechts binnen één openbaringsvorm van Christus’ kerk te vinden zijn. Een ware christen wenst een vriend en metgezel te zijn van allen die Gods Naam ootmoedig vrezen. De kracht van een plaatselijke gemeente ligt allereerst in het gepre-dikte Woord, maar daarnaast toch ook in het getal van Gods kinderen. Gods kinderen zijn degenen aan wie het Woord van God waarvan Jezus Christus de hoofdsom is, is toegepast aan het hart.
Ik denk in dit verband aan een voorval uit de kerkgeschiedenis. In het begin van de vorige eeuw stond in St. Philipsland in Zeeland ds. Lourens Boone. Hij was oud-gereformeerd predikant. In die dagen was de oud-gereformeerde kerk de volkskerk van het dorp. Het overgrote deel van het dorp behoorde ertoe. Boone was een zeer markant man die ook buiten eigen kring respect afdwong. Op een zeker dag bracht de commissaris van de koningin in Zeeland een bezoek aan St. Philipsland. Uiteraard hoorde daarbij een ontmoeting met Boone.
Toen de commissaris van de koningin de kerk van Boone zag, sprak hij daarover zijn verwondering en teleurstelling uit. Het was niet meer dan een grote schuur. Boone heeft echter geantwoord. Als er dienst gehouden wordt dan is de kerk gemeubileerd. De sierstukken van mijn kerk zijn de levende kinderen van God.
Ik hoop dat ook wij, wat er ook verder de toekomst van de kerk van Nederland is, zo mogen weten dat de Heere in ons midden is. Laten we toch vurig bidden dat de prediking van het Woord gezegend wordt en het getal van Gods kinderen onder ons vermeerdert. Dan zullen we ook zeker naar anderen toe uitstralen: ‘Kom ga met ons en doe als wij.’

maandag 5 oktober 2015

De betekenis van doordeweekse Bijbellezingen

Al in mijn eerste gemeente ben ik begonnen met het houden ervan hetzij in de vorm van een doordeweekse kerkdienst hetzij in de vorm van een Bijbelavond. Dat laatste komt dan neer op een preek waarover vervolgens vragen kunnen worden gesteld. Je zou kun-nen zeggen een preek gecombineerd met een pree-bespreking. Mijn uitgangspunt is daarbij dat afgezien van de zomermaanden er elke twee weken een samenkomst behoort te zijn voor de gehele gemeente. Op dat laatste wil ik allereerst ingaan.
Ik ben er diep van overtuigd dat het voor het geestelijk welzijn van de gemeente van groot belang is ook doordeweeks rondom het Woord bijeen te komen. De eerste christenen deden het zelfs dagelijks. Met Spurgeon zeg ik dat het onbestaanbaar is dat een levende christen genoeg zou hebben aan de zondagse samen-komsten van de gemeente, al vormen die ongetwijfeld het hoogte-punt van het gemeenteleven vanwege het bijzondere karakter van de eerste dag van de week als de dag des Heeren. Een christen kenmerkt zich door honger naar het Woord.
Ongetwijfeld kan men op allerlei wijze samen met anderen het Woord bestuderen, maar niets gaat uit boven een samenkomst voor de gehele gemeente. Daar komt het meest tot uiting tot het Woord er is voor mensen van welke achtergrond en welke leeftijd dan ook. In een kerkdienst is het God Die door middel van één van Zijn knechten tot de gemeente spreekt. De gemeente participeert door te luisteren naar de stem van de levende God.
Als er zo geluisterd mag worden is de kerkdienst echt een feest. Midden in de week worden we even uitgetild boven alle beslom-meringen. Als dat het mogelijk is, is het een goede zaak om met een aantal anderen na afloop van de dienst bij elkaar te komen om met elkaar te spreken over wat gehoord werd. Dan wordt de kerkdienst vervolgt door een gezelschap of hoe men  het ook noemen wil.
Op de dag des Heeren moet iedereen zoveel mogelijk naar de kerkelijke gemeente gaan waartoe hij behoort. Dat geldt ook als er doordeweeks in eigen gemeente een dienst wordt belegd. Nu pleegt dat in de meeste gemeenten niet elke week te zijn. Ik acht het een goede zaak als men dan elders kerkt. Wat mij betreft behoeft er dan ook niet naar kerkmuren gekeken te worden. Het gaat om de boodschap die gebracht wordt. Waar de boodschap van vrije genade, van verzoening door Christus’ bloed en weder-geboorte door Gods Geest wordt gebracht, is Gods kerk.
Het is een goede zaak als wij in onze gebroken kerkelijke situatie concreet leren betrachten: ‘Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen die Gods Naam ootmoedig vrezen.’ Ik denk aan de woorden William Cowper over Olney in de achttiende eeuw. Hij schreef aan een vriend dat in Olney de anglicanen er geen last van hadden dat de kerkgebouwen van de afgescheidenen geen toren hadden en de afgescheidenen omgekeerd er geen moeite mee hadden dat het anglicaanse kerkgebouw er wel een had. Over en weer werden in Olney de doordeweekse diensten bezocht.
Nu over het aspect van Bijbellezing dat aan menige doordeweekse kerkdienst is verbonden. In elke dienst is één van de bedoelingen dat de gemeente het Woord van God beter leert verstaan en dat opdat God verheerlijkt wordt in het leven van de leden van de gemeente. ‘Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot  wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid  is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust.’ (2 Timotheüs  3:16-17).
Juist een doordeweekse kerkdienst leent zich er bijzonder voor om extra aandacht aan de uitleg van de Schrift te geven. De aandacht pleegt vaak groter te zijn dan op de dag des Heeren. Degenen die komen zijn, plegen echt bereid te zijn om te luisteren. Opdat mensen meer zicht krijgen op de inhoud van de Bijbel, is  het goed een geheel Bijbelboek of een deel van een Bijbelboek te behan-delen. Zo wordt in de prediking de structuur van een Bijbel-hoofdstuk en de daaraan verbonden voortgang van de gedachte-ontwikkeling duidelijk.
Ik zou een pleidooi willen voren om in doordeweekse Bijbel­lezingen allereerst te denken aan de nieuwtestamentische brieven. Die hebben in het licht van de voortgang van de openbaring een bijzondere plaats in de Schrift. Terugziende op het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus wordt in de nieuwtestamentische brieven de betekenis van Christus’ dood, opstanding en hemelvaart ontvouwd.
De bijbelse leer in haar uiteindelijke vorm wordt er ons in geopen-baard. Als de brieven in de prediking vers na vers of gedeelte na gedeelte behandeld worden, wordt de gemeente met dezelfde ontwikkeling van gedachten geconfronteerd als de eerste lezers. Het is een  middel om te voorkomen dat Schriftwoorden fout wor-den verstaan omdat het verband waarin zij staan niet helder voor ogen staat. 
Tenslotte: het gaat erom dat de prediking wordt toegepast aan het hart, dat wij de kracht van het ene ongetwijfelde christelijke geloof mogen kennen waarvan Jezus Christus, de van God gegeven Middelaar, de hoofdsom is.