vrijdag 5 juni 2015

De plaats van de vrouw in de gemeente

De betekenis van hermeneutiek
Hermeneutiek wil zeggen de discipline die de uitleg van teksten analyseert. In de theologie was hermeneutiek dat deel van de theologische wetenschap dat regels voor de uitleg van de Schrift analyseerde in de wetenschap dat God Zelf via de Schrift tot de mens spreekt. Via het losmaken van de menselijke auteur van de goddelijke Auteur in de tijd van de Verlichting wordt in het post-modernisme betwijfeld of de tekst wel een objectieve betekenis heeft. 
Elke geloofsgemeenschap en lezer daarbinnen verleent aan een tekst zijn betekenis, zo is de visie. Wat wij kunnen doen is daarover met elkaar in gesprek gaan, maar er is geen uiteindelijke ant­woord te geven, omdat toch iedereen de Schrift door eigen bril leest. Zo wordt strijdig met het Schriftgetuigenis zelf de vaste betekenis van de Schrift ondergraven.
Ongetwijfeld moeten wij allen van vooroordelen en beperkingen worden verlost. Echter geleid door Gods Geest is het mogelijk de echte betekenis van de Schrift steeds beter en die­per te gaan verstaan. Trouwens ook zij een postmoderne visie op hermeneutiek aanhangen, zijn gewoon de ene wijze van uitleg tot boven de andere te verkiezen. 
Dan is wel de vraag wat daar­van de gronden zijn. Ik wil maar zeggen dat de postmoderne visie op hermeneutiek niet alleen on­bijbels is maar ook innerlijk tegenstrijdige elementen bevat. Zeker is dat in onze tijd de vaste betekenis van de Schrift meer en meer wordt ondergraven door te stellen dat iedereen toch de Schrift vanuit eigen vooronderstellingen leest.

Hoe lezen we de Schrift met betrekking tot de positie van de vrouw?
Voorstanders van de vrouw in het ambt plegen het feit dat het bijbelse gegeven dat er in Christus man noch vrouw is, als het kader te gebruiken waarbinnen het Schriftgetuigenis over de plaats van de vrouw in de gemeente en de vraag of zij een ambt mag bekleden, wordt gelezen. Echter wie Galaten 3:27-29 en bijvoor-beeld ook Col. 3:11 leest bemerkt dat het daar niet zozeer gaat om onderlinge gezagsverhoudingen als wel om de zaligheid in Christus en het zoeken van de dingen die boven zijn. Daarin is tussen Jood en Griek, dienstknecht en vrije, man of vrouw geen verschil.
Wie echter een antwoord wil geven op de positie van de vrouw in gezin, kerk en samenleving daarbij ook andere Schriftgegevens betrekken en wel in het bijzonder het bijbelse getuigenis over de schepping van man en vrouw en daaraan verbonden ordeningen. 
Daarin verschilt de relatie van man en vrouw van die van dienst-knecht en vrije. Het instituut van slavernij is bepaald een scheppingsordening en de wetten van Mozes – waarin op zich het minder wen­se­lijke meer dan eens werd getolereerd - waren gericht om het verschijnsel van altijd voort­durende slavernij onmogelijk te maken.
Al het gaat om de positie van de vrouw in de gemeente beroep Paulus zich op de wet en op de schepping. Adam werd eerst geschapen daarna Eva (vgl. 1 Tim. 2). Volgens Genesis 2 gaf Adam Eva haar naam. Dat duidt voor de oosterling nog veel meer dan voor ons op een ge­zags­verhouding. Met de zondeval die gezagsverhouding niet verandert. Daarvoor zou iets te zeggen zijn geweest als Adam eerst had gezondigd, maar dat is niet het geval. 
Daarmee is niet ontkend dat sinds de zondeval alle vormen van gezag en dat geldt ook van het gezag van de man over de vrouw zijn misbruikt. Op heel diepe wijze maakt Paulus in de brief aan Efeze duidelijk dat het gezag dat de man over de vrouw binnen het huwelijk heeft gestalte dient te lijken op de wijze waarop Christus Zijn gemeente liefheeft.
De erepositie die Christus aan vrouwen gaf - ik denk in het bijzonder aan het feit dat zij opstandingsgetuigen mochten zijn – doet niet af aan het feit dat de scheppingsorde wordt gehandhaafd. De vrijheid in Christus bevestigt deze orde, zoals zij in het algemeen de wet bevestigt. De roeping van de getrouwde vrouw is kinderen tot eer van God op te brengen. 
Ik maak terzijde de opmerking dat het in het klassieke huwelijks-formulier geformuleerde Bijbelse beginsel dat een christelijke huwelijk betekent dat er van meet af aan de bereidheid is de kinderzegen te ontvangen onder steeds zwaardere druk staat. Het leren dat de vrouw ont­zegd wordt mag niet uitsluitend tot getrouwde vrouwen worden beperkt. Daarvoor is wat Paulus over mannen en vrouwen zegt in 1 Timotheüs 2 te algemeen. Er wordt niet nader op on­getrouwde vrouwen noch op ongetrouwde mannen ingegaan
Wanneer Paulus in 1 Korinthe 14 vrouwen verbiedt in de gemeente te spreken (d.w.z. zich te mengen in discussies over de uitleg van profetie), beroept hij zich op de wet. Het gaat niet om een gelegen-heidsargument. Paulus weet dat het hier gaat om een beginsel uit de eerste vijf bijbelboeken. Hoe verhoudt zich dan het verbod tot spreken met het gebod dat vrouwen die bidden of profeteren een gedekt hoofd moeten dragen uit 1 Korinthe 11?
Calvijn gaf als antwoord dat Paulus na eerst bestraft te hebben dat de vrouwen met ongedekt hoofd bidden en profeteren nog even wacht met het aan de orde stellen van een algeheel verbod op spreken in de samenkomsten van de gemeente. Een andere mogelijkheid is dat het bidden en profeteren waarover in de eerste helft van 1 Korinthe 11 wordt gesproken, helemaal niet in de samenkomsten van de gemeente plaatsvindt.

Het ambt van ouderling
Het ambt van ouderling zoals dat in de gereformeerde kerkorde een plaats heeft gekregen, niet is onomstreden. Een aantal ver-tegenwoordigers op de synode van Westminster had hier vragen; iets dat niet los gezien kan worden van hun anglicaanse achter-grond. Volgens deze afgevaardigden behoren er naast predikanten helemaal geen ouderlingen die enkel de taak hebben toezicht te houden op de gemeente, te zijn. 
De vraag is hierbij hoe je 1 Tim. 5:17 moet verstaan: ‘Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waardig geacht worden, voor­namelijk die arbeiden in het Woord en de leer.’ Moet het accent op ‘arbeiden’ worden gelegd of op ‘en’ tussen Woord en de leer? In het eerste geval is het de bedoeling dat alle ouder­lin­gen preken; in het tweede geval niet. Ook wie voor de eerste uitleg kiest, kan om praktische redenen verdedigen dat binnen het presbyterium niet alle ouderlingen preken.
Hoe dan ook is noch in het ambt van ouderling noch in dat van diaken ruimte voor een vrouw. Zowel een ouderling als een diaken moet de man van één vrouw zijn. De vrouwen over wie in 1 Tim. 4:11 wordt gesproken zijn óf de vrouwen van ouderlingen óf de weduwen over wie uit­voeriger in 1 Tim. 5 wordt gesproken. Zeker is dat vrouwen in de eerste christelijke ge­meen­ten allerlei diensten verrichten. Er waren vrouwen die profeteerden. Vrouwen werden in­geschakeld bij allerlei vormen van hulpbetoon. Rijkere vrouwen stelden hun huizen open voor de samenkomsten van de gemeente. Phebe is daarvan een voorbeeld.

Conclusie
Wie de ambten voor de vrouw wil openstellen, doet dat niet omdat hij of zij beter naar de Schrift is geen luisteren, maar omdat het getuigenis van de Schrift ondergeschikt wordt ge­maakt aan de tijdgeest. De vrijheid in Christus is een vrijheid die leidt tot een hartelijke en vrij­willige gehoorzaamheid aan Gods wetten en inzet-tingen. Aan zulke mannen en vrouwen is in kerk en samenleving dringend behoefte. De Heere Jezus Christus kwam niet om de wet en de profeten te ontbinden maar die te vervullen. Laten we het ons toevertrouwde pand be­waren.