woensdag 20 juli 2016

Het zingen van Psalmen en gezangen

Het zingen van alleen Psalmen in de eredienst komt steeds meer onder druk te staan. Van allerlei kanten horen we dat het niet juist is ons tot de deze door God Zelf aan de kerk der eeuwen geschonken liederenbundel te beperken. We zou-den met de Psalmen het werk van Christus niet voluit kunnen bezingen. Ook daar waar men in de erediensten alleen Psalmen zingt, worden buiten de erediensten tal van gezan-gen gezongen. Daar zitten in meer dan één geval gezangen bij waarvan de inhoud op gespannen voet staat met die van de Psalmen.
Voor de christelijke kerk is het geen onbelangrijke zaak welke liederen niet alleen in de ere­dienst maar ook daarbuiten worden gezongen. Zeker is dat wij niet alleen de Psalmen behoren te blijven zingen, maar dat het boek van de Psalmen met zijn hoogten en diepten in het bij­zonder de norm vormt waaraan wij alle christelijke liederen dienen te toetsen. Wat ken­merkt nu de inhoud van de Psalmen? Het eerste dat ik wil noemen is dat God in Zijn soeve­reiniteit centraal staat. Niet de mens maar God is het uitgangspunt.
In de Psalmen wordt God bezongen als de Eerste en de Laatste en dat zowel in het werk van de schepping als de herschepping. Hij leidt de geschiedenis naar Zijn Raad en bevestigt Zijn verbond van geslacht tot geslacht. Daarom zal er een volk blijven dat zich in nood en ellende tot Hem wendt. In menig gezang is de aandacht enkel en alleen gericht op de individuele gelovige en niet op de kerk van alle eeuwen en plaatsen die door God Zelf in stand wordt gehouden.
Het punt waarop menig gezang zich onderscheidt van de Psalmen is dat louter over geloofsvreugde en geloofsblijd-schap wordt gezongen, maar niet over de strijd en aan-vechting van Gods kinderen. Als dat het geval is, moeten we zeggen dat het hier niet om een accentverschil gaat. Daarin onderscheiden zich trouwens veel eigentijdse gezangen niet alleen van de Psalmen maar ook van klassiek christelijke gezangen zoals ‘Een vaste burcht’ en ‘Vaste rots van mijn behoud’.
Wezenlijk voor het geestelijke leven is, dat het hier op aarde door strijd wordt gekenmerkt en dan niet alleen strijd van buiten maar ook van binnen. Ik denk aan Psalm 130: ‘Zo Gij in 't recht wilt treden, O HEER', en gadeslaan, Onz' ongerech­tig­heden; Ach, wie zou dan bestaan?’ Er is een theologie waarbij gesteld wordt dat een gezond christen alleen maar dankt en niet meer klaagt. Een gezonde christen is naar deze opvatting een heilige en geen zondaar meer.
Dat staat haaks op wat Luther van een christen betuigde: ‘Tegelijkertijd rechtvaardig en toch zondaar.’ Het staat ook haaks op de tal van de Psalmen. De psalmisten hebben gekermd: ‘HEER', ik voel mijn krachten wijken, En bezwijken, Haast U tot mijn hulp, en red, Red mij, Schutsheer, God der goden, Troost in noden, Grote Hoorder van 't gebed.’ Wie deze taal verstaat, zal zich bij tal van eigentijdse gezangen weinig tot niet thuis voelen.
De enige grond van zaligheid is dat er bij God vergeving is. De grond van de vergeving waarover de oudtestamentische psalmisten zongen is gelegd op Golgotha. Buiten de verzoe­ning met God door Christus’ bloed kunnen we Gods vaderlijke liefde nooit smaken. Opval­lend is dat in veel eigentijdse gezangen uitsluitend God leiding bezongen wordt en de bereid­willigheid van de christen de Heere te volgen, maar dat de verzoening met God door Christus’ bloed niet aan de orde komt.
Dan ga ik nog niet eens in op de muziekwijzen waarop meer-dere eigentijdse gezangen worden gezongen. Wijzen die het gevoel opzwepen in plaats dat zij erop gericht zijn een diep besef van Gods majesteit en heerlijkheid op te roepen. Heel terecht heeft de hervormer Calvijn dit criterium aan-gewezen voor de melodieën die wij voor geestelijke liederen gebruiken.
Door het zingen van gezangen kan een theologie de kerk binnendringen die haaks staat op de gereformeerde leer. Dat geldt zowel voor de tekst van gezangen als voor de melodieën waarop zij worden gezongen. In onze tijd is dat een zeer reëel gevaar. Vaak is het niet alleen een kwaad waarvoor mensen – en niet in de laatste plaats jonge mensen - bewaard moeten worden, maar waarvan zij verlost moeten worden.
Laten we bij het zingen van gezangen buiten de eredienst beperken tot die gezangen beperken die een afglans zijn van de Psalmen. Gezangen waarin de algenoegzaamheid van God, de verdorvenheid van de mens en ook de blijvende zondigheid van de christen wordt verwoord en zo gezongen wordt van Christus als de dierbare en volkomen Zaligmaker. Laten we in de erediensten alleen Psalmen blijven zingen al de norm van alle God verheerlijkende liederen.
De Psalmen hebben een meerwaarde boven de gezangen. Zij dragen een goddelijke stempel en hebben een goddelijke kracht. Zeker als je het boek van de Psalmen in zijn geheel neemt, dan is er geen enkel bundel gezangen die daar tegenop kan. De negentiende-eeuwse Schotse theoloog John Kennedy hield eens een toespraak voor de synode van de Free Church. In deze kerk gingen toen stemmen om de mogelijkheid te openen ook gezangen in de eredienst te zingen.
Kennedy bracht in zijn toespraak onder andere het volgende naar voren: ‘De Heere heeft ons het boek van de Psalmen gegeven. Het is waar dat dit tot stand kwam onder de oud-testamentische bedeling, maar kon de Heere niets iets geven dat voor alle eeuwen geschikt zou zijn?! 
Kunnen mensen die niet door de Heilige Geest geïnspireerd zijn het beter doen dat Hij het door middel van de psalmisten toen heeft gedaan?! Getuigt het feit dat het boek der Psalmen is afgesloten er niet van dat dit boek nooit overtroffen kan worden of aan de kant geschoven mag worden?!
Welk aspect van Gods wezen wordt niet in de Psalmen ontvouwd?! Welk aspect van Zijn voorzienigheid komen we er niet in tegen?! Wat van die dingen die God met en in Zijn kerk doet, hetzij individueel of collectief, wordt er niet in bezon-gen?! Welke geestelijke ervaring, van de zucht uit de diepste aanvechting en het diepste gevoel van hulpeloosheid tot de hoogst denkbare vorm van overwinnende vreugde, vinden we er niet verwoord?!
En hebben wij niet in de Psalmen de grote heilsfeiten in historische vorm?! De komst, het sterven, de opstanding en de hemelvaart van Christus worden in zo’n vorm uiteengezet dat de nieuwtestamentische kerk deze feiten met de Psalmen kan bezingen. Als we nu toch het boek van de Psalmen uit Gods eigen hand hebben ontvangen en als dit boek toch compleet is, en als het de materialen voor lofprijzing bevat in de vorm die het best geschikt is voor onze omstandigheden. Wat hebben wij dan eigenlijk meer nodig?!
Het boek van de Psalmen was genoeg voor de oudtesta-mentische kerk en met het gehele licht van het Nieuwe Tes-tament over de liederen die dit boek bevat, behoort het voor ons genoeg te zijn. In de hemel is het lied van Mozes ook het lied van het Lam. Er is geen verandering in de kerk boven voor Gods troon. Zij zongen vroeger en zingen ook nu: ‘Wie zou U niet vrezen, Heere, en Uw Naam niet verheerlijken? Want Gij zijt alleen heilig; want alle volken zullen komen, en voor U aanbidden; want Uw oordelen zijn openbaar gewor-den.’ (Openbaring 15:4).
Dit is het lied door de kerk boven werd gezongen en wordt gezongen. Laat het dan ook zo zijn op de aarde. Sommigen zeggen dat de nieuw­testa­mentische kerk boven de Psalmen is uitgegroeid. Het meerdere licht dat aan haar is geschon-ken, zou de Psalmen verouderd doen zijn. Hebt u dat meer-dere licht? Zo, ja ga met dat licht naar de Psalmen, en gebruik het om daarmee de Psalmen te zingen. 
Ik verzeker u dat hoe meer u dat zult doen, dat u des te meer diepten zult tegenkomen waarin u niet kunt neerdalen en hoogten in geloof en ervaring die u niet kunt beklimmen. Sommigen hebben de kortzichtige opmerking gemaakt dat de naam Jezus niet in de Psalmen voorkomt. De naam Jezus niet in de Psalmen! Wat bedoelen zij eigenlijk? Is Hij niet in eigen Persoon in de Psalmen aanwezig? Zijn de Psalmen niet vol van Hem?’

Carl R. Trueman, The Wages of Spin: Cricitical Writing on Historic & Contemporary Evangelicalism, Christian Focus Publications, Fearn, Ross-shire, Scotland 2004; ISBN 1-85792-994-2; pb. 190 pp, prijs ₤10,99.
Over de betekenis van het zingen van Psalmen las ik onlangs een zeer lezenswaardig artikel in de bundel The Wages of Spin van de Schotse theoloog Carl R. Trueman. 
Carl Trueman is als hoogleraar kerkgeschiedenis en theo-logiegeschiedenis verbonden is aan Westminster Theological Seminary in Philadephia in de VS. Hij behoort tot de toonaan-gevende jongere theologen van gereformeerde overtuiging in de Engelssprekende wereld. 
Ik wil degenen die de Engelse taal machtig zijn, graag op deze publicatie attent maken. Trueman laat zien dat het niet zingen van de Psalmen of het naar de achtergrond dringen daarvan grote gevolgen pleegt te hebben voor het geestelijke leven binnen kerken.

Malcolm . WH. wH. Watts, God’s Hymnsbook for the Christian Church, James Begg Society, Aberdeen 2003; ISBN 0-9539241-8-1; brochure 64 pp., prijs ₤3,--.
Meer dan eens heb ik de opmerking horen maken dat het uitsluitend zingen van Psalmen een puur Nederlandse gewoonte zou zijn. Deze opmerking getuigt niet van kennis van de kerkhistorie. Het uitsluitend zingen van Psalmen in de eredienst is, als we de Vroege Kerk buiten beschouwing laten, terug te voeren tot Calvijn.
Calvijn wenste in de kerk niets te doen wat niet uitdrukkelijk in Gods Woord was voorgeschreven. Daarom wilde hij in de eredienst alleen dat liedboek gebruiken dat de Heere Zelf aan Zijn kerk heeft gegeven. Buiten de Psalmen liet Calvijn alleen de wet, de geloofsbelijdenis en de lofzang van Simeon zingen. John Knox, de hervormer van Schotland, is zijn geestelijke leermeester gevolg in het inzicht dat de Psalmen het liedboek van de kerk zijn.
De Schotse praktijk werd nog strikter dan die van Calvijn en dan de Nederlandse. Men zong uitsluitend de 150 Psalmen. Daarbij moet nog worden opgemerkt dat de Schotse berijming dichter bij de Hebreeuwse brontekst blijft dan zowel de berij-ming van Datheen als die van 1773. Tot aan het einde van de achttiende eeuw werden er in de Kerk van Schotland enkel Psalmen gezongen. Daarna drongen gezangen binnen.
Nog altijd zijn er echter zowel in Schotland en Ierland kerk-gemeenschappen die enkel de Psalmen zingen. Ik denk aan de Free Church of Scotland, de Free Presbyterian Church of Scotland en de Reformed Presbyterian Church. Ook de Reformed Presbyterian Church of North America volgt deze praktijk. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de autobiografie van Rosaria Champagne Butterfield Een onwaarschijnlijke bekering.
In Engeland hebben de puriteinen dit beginsel verdedigd. Daar is echter in vrijwel alle gemeenten gewoonte geworden in de eredienst gezangen en dan wel uitsluitend gezangen te zingen. De afgelopen decennia heeft een aantal gemeenten als vrucht van de bestudering van de geschriften van de werken van de puriteinen het zingen van de Psalmen weer ingevoerd.
Dat geldt onder andere voor de Emmanuel Evangelical Church te Salisbury. De predikant van deze gemeente schreef een aantal jaren geleden een uitvoerige brochure waarin hij de praktijk om uitsluitende Psalmen in de eredienst te zingen beargumenteerd verdedigt. De Psalmen waren de liederen die in de oudtestamentische tempel werden gezon-gen. Als argumenten dat ook de nieuwtestamentische kerk in de eredienst de Psalmen dient te zingen, noemt hij het voorbeeld van Christus Zelf. Van Hem weten we dat Hij de Psalmen zong.
Samen met Zijn discipelen zong Hij bij de paasmaaltijd de Lofzang, dat wil zeggen de Psalmen 113 t/m 118. In Jacobus 5:13 lezen we de apostolische aansporing: ‘Is iemand goeds-moeds? Dat hij psalm zinge.’ Watts gaat hierbij overigens niet in op het feit dat het woord ‘psalm’ of ‘psalm zingen’ als zodanig niet op de oudtestamentische Psalmen behoeft te slaan. Een ‘psalm’ is in het Grieks eenvoudig een (lof)gezang.
Dat neemt niet weg dat wij gezien de nauwe band tussen het Grieks van het Nieuwe Testament en dat van de oudste vertaling van het Oude Testament, de Septuagint, in Jacobus waarschijnlijk aan de oudtestamentisch Psalmen moeten denken. 
In het boek der Psalmen worden de Psalmen trouwens ook gezangen of geestelijke liederen getypeerd. Daarom zijn Efeze 5:19 en Colossenzen 3:16 ook geen doorslaggevend bewijs voor het zingen van andere liederen dan de Psalmen in de eredienst. De brochure van Watts eindigt met de oproep om vast te houden aan of terug te keren tot het uitsluitend zingen van Psalmen in de eredienst.

Kenneth Stewart (red.), Song of the Spirit: The Place of Psalms in the Worship of God, Reformation Scotland Trust, Glasgow 2014; ISBN 978-1-910013-00-7; pb. 210 pp., prijs ₤5,--.
Onder redactie van Kenneth Stewart, predikant van de Reformed Presbyterian Church van Glasgow, verscheen een bundel waarvan krachtig wordt bepleit alleen de 150 Psalmen in de eredienst te zingen. De meeste bijdragen zijn speciaal voor deze bundel geschreven. Een enkele verscheen al eerder.
Dat geldt bijvoorbeeld voor het minderheidsrapport over eredienst dat John Murray en William Young schreven voor de veertiende generale synode van de Orthodox Pres-byterian Church. Dit minderheidsrapport is als bijlage opge-nomen. In de bundel wordt onder andere de opvatting weerlegd dat het werk van Christus niet met de Psalmen kan worden bezongen. 
David Murray, die als oudtestamenticus aan het Puritan Reformed Seminary in Grand Rapids is verbonden, brengt in zijn bijdrage onder andere naar voren dat de Psalmen een realistische tekening geven van de gevoelens van een kind van God. Het zingen van de Psalmen typeert hij dan ook niet ten onrechte als thera-peutische lofprijzing.

Dr. P.H. van Harten, Psalm en lied, n.a.v de Liederenbundel Weerklank, brochure 32 pp., tweede druk, prijs €5,00. Te bestellen door dit bedrag met vermelding van eigen adres-gegevens over te maken op bankrekening NL06RABO 031 38 57 318 t.n.v. J.P. Prince, Raadhuisplein 4671 DA Dinteloord; email: jpprince@kpnplanet.nl.
Dr. P.H. van Harten, hervormd emeritus predikant van de PKN, schreef onlangs een brochure over het zingen van Psalmen en gezangen naar aanleiding van het verschijnen van de liederenbundel Weerklank. Vanaf haar ontstaan heeft de Gereformeerde Bond voorgestaan dat men zich in de eredienst zou beperken tot het zingen van de Psalmen en van de enige Gezangen die de Dordtse synode had toegestaan.
Dat is de achtergrond van het onverander­lijke artikel in haar statuten dat moet worden gestreefd naar terugkeer tot de Dordtse Kerkorde. Al heel spoedig is de Gereformeerde Bond alle hervormde gemeenten waar geen gezangen werden gezon-gen tot haar achterban te rekenen.
Heel lang is het niet zingen van gezangen in een hervormde gemeente en het zich oriënteren op de Gereformeerde Bond zo goed als synoniem met elkaar geweest. Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond droeg het standpunt om in de eredienst alleen Psalmen te zingen nadrukkelijk uit.
Dat is inmiddels anders. In een steeds groter aantal gemeen-ten waarvan de predikant lid is van de Gereformeerde Bond worden gezangen gezongen. Op 21 april 2016 vond de presentatie van de bundel Weerklank plaats. De bedoeling van deze bundel is om wildgroei in het zingen van gezangen in de eredienst tegen te gaan.
Zij kwam wel niet tot stand onder verantwoordelijkheid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, maar het hoofd-bestuur heeft er zich wel achter gesteld en ruime bekendheid aan gegeven. Van Harten stelt in zijn brochure een aantal indringende vragen bij deze zaak. 
Terecht stelt hij dat het al dan niet zingen van gezangen bijzaak is in vergelijking met de bediening van de verzoening. Ik zou er aan toe willen voegen dat deze kwestie in onder-scheid van het aanvaarden van de vrouw in het ambt of van homoseksuele relaties niet direct het gezag van de Schrift raakt. Helaas zijn dit zaken die in een aantal gemeenten van die gerekend worden tot de Gereformeerde Bond ook zijn geaccepteerd.
Met Van Harten meen ik echter dat het geen onbelangrijke zaak is wat de gemeente in de eredienst zingt. Hij noteert dat in de bundel Weerklank meerdere voortreffelijke klassieke ge-zangen zijn opgenomen en dat men in de bundel niet tegen gezangen met notoire dwalingen aanloopt. Dat neemt niet weg dat Van Harten in de lijn van het standpunt dat tot niet zo lang geleden algemeen geaccepteerd was in de kring van de Gereformeerde Bond het ruimte geven aan het zingen van gezangen in de eredienst een verarming acht.
Bij meer dan een lied dat zijn plek kreeg in de bundel Weer-klank zet Van Harten een kritische kanttekening. Dat geldt bij-voorbeeld lied 2. Dat is een dichterlijke weergave van Lev. 19:15-18. Elke verwijzing naar Hem Die de grote Wetsver-vuller is ontbreekt. In lied 7, een berijming van Neh. 2:20, wordt het oordeelswoord waarmee deze tekst besluit weg-gelaten. Feitelijk staat er nu in dit lied het omgekeerde van wat de tekst zegt.
Van Harten geeft aan dat in meerdere liederen de donkere kant van de bijbelse boodschap naar voren komt. Echter, die kant wordt toch ook meer dan eens verzwegen waar zij zou moeten worden verwoord. Als voorbeeld noemt hij lied 8. Dat is een bewerking van Psalm 1 overgenomen uit de bundel Opwekking. Elke verwijzing naar het verschrikkelijke lot dat de goddelozen wacht ontbreekt.
In meerdere liederen ontbreekt, zo constateert Van Harten, de boodschap van de twee wegen en wordt de zaligheid in wel erg algemene termen verwoord. Van Harten legt er ook de vinger bij dat er een rubriek is met kinderliederen. De kinderen kunnen in gemeenten waar de bundel Weerklank wordt gebruikt hun eigen lied zingen.
Van Harten heeft hier terecht vragen bij. Hier is het niet meer dat ouders en de gemeente de kinderen meenemen maar omgekeerd. Ik zou er aan toe willen voegen dat dit heel duidelijk een afwijking is van de bijbelse en gereformeerde visie op de eredienst. Prediking, lied en gebed zijn voor de gehele gemeente. Ze worden daarom in de taal van vol-wassenen verwoord, al moet dat wel op een zo begrijpelijk mogelijke manier gebeuren.
De catechese is er om kinderen en jonge mensen in te leiden in de taal van de Bijbel en van de kerk. In de eredienst zelf deze taal uitgangspunt zijn. Het is een heel ernstige mis-vatting dat kinderen alleen datgene wat zij kunnen begrijpen, moeten horen, moeten zingen en leren. Heel jong moet een kennisfundament worden gelegd waarmee een kind zijn hele verdere leven winst kan doen.
Bij meerdere kinderliederen zijn ook theologisch vragen te stellen. Van Harten noemt het lied:
God Die alles maakte,
de lucht en ’t zonlicht blij,
de hemel en aarde,
zorgt ook voor mij.
Ook hier valt de algemene verwoording op. Van Harten wijst erop dat in het licht van de eeuwigheid Gods voorzienigheid ons alleen kan troosten als het een Vaderlijke voorzienigheid is. De Bergrede waarin de Heere Jezus Christus zo nadruk-kelijk spreekt over Gods Vaderlijke voorzienigheid, opent dan ook niet voor niets met de Zaligsprekingen waarin de ken-merken van de kinderen van God worden verwoord.
Ik noem nog dat Spurgeon in zijn boekje Rondom de schaapskooi naar voren brengt dat wij kinderen het Evangelie onthouden als wij hen alleen in algemene termen over Gods voor­zienigheid vertellen. Om in Gods Vaderlijke voorzienig-heid te delen moeten wij als vijanden met God worden verzoend en als schuldige zondaren van de toekomende toorn gered. Deze boodschap mag ook aan kinderen niet woorden onthouden.
Ik merk nog op dat in de Engelstalige wereld er liederen-bundels zijn die kennelijk meer diepgang vertonen in de op-genomen liederen dan in Weerklank het geval. Deze bundels heb­ben ook geen rubriek met kinderenliederen. Dan nog meen ik met Van Harten dat wij ons beter in de eredienst aan de Psalmen kunnen houden.
Van Harten merkt op dat het invoeren van gezangen in de kring van de Gereformeerde Bond niet los te zijn is van de verschuivingen in theologisch en geestelijk klimaat in deze kring. Hij noemt uitdrukkelijk het steeds breder gedeelde uitgangspunt dat de gehele gemeente in de zaligheid deelt. De boodschap van de twee wegen begint meer en meer te ontbreken. 
Aan het begin van zijn brochure citeert Van Harten onder andere Dietrich Bonhoeffer. Bonhoeffer heeft gesteld: ‘Met de Psalmbundel gaat een ongeëvenaarde schat verloren, en met zijn herinvoering zullen ongekende krachten haar (sc. de gemeenten) binnenkomen.’
Tegen het einde van zijn brochure verwijst hij naar een con-statering van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond uit 1994 dat gezangen vaak een afbuiging waren van de echt ge­re­formeerde lijn en een ombuiging naar een ander gees-telijk klimaat. Dit is ook van toe­pas­sing op de bundel Weer-klank. Hij eindigt met een appèl op kerkenraden om enkel de Psalmen te blijven zingen. Een appèl dat ik hartelijk wil ondersteunen.