maandag 10 juni 2013

Kerk en belijdenis (2) - De belijdenisgeschriften


De reformatorische belijdenisgeschriften
In de tijd van de Reformatie, en ook nog in de zeventiende eeuw, ontstonden een aantal belijdenisgeschriften. De reformatorische belijdenisgeschriften geven antwoorden op een aantal funda-mentele vragen. Ik denk aan de verhouding tussen het gezag van de Schrift en het gezag van de kerk, aan de betekenis van de persoon en het werk van Jezus Christus, aan de betekenis van de rechtvaardiging door het geloof en aan het onderscheid tussen en de samenhang van rechtvaardiging en heiliging, aan de oorsprong van het geloof en de betekenis van de sacramenten.
Verdrietig is dat ten aanzien van het verstaan van de betekenis van de sacramenten de Refor­ma­tie geen eenheid bleef. Hier laten de gereformeerde en de lutherse belijdenis­ge­schrif­ten een verschillend geluid horen. De waarheid van Gods soevereine genade wordt in de lutherse belij­denisgeschriften niet ontkend, maar is daar niet zo expliciet beleden als in de gerefor­meerde belijdenisgeschriften het geval is.

De doopsgezinden gingen in de zestiende eeuw een geheel eigen weg. Kenmerkend voor de doopsgezinden was een radicale heili-gings­leer. Het refor­ma­to­rische verstaan van de recht-vaardiging werd bij hen niet gevonden. Dat laatste gold niet voor de baptisten die in Engeland in de zeventiende eeuw als afzonderlijke stroming ont­ston­den. De baptisten volgden in hun kerkleer de doops­gezinden, maar in hun recht­vaar­di­gings­leer de gereformeerde Reformatie.
De kerken van de Reformatie hebben belijdenisgeschriften opge-steld om de grenzen van het kerk-zijn naar haar zichtbare gestalte af te bakenen. De belijdenisgeschriften zijn formulieren van enigheid. Zij bedoelen aan te geven waarover men binnen de kerk gelijkgezind dient te zijn. Daarin trekken de belijdenis-geschriften zowel grenzen als scheppen zij ruimte.

Binnen de grenzen die de belijdenis aangeeft, mag er namelijk verschil in accent en benadering zijn. Anders wordt de kerk een sekte. Wij mogen Schrift en belijdenis niet tegen elkaar uitspelen. De belijdenis bedoelt niet boven de Schrift te staan, maar wil niet meer zijn dan een samen­vatting van de boodschap van de Schrift. Zo is zij de geloofsregel van de kerk. In de belijdenis geeft de kerk rekenschap van de inhoud van haar geloof.
 


De drie Formulieren van Enigheid
De gereformeerde belijdenisgeschriften zijn feitelijk niet veel meer dan een nadere uitwerking en ontvouwing van het vroeg-christelijke credo. Daarbij gaat men met betrekking tot de leer van de genade in het voetspoor van Augustinus. De genadeleer van Augustinus doet niets anders dan de belijdenis van de Heilige Geest zoals daarover in de Geloofsbelijdenis van Nicea wordt gesproken, verduidelijken. De Heilige Geest is Heere en maakt levend. Geestelijk leven, geloof en bekering zijn het werk van de Heilige Geest in ons.
Echter, duide­lijker dan Augustinus dat deed wordt het onder-scheid tussen rechtvaardiging en heiliging verwoord en wordt de zekerheid van het geloof beleden. Met haar belijdenis dat aan het kruis van Christus de toorn van God over de zonde plaats-vervangend is weggedragen en zo aan het recht van God voldaan is, sluit de Refor­matie aan bij de inzichten die de middeleeuwse aartsbisschop van Canterbury Anselmus (1033-1109) in zijn boek Waarom God mens werd (Cur Deus Homo) heeft verwoord.
Er zijn een aantal verschillen tussen Anselmus en de Reformatoren. Wij mogen zeggen dar de Reformatoren de verzoeningsleer van Anselmus hebben verdiept. Voor Anselmus was er de keuze tussen het straffen van de zonde óf het genoegdoen aan Gods eer. De reformatoren hebben gesteld dat Christus aan het recht van God heeft genoeg gedaan door plaats­ver­vangend de straf over de zonden te dragen. Hij heeft de vloek van de wet op Zich genomen en Hij heeft als Vertegen-woor-diger van al de Zijnen in Gods gericht gestaan, opdat zij zouden wo­rden vrijgesproken. God straft de zonden wel, maar Hij heeft dat aan Christus gedaan. Zo is er aan Gods heilig recht genoegdoening geschied. Uitdrukkelijk hebben de reformatoren zich op de Schrift beroepen. Zij hebben ook in onderscheid van Anselmus niet los van de concrete persoon van Christus over de verzoening gesproken. Dat zien we als wij de zondagen 5 en 6 van de Heidelbergse Catechismus vergelijken met Waarom God mens werd.
Zeker is dat de christelijke kerk niet zonder een belijdenis kan. Wie het vroegchristelijke credo als uitgangspunt neemt, kan er niet om heen dat nog een aantal vragen open blijven die wezenlijk zijn voor de boodschap van de christelijke kerk. Men kan het vroegchristelijke credo in gemeenschap met Rome belijden of met de Reformatie. Het is echter niet mogelijk om vóór de Reformatie terug te gaan. Protestanten moeten dan ook niet uitzien naar een terugkeer naar Rome, maar juist dat het deel van de christelijke kerk dat in de zestiende eeuw nog niet werd gereformeerd als nog gereformeerd wordt.
Tegenwoordig wordt meer dan eens de mening naar voren gebracht dat wanneer een kerk de belijdenis als grondslag heeft, zij wordt tot een club van gelijkgezinden. De tegenvraag is dan waar men als men de grenzen van de belijdenis te nauw acht voor de omschrijving van het kerk-zijn en ook het christen-zijn, die grenzen dan wel wil trekken? De kerk ook in haar zichtbare gestalte moet toch inderdaad een vergadering van hen zijn die gelijkgezind zijn in het belij­den van de Drie-enig God als de God van volkomen zaligheid.
De belijdenis is in ondergeschiktheid aan de Schrift niet alleen grondslag voor de kerk, maar behoort ook het onderwijs te stempelen. Toen Groen van Prinsterer in de negentiende eeuw over de gereformeerde gezindte sprak, bedoelde hij daarmee de geestelijke gezindheid om te leven bij het evangelie van verzoening door het bloed van Christus als kern van de gerefor­meerde belijdenis-geschriften. Hij begeerde dat deze gezindheid niet alleen de kerk maar ook de school zou stempelen.

Wie het onjuist acht dat de belijdenis grondslag van de kerk vormt, moet al helemaal bezwaren hebben tegen de belijdenis als grondslag van de school om maar te zwijgen van andere maatschappelijke verbanden. Wie het gezag van de belijdenis een be­lem­mering acht voor het rechte functioneren van het Schriftgezag, moet ook eerlijk aangeven waar de belijdenis tekort schiet. Juist daar pleegt de schoen te wringen. Telkens weer blijkt dat moeite met de belijdenis als spreekregel van de kerk, niet los staat van een aan de Schrift zelf strijdige kijk op haar inhoud.



De eenheid van de kerk overschrijdt de kerkelijke structuren
In het protestantisme vallen een aantal hoofdstromen te onderscheiden. Zonder volledig te zijn noem ik het gereformeerde protestantisme, het lutheranisme en het baptisme. Gemeen­schappelijk hebben deze stromen in hun oorspronkelijke vorm het gezag van de Schrift en de betekenis van de rechtvaardiging door het geloof alleen. De wegen gaan onder andere uiteen in de leer van de sacramenten.
Naar mijn vaste overtuiging is de gereformeerde belijdenis de diepste expressie van het bijbelse getuigenis. Betekent dit dat kerken met een lutherse of baptistische belijdenis niet als kerken van Christus gezien mogen worden? Dat is een gedachte die naar mijn even vaste overtuiging ondraaglijk is. Calvijn heeft de waarde van Luthers kerkelijke arbeid niet ontkend, maar juist zeer hoog aangeslagen. Calvijn wenste wel dat in de reformatie van de kerk zowel leerstellig ten aanzien van de sacramenten als ook met betrekking tot liturgie en kerkregering de lijnen anders getrokken zouden worden dan Luther en zeker zijn volgelingen deden.
De reformatoren dachten nog sterk vanuit de gedachte dat er binnen een staatkundige groot­heid slechts één kerk in haar zichtbare gestalte kan zijn. Die gedachte is in de loop der eeu­wen steeds meer stuk gelopen op de politieke en maatschappelijke werkelijkheid. In Neder­land vond men van meet af aan kerken met een verschillend belijden binnen één staat­kundige struc­tuur. Voetius, één van de voormannen van de Nadere Reformatie, had contacten zowel met lutheranen als doops-gezinden waarbij wederzijds sprake was van geestelijke her­kenning. Toch kunnen gereformeerden, lutheranen en baptisten op het niveau van de plaat­se­lijke gemeente (en daar moet toch de eenheid beginnen) aan de eenheid van het lichaam van Christus geen zichtbare gestalte geven. Hun verschillende kerk- en sacraments­leer maakt dat on­mogelijk. Hooguit kunnen mensen uit de ander andere stroom als gastlid binnen de gemeente functioneren.
Wat in de Reformatie in kiem aanwezig was, wordt in de achttiende eeuw steeds uit­druk­kelijker geformuleerd, namelijk dat de kerk van Christus naar haar zichtbare gestalte meer dan één vorm heeft. In ons vaderland schreef Herman Bavinck (1854-1921) in de negentiende eeuw een prach­tig boekje onder de titel De katholiciteit van christendom en kerk. Met diep verdriet aanvaardt Bavinck de pluriformiteit der kerk, omdat hij het christen-zijn en kerk-zijn niet wil beperken tot hen die de gereformeerde belijdenis in al haar facetten onderschrijven en tegelijkertijd is hij ervan doordrongen dat de pluriformiteit van de kerk niet los staat van de zondige beperktheid van ons menselijk kennen. Zelf meen ik dat Bavinck hier in essentie de juiste toon heeft aan­geslagen. Dat was ook de mening van een confessioneel hervormd man als J.J. Knap jr. (1876-1945).