vrijdag 23 maart 2018

Tedere Majesteit. Omgang met God in gereformeerde spiritualiteit


In 2015 trad dr. Jan Hoek terug als bijzonder hoogleraar gere-formeerde spiritualiteit aan de PTHU te Groningen en hoofd-docent aan de CHE. Ter gelegenheid daarvan zag het boek Tedere Majesteit het licht. Hoek ontvouwt hier zijn gedachten over Gods verhevenheid en na­bijheid.
Terecht stelt hij dat die twee zaken kenmerkend zijn voor een bijbelse en gerefor­meerde spiritualiteit.  In hoofdstuk 4 en 5 gaat hij in gesprek met collega’s en studen­ten. De collega’s be-horen allen op een na tot de PKN. Dat is uiteraard wel een beperking als het gaat om gedachtewisseling. Niet alleen kerkelijk maar ook theologisch.
Vanuit de Heidelbergse Catechismus stelt Hoek Gods nabij-heid en verhevenheid aan de orde. De persoonlijke toonzetting van de Heidelbergse Catechismus biedt daartoe alle aanlei-ding. Daarnaast stelt Hoek terecht dat de Heidelbergse Cate-chismus weliswaar een gereformeerde belijdenisgeschrift is maar met grote openheid naar het erfgoed van Luther.
De opstellers streefden naar consensus zonder de boodschap van de Schrift tekort te doen. Beginnend bij Bastingius en ein-digend bij Barth geeft Hoek uitleggers van de Heidelbergse Catechismus het woord. Bastingius schreef als eerste een Nederlandse catechismusverklaring. Mij viel uit Hoeks weer-gave op hoe troostrijk en existentieel Bastingius spreekt.
Over de grote theologische en kerkhistorische kennis van Barth hoeft geen twijfel te bestaan. Echter, als Hoek hem on-danks de universalistische tendensen in zijn theologie als gere-formeerd theoloog ziet, kan ik daarin niet meegaan. 
Historisch is dit uiteraard wel waar, maar als wij ‘gereformeerd’ normatief invullen ligt dat anders. Dan is Billy Graham - om maar een naam van onze eigen tijd te noemen - veel gere-formeerder dan Barth, terwijl ook Graham be­paald niet zonder meer met de gehele inhoud van de belijdenis instemt. Trouwens ook een man als Arminius was gereformeerder dan Barth.
Het meest teleurstellend van Tedere Majesteit vond ik Hoek blijkens zijn reactie op dr. G. van den Brink de indruk geeft dat hij geen moeite heeft met het aanvaarden en gebruiken van de historisch-kritische methode van Schrift lezen. Als Hoek zegt dat de Bijbel ons de zoektocht van mensen tekent die nu weer eens deze dan weer die zijde van Gods waarheid in het oog vatten, wordt al te zeer vanuit de mens de inhoud van de bijbelse openbaring getekend. 
Ik zou hier willen wijzen op Alvin Plantinga die principieel het gelovig lezen van de Bijbel (door hem traditionele Schrifuitleg) en het historisch-kritisch lezen van de Bijbel van elkaar onderscheidt. Hij laat zien dat wie weten­schappelijk de Bijbel op een neutrale manier wil lezen maar persoonlijk als een gelovige ook als wetenschapper essentiële elementen van de bijbelse boodschap niet ten volle kan verdisconteren.
Veel uitvoeriger dan Plantinga gaat Gerhard Maier, de voor-malige lutherse bisschop van de landskerk van Württemberg, in zijn boek Biblische Hermeneutik op deze materie in. Hij geeft aan dat wie de Bijbel gelovig leest, de historisch-kritische me-thode moet prijs geven en wie de Bijbel historisch-kritisch leest, steeds minder aan de klassiek christelijke boodschap recht kan doen.
Voor alle duidelijkheid: wij moeten wel de bijbelse teksten allereerst vanuit de histo­rische context waarin zij klonken ver-staan, maar dat dient te geschieden vanuit de overtuiging dat de Bijbel in zijn totaliteit het volstrekt betrouwbare en onfeilbare Woord van God is. In plaats van historisch kritisch lezen moe-ten we spreken van historisch-grammaticaal-(literair)-theolo-gisch lezen.
Hoek wenst de bijbelse nodiging om tot Christus te komen voluit recht te doen. De belijdenis van Gods soevereiniteit mag daaraan geen afbreuk doen. Helaas is dat meer dan eens gebeurt. Hier kan ik Hoek alleen maar bijvallen. Dat geldt niet als hij dr. Wim Verboom bijvalt in dienst kritiek op de Dordtse Leerregels.
Verboom kan zich niet vinden in de wijze waarop dit be­lij-denisgeschrift over verkiezing en vooral verwerping spreekt. Volgens Verboom mogen we niet meer zeggen dan God ver-werpt degenen die Zijn verbond verwerpen. 
Ik zou daarbij allereerst willen opmerken dat de bijbelse boodschap breder is dan die van het verbond van genade. We moeten beginnen met God als Schepper Die sinds de zondeval Zijn toorn over de mensheid openbaart. Alleen in dat licht kan op de juiste wijze over Gods verbond en Zijn genade worden gesproken.
Ongetwijfeld mogen wij – iets dat in het besluit van de Dordtse Leerregels onderstreept wordt – niet op dezelfde wijze over de verwerping spreken als over de verkiezing. Alle nadruk moet vallen op het feit dat een mens door eigen schuld verloren gaat. 
Als wij echter niet meer zeggen dan dat God degenen verwerpt die Hem verwerpen, doet dat geen recht aan het feit dat God niet bijna alle dingen, maar alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil. De vraag wordt dan ook niet beantwoordt waarom niet alle mensen Hem verwerpen. 
Hoek en Ver­boom hebben moeite met de gereformeerde leer van de soevereiniteit van God. Ik zou willen be­nadrukken als het God om Gods soevereiniteit, onze verlorenheid en onze verant­woor­delijkheid dat God hierin ons begrip te boven gaat. Wij moeten leren ook hierin verstaan dat God God is en wij mens zijn.
Als wij ten volle recht doen aan het feit dat het geloof een genadegift van God, kunnen we er niet om heen dat God dit geloof niet aan allen schenkt, hoezeer wij ook onderstrepen dat ongeloof eigen schuld is.
Wanneer Hoek in het slothoofdstuk zijn eigen visie ontvouwt zegt hij dat God er speciaal voor ons wil zijn en een relatie met ons zoekt. Hij zet zich van eeu­wig­heid tot eeuwigheid in voor het heil van de mens. Als wij op Zijn uitnodiging ingaan, krijgen we een persoonlijke band met Hem en leren we Hem kennen als God boven ons (de Vader), God naast ons (de Zoon) en God in ons (de Heilige Geest).
Hoe waar dit ook is, hier wordt wel gemist dat God door Zijn Geest het geloof in ons werkt. Later geeft Hoek een citaat uit de Tweede Helvitische Confessie waarin dit wel wordt ver­woord, maar dat wat daar naar voren komt, is te weinig in wat hij zelf naar voren brengt, geïn­te­­greerd. 
Klassiek wesleyaanse methodisten, die ook de gerefor­meer-de leer van Gods soeve­reiniteit niet geheel aanvaarden, plegen duidelijker en nadruk­kelijker over het eenzijdige werk van God in de wedergeboorte en over de toekomende toorn waarvan wij gered worden door Christus’ bloed, te spreken dan Hoek doet.
Niet dat het laatste geheel ontbreekt, maar hij denkt, zoals hijzelf aangeeft, allereerst vanuit Gods toewendingseigen-schappen van genade, ontferming en barmhartigheid. Dat ons kennen van God en van Zijn Woord daarin haar vaste anker vindt, is duidelijk. Sprekend over Gods toewending moeten wij echter toch sinds de zondeval eerst over Zijn toorn spreken om vanuit die werkelijkheid Gods genade te belichten. Dat is bijvoorbeeld ook de lijn van het klassieke doopsformulier.
Hoek zegt in Tedere Majesteit mooie en behartigenswaardige dingen, maar een aantal essen­tiële zaken worden veel te om-floerst verwoord.  Ik vind het verdrietig dat het moet, maar het zou oneerlijk en onjuist zijn de kritische opmerkingen die ik maakte, achter­wege te laten. Ik hoop dat Hoek die in zijn gedachtegoed binnen de gereformeerde gezindte bepaald niet alleen staat, deze kritische opmerkingen serieus zou willen overwegen.
Ik zie uit naar theologen en christenen die ondubbelzinnig het volstrekte gezag van de Schrift belijden en onbekrompen en ondubbelzinnig spreken over onze verlorenheid en Gods genade. Dat zal kerk tot zegen van de kerk zijn.

dr. Jan Hoek, Tedere Majesteit. Omgang met God in gere-formeerde spiritualiteit, Boeken­centrum, Zoetermeer 2015; ISBN 978-90-239-7033-0; pb. 31 pp., prijs €24,90.