vrijdag 4 december 2015

De Belijdenissen van Augustinus

Als we de Bijbelschrijvers buiten beschouwing is er geen navol-geling van de Heere Jezus die zo’n groot stempel op de christelijke kerk heeft gezet als de kerkvader Augustinus (354-430). Augus-tinus wordt terecht de kerkvader van het Westen genoemd. Geen andere kerkvader heeft zoveel geschriften nagelaten als hij. Bekende uitdrukking in de geloofsleer zijn van hem afkomstig.
Dan kunnen we denken aan de uitdrukking  ‘erfzonde’, aan de onderscheidingen van de staat van rechtheid, van verlorenheid, van wedergeboorte en van eeuwige zaligheid of ramp­zaligheid. Als in de achttiende eeuw de Schotse theoloog Thomas Boston het boek De viervoudige staat publiceert. grijpt hij daarin op de kerkvader Augustinus terug.
De geschriften van Augustinus zou je met een indrukwekkende kathedraal kunnen verge­lijken. Niet alleen vanwege hun omvang maar ook vanwege hun diepe inhoud. Welke deur kun je nu het best gebruiken om de kathedraal van Augustinus’ geschriften binnen te gaan? 
Iedereen die Augustinus iets beter kent, noemt dan zijn werk dat zijn bekendste werk, namelijk de Confesssiones. Dat is een Latijns woord dat meestal met Belijdenissen wordt ver­taald maar je zou ook met Lofprijzingen kunnen vertalen.
In de vorm van een gebed tot God vertelt Augustinus in negen boeken (wij zouden nu hoofdstukken zeggen) hoe God hem trok uit de duisternis tot zijn wonderbare licht. De vorm van Augustinus Belijdenissen herinnert ons aan het Bijbelboek van de Psalmen. Een Bijbel­boek dat Augustinus heel dierbaar was. Augustinus zong trouwens ook heel erg graag.
In de Belijdenissen begint Augustinus zijn levensverhaal met zijn geboorte en eindigt hij met het feit dat hij samen met vele anderen in de kerk van Milaan het teken van de Heilige Doop ont­ving om vervolgens naar zijn geboortestreek Noord-Afrika terug te reizen. Dan volgen nog vier boeken.
In het tiende bespreekt de vermogens van de menselijke ziel en vooral die van het geheugen bespreekt, terwijl in de laatste drie ingaat op de schep­ping. In dat verband gaat hij ook in op het begrip ‘tijd’. Juist de vragen van de schepping en hoe er kwaad kan zijn in de schepping waren voor Augustinus aanleiding geweest het christelijke geloof vaarwel te zeggen.
In de oudheid speelde ook de vraag hoe het mogelijk was dat een onveranderlijke God het besluit van de schepping kon nemen. Naar de opvatting van de Griekse filosofie was de ma­terie er altijd geweest. Niet alleen God was eeuwig maar ook de materie. De Kerk daarentegen leerde op grond van de Schrift de schepping uit het niets (creatio ex nihilo).
Augustinus heeft geleerd zijn verstand te onderwerpen aan het getuigenis van de Schrift. Na zijn bekering zocht hij niet vanuit het ongeloof, maar juist vanuit het geloof naar begrip. Daarin is hij nog altijd een voorbeeld. Zeker voor hen die worstelen met de vragen van geloof en wetenschap.
Om de Belijdenissen toegankelijker te maken zijn ze door Evert Barten herschreven. Hij heeft dat op een bijzonder goede manier gedaan. Zijn wens is dat mensen die de Belijdenissen in hun oor-spronkelijke vorm nooit ter hand zouden nemen, zo toch van dit boek kennis nemen. En wellicht dat zij daarna toch naar de Belijdenissen in hun oorspronkelijke vorm grijpen.
Dat zal Evert Barten bepaald niet erg vinden. Integendeel, dat is voor het hem een bewijs dat hij zijn werk niet voor niets heeft gedaan. Het kan ook zijn dat de Belijdenissen in de oor­spronkelijke vorm te pittig blijven. Daarom is verheugend dat dit zo belangrijke werk uit de kerkgeschiedenis zo voor meerderen toegankelijk is.
Wat kunnen wij van de Belijdenissen leren? Je merkt eruit ook in de herschreven vorm dat Augustinus echt een denker was. Dat neemt niet weg dat meerdere van zijn vragen niet alleen heel herkenbaar zijn, maar ook de eeuwen door zijn gesteld. Dan kunnen we denken aan vragen als: Waar kwam Kaïns vrouw vandaan?,
Waarom liet God in het Oude Testament het hebben van meer dan één vrouw toe en is dat in het Nieuwe Testament verboden? Ik noem ook vragen die Augustinus heel diep hebben beziggehouden: Waar komt het kwaad vandaan en waarom liet God de zondeval toe?
Onder andere omdat de Kerk hem als jongeman geen antwoord kon geven op zijn vragen keerde Augustinus de Kerk de rug toe. Hij sloot zich aan bij de sekte van de Manicheeërs. Hun bewering dat hun leer volstrekt verstandelijk te begrijpen was, sprak hem aan-vankelijk heel erg aan.
Echter, ten slotte bleek dat ook zij zaken beweerden die je op hun gezag moest aanvaarden. Later heeft Augustinus gezegd dat hij dan liever het gezag van de Kerk volgde. De Kerk die hem wees op de Bijbel als de stem van de Heere Jezus Christus.
Wanneer jongeren intellectuele twijfels bij het christelijke geloof hebben, kunnen zij van Augustinus leren dat hij dat ook heeft gehad. De boodschap van de Bijbel en van de Kerk botste op meer dan een punt met de wetenschap van die dagen. Monica, zijn godvrezende maar eenvoudige moeder kon zijn vragen niet beantwoorden.
Een eenvoudige bisschop die zij vroeg het gesprek met haar zoon aan te gaan, wees haar verzoek af. Hij wist dat hij niet in staat zou zijn dat jonge man overtuigen. En hoe dan ook moet uiteindelijk Gods Geest dat doen. Toen Monica bleef aandringen, heeft deze bisschop van wie wij de naam niet kennen, enigs­zins geërgerd geantwoord: ‘Een zoon van zoveel tranen kan niet verloren gaan.’ Dat is een profetie gebleken.
Augustinus schreef zijn Belijdenissen om mensen die zoals hij van het christelijke geloof waren afgedwaald tot inkeer te bewegen, om zoekers bij te staan en om gelovigen die net als hij mochten weten dat God Zelf hen had opgezocht, in geloof te versterken. Al is het boek in een heel andere tijd geschreven en al moeten wij bij het maken van toepassingen naar heden meer dan eens een ver-taalslag maken, daarin is het nog altijd brandend actueel.
Vooral omdat de diepste vragen van het menselijk hart niet veranderen. Dan denken we aan een zin die je vindt helemaal aan het begin van de Belijdenissen en die ongetwijfeld de bekendste uitspraak van Augustinus is. ‘U hebt ons geschapen tot U en on-rustig is ons hart totdat het rust vindt in U.’

Augustinus heeft geleerd dat een mens alleen echt gelukkig is als hij aan zijn diepste doel beantwoord. Dat doel is God verheerlijken en zich in God verheugen. Dat kan sinds de zondeval alleen als wij toegang tot God krijgen door Jezus Christus.
Nadat hij zich had afgekeerd van de Manicheeërs heeft Augustinus enige tijd houvast gezocht in de werken van (neo)platoonse filo-sofen. Echter, hij miste daarin wat hij als jongeman al in ge­schriften van heidense schrijvers had gemist, namelijk de Heere Jezus Christus.
Aange­trok­ken door diens welsprekendheid ging hij in Milaan bij Ambrosius naar de kerk. Onder de pre­di­king van Ambrosius ver-dwenen zijn intellectuele vragen en twijfels bij het christelijke ge­loof. Echter, hij kon het niet opbrengen zichzelf te verloochenen om Christus na te volgen.
Hij bad weliswaar om bekering, maar wist dat hij iets vroeg dat hij niet direct wilde ont­van­gen. Hij zou dan immers moeten breken met alles wat hem van God afhield. Hij had het gevoel dat hij dan een gevangen en geboeid mens zou zijn.
Hij wilde wel na dit leven de hemel, maar had er geen behoefte aan in dit leven nabij God te zijn. Het onderscheid tussen verstandelijke aanvaarden van het christelijke geloof (wel historisch geloof genoemd) en het hartelijke beleven ervan (het zaligmakende geloof) vinden we in de boeken zeven en acht van de Belijdenissen terug. In boek zeven beschrijft Augustinus zijn intellectuele bekering en in boek acht zijn morele of existentiële bekering
Hoevelen hinken precies als Augustinus vóór zijn bekering op twee gedachten. Hoevelen willen we bekeerd worden in de zin dat zij naar de hemel willen, maar hebben er geen zin in de smalle weg te bewandelen. Toch vraagt de Heere dat van ons. 
Als je merkt dat je niet  alleen niet kunt maar ook niet wilt, doe dan net als Augustinus en vraag aan de Heere: ‘Geeft u toch aan mij wat U van mij beveelt en beveel dan aan mij wat U van mij wilt.’ Augustinus heeft mogen merken dat hij al biddend om de Geest door Gods genade leerde bidden door Gods Geest. Daarin was hij niet de eerste, maar gelukkig ook niet de laatste. God is de eeuwen door dezelfde gebleven.
In de tijd dat Augustinus hinkte op twee gedachten had hij een gesprek met zijn vriend Alypius. Hij vroeg waarom zei toch de goede keuze niet konden maken. Toen hoorde hij een kinderstem een lied zingen met de woorden ‘Neem en lees’. Hij sloeg de Bijbel (het boek van de apostel Paulus) op waar hij het had neergelegd en las de woorden: ‘niet in brasserijen en dronken­schap­pen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden’ (Romeinen 13:13–14) .
Wat er na het lezen van deze Bijbeltekst gebeurde geef ik in de woorden van Augustinus zelf weer: ‘Want direct, toen ik deze woorden tot het eind toe had gelezen, stroomde als het ware het licht van de gemoedsrust mijn hart binnen en alle duisternis van twijfel vluchtte weg.’ Augustinus voelde zich nu geen geboeid mens, zoals hij van tevoren had gedacht maar juist een bevrijd en gelukkig mens. 
Augustinus heeft zijn leven teruggezien in de jongeling van Naïn. Ook hij was van dood levend geworden. Zoals de weduwe van deze enige zoon werd verhoord, had de Heere ook de gebeden van zijn moeder verhoord. De Kerk mag weten dat de Heere op haar gebed wonderen blijft doen en doden levend maakt.
Wie genade heeft ontvangen vindt het geen opgave God te dienen, maar is verdrietig dat hij het nog al te weinig doet. Hij wordt op aarde een vreemdeling en ziet uit naar de dag waarop hij God vol-komen zal dienen. Dat verbindt alle Gods kinderen de eeuwen door met elkaar. Dat kan je uit de Belijdenissen leren. Ik wijs daarnaast op het tweede hoofdwerk van Augus­ti­nus De Stad van God.
Mijn bede is dat iedere lezer het lezen van deze vereenvoudigde weer­gave van de Belijdenissen van Augustinus een pelgrim wordt op reis naar het nieuwe Jeru­zalem. Ik hoop dat in een van de meest geliefde teksten van Augustinus uit het Oude Testa­ment jouw leven (ik ga uit van jeugdige lezers, maar het geldt oudere lezers niet minder) ge­tekend mag worden. Dat zijn de woorden: ‘Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen’ (Psalm 73:28).


N.a.v. Evert Barten, Neem en lees. Augustinus’ Belijdenissen uitgelegd, Den Hertog, Houten 2015: ISBN  9789033127373; hb. 158 pp., prijs €19,90.