dinsdag 27 februari 2018

Een mooi commentaar op 1 Samuel


In de serie Concordia Commentary schreef Andrew E. Stein, hoogleraar Oude Testament en Hebreeuws aan Concordia University Chicago, het deel over 1 Samuël. Hij bereidt het deel over 2 Samuël voor. Het deel op 1 Samuël bevat een inleiding op de beide boeken. Uiteraard wijst Steinmann erop dat we de tweedeling tussen 1 en 2 Samuël pas in de Sep-tuaginta vin­den. Ongedeeld is Samuël één van omvangrijkste boeken van het Oude Testament. Daarin staan drie personen centraal: Samuël de laatste richter, Saul de eerste koning en David de tweede en grootste koning van Israël.
Steinmann wijst erop dat de anonieme schrijver van de boeken van Samuël historische bronnen gebruikte. Sommige beston-den wellicht alleen in mondelinge vorm, maar ongetwijfeld zijn er ook schriftelijke bronnen door de auteur gebruikt. Zijn uitgangspunt is wel dat tenzij expliciet naar een bron wordt verwezen, het beste is om de vertellingen als geheel te lezen en niet speculeren over gereconstrueerde bronnen.
Eén van de vragen die door de vertellingen van Samuël wordt opgeroepen is hoe David in contact kwam met Saul. Wijst het feit dat volgens 1 Samuël 16 David als musicus aan het hof van Saul kwam en volgens 2 Samuël 17 door het feit dat hij bereid was de strijd met Goliath aan te gaan, niet op twee verschillende, elkaar tegensprekende bronnen. Steinmann meent van niet. Hij gaat ervan uit dat David aanvankelijk een van de vele wapendragers van Saul werd. Kennelijk was hij thuis als de strijd met de Filistijnen ontbreekt en pas na zijn overwinning op Goliath is Saul echt geïnteresseerd om precies te weten uit welke familie David komt.
Steinmann ontkent niet dat de theologische accenten van het boek Deuteronomium een grote plaats hebben in de boeken van Jozua tot en met Koningen. Zijn bezwaar is dat met een beroep daarop nog al eens de betrouwbaarheid van deze boeken als historische bron wordt ge­kleineerd. In samen­hang daarmee pleegt men de boeken Jozua, Richteren en Samuël dan laat te dateren. De inhoud van de aanduidingen ‘tot op deze dag’ maken echter een vroegere datering aan­nemelijk. Het voor­stel van Steinmann is om de boeken van Samuël enige gene­raties na Salomo te dateren. Hij noemt in verband met de datering ook de defectieve schrijf­wijze van de naam David. Die sluit een datering van na de ballingschap uit.
Als het gaat om de boeken van Samuël is niet in de laatste plaats de vraag hoe wij de persoon van David moeten zien. Walter Bruggeman ziet Saul als het slachtoffer van Gods ondoor­grondelijke keuze voor David. Steinmann voelt terecht veel meer voor de zienswijze van Paul Borgman die stelt dat David een complex persoon is maar wel een persoon die de morele imperatieven verstaat van de wereld die hij bewoont en een persoon die zich verheugt over Gods genade en barm-hartigheid. Trekken die Saul mist. De juiste kanttekening die Steinmann bij Borgman plaatst, is dat geen menselijke per-sonen de vertellingen van Samuël samen­binden maar JHWH Zelf. Hij is de uiteindelijke hoofd­persoon van de boeken van Samuël is.
Vanaf de Nathans profetie van 2 Samuël 7 wordt de komende Messias met David verbonden. Aansluitend bij Luther kiest Steinmann ervoor om 2 Sam. 7:19 te lezen als ‘dit is de wijze van doen van de man’ en dan bij ‘man’ aan komende Messias te denken. Hij weet wel dat de meeste commentatoren bij ‘man’ aan de mensheid denken en daarom 2 Sam. 7:19 verstaan als een verbond of charter ten behoeve van de mens-heid. Zijn bezwaar is dat deze zienswijze onverenigbaar is met de parallelle plaats in 1 Kron. 17:17. Niet onwaarschijnlijk is dat David daar als de meeste verheven mens wordt gezien of als de voorafschaduwing ervan, zoals Luther stelde.
Steinmann wijst erop dat de tekst van Samuël ons voor meer tekstkritische problemen stelt dan welk ander boek ook van het Oude Testament. De zienswijze van de auteur is om van geval tot geval te bekijken welke tekst de voorkeur verdient: de MT, de LXX of een rol uit Qumran die nog weer een andere lezing heeft. In 1 Sam. 14:41 vindt Steinmann een voorbeeld dat de langere lezing van de LXX de voorkeur heeft boven de MT.
In het algemeen ben ik zeer enthousiast over de Concordia Commentary. Dat geldt ook van dit deel. Deze reeks is bruik-baar zowel voor hen die nauwelijks Hebreeuws beheersen en biedt dan vooral in theologisch opzicht veel. Vanwege de zeer uitvoerige rubriek ‘Textual Notes’ die aan elke passage voorafgaat die wordt becommentarieerd, is ze ook zeer hand-zaam voor hen die meer over de Hebreeuwse tekst willen weten. 
Tenslotte noem ik de excursen. In het deel over 1 Samuël vinden we leerzame excursen over polygamie in het Oude Testament, de pro­feet Samuël in de Schrift, de urim en de tumim en over Luthers kijk op de persoon en betekenis van de profeet Samuël.

Andrew E. Stein, 1 Samuel, Concordia Commentary (St. Louis: Concordia Publishing House, 2016), harcover 636 pp., $54,99 (ISBN 9780758606945)

zaterdag 24 februari 2018

Voorbereiding op de ambtelijke bediening

Inleiding
Allan Herman die zowel in Schotland als in zijn geboorteland Australië als oudtesta­men­ticus aan theologische seminaries heeft les gegeven, scheef een buitengewoon leerzaam boekje over de voorbereiding op het ambt van dienaar van het Woord. Verschillende zaken komen aan de orde zoals de roeping tot het ambt, de theologische opleiding en het metterdaad aan-vangen van het ambtelijke werk.

De roeping tot het ambt
1.  Allereerst brengt Harman naar voren dat alleen zij die door een levend geloof met Christus verenigd zijn, door God innerlijk tot het ambt van dienaar van het Woord geroepen worden. Harman stelt terecht dat zij die zich de vraag stellen of zij wellicht tot dienaar van het Woord worden geroepen, zichzelf met betrekking tot de vol-gende zaken moeten onder­zoeken:
2.  Vervult het mij met passie dat de Bijbel het Woord van God is?
3.  Is mijn diepste begeerte Christus aan verloren zondaren te verkondingen?
4.  Voel ik mij gedrongen prediker van het Evangelie te zijn?
5.  Heb ik de intellectuele capaciteiten om te studeren als voorbereiding op het ambt van dienaar van het Woord en als ik in dat ambt sta?
6.  Ben ik in staat om in het openbaar te spreken?
7.  Kan ik gemakkelijk met mensen van verschillende leeftijden en achtergronden omgaan?
8.  Ben ik in staat met anderen samen te werken?
9.  Heb ik capaciteiten om leiding te geven?
Het moet zo zijn dat deze zaken ook anderen opvallen. Harman stelt dat wij ons niet mogen voorbereiden op het ambt als de leiding van de plaatselijke gemeente waartoe wij beho-ren ernstige twijfels heeft. Als het goed is, zijn we ook niet bevreesd om mensen die ons wat beter kennen om hun oor-deel te vragen. Ben je getrouwd, dan is van groot belang dat je vrouw van harte achter de beslissing staat je voor te bereiden op het ambt van dienaar van het Woord.

Studie die voorafgaat aan de theologische opleiding
Harman stelt dat het cruciaal is dat wij opwassen in de genade en kennis van de Heere Jezus Christus. Getrouw en biddend de Schrift bestuderen is dan wel heel essentieel. Hij raadt aan om de gehele Bijbel eenmaal per jaar door te lezen. Wie dienen zeer goed thuis te raken in het Woord van God. 
Nog voordat wij een theologische opleiding gaan bezoeken dienen we breed belezen te zijn in goede boeken die vanuit een besliste Bijbelse over­tuiging zijn geschre­ven. Het is goed daarbij het advies van anderen te vragen. We moeten ons bepaald niet beperken tot eigentijdse schrijvers. Van belang is al in een heel vroeg stadium een bibliotheek te gaan opbou-wen.
Harman wijst erop dat het van belang is in een vroeg stadium in allerlei opzichten taal­vaardigheid te vermeerderen. Daar-naast noemt hij het beluisteren en lezen van goede preken zowel naar inhoud als vorm en dat van predikers uit het heden en het verleden.

De keuze van een theologische opleiding
In de Engelssprekende wereld is er veel en veel meer keuze in theologische opleiding dan in Nederland. Harman geeft aan-wijzingen waarop moet worden gelet bij het volgen van een theologische opleiding. Deze adviezen sluiten niet tot nauwe-lijks aan bij de Neder­landse situatie. Bij ons valt of weinig of niets te kiezen. Dat neemt niet weg dat voor iedereen van belang is en blijft aan welke criteria een theologische opleiding behoort te vol­doen. Is er geen opleiding waarvoor dat geldt, dan moet dat als een noodsituatie wor­den gezien.
Harman acht de keuze voor de juiste opleiding zeer belangrijk. Op de een of andere wijze zal een theologische opleiding ons vormen zowel bewust als onbewust. Dan is het wel essentieel dat de inhoud van de colleges de toetst van de Schrift en de leer van Gods genade kan door­staan. Hij raadt aan voordat men voor een bepaalde theologische oplei­ding kiest zich gron-dig van het karakter ervan op de hoogte te stellen en ook na te gaan wat de grondslag is.
Naast een Bijbelse en confessionele grondslag is het van belang ervan verzekerd te zijn dat de theologische opleiding die men kiest niet alleen van niveau is maar ook gericht is op de opleiding van dienaren van het Woord. Het eerste kan het geval zijn, terwijl voor het tweede weinig aandacht is. 
Een student die kiest voor een theologische opleiding die niet aan een bepaald kerkverband is verbonden, moet beseffen dat het kerkverband waartoe hij behoort aanvullende opleidings-eisen kan stellen ook al heeft men een volledige theologische opleiding voltooid.
Wie deze criteria naast de Nederlandse theologische opleiding legt, moeten constateren dat in Nederland er niet een theo-logische opleiding is die hier helemaal aan beantwoord. De PTHU weer­spiegelt de theologische pluriformiteit van de PKN en er zijn nauwelijks docenten die zich verbonden weten met de gereformeerde belijdenis. 
In Kampen en Apeldoorn is de situatie anders. Echter, terwijl vroeger beiden instellingen gereformeerd in de zin van de belij-denis konden worden genoemd, is dat nu niet meer over de gehele linie het geval. Het geldt wel voor individuele docenten of hoogleraren.
In Kampen en Apeldoorn is men in brede zin van het woord ge-reformeerd maar de belijde­nis is niet zonder meer norm. Het is goed dat studenten beseffen dat gereformeerd niet zonder voorbehoud vanuit de belijdenis wordt gevuld. 
Er is grote openheid naar nieuwere opvattingen over herme-neutiek waarin het gezag van de Schrift wordt gerelativeerd. Dan klinken er binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken wel veel meer tegenstemmen dan in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. 
Zowel in Kampen als in Apeldoorn is is er ruimte voor en ook innerlijke verbonden­heid met theologische opvat­tingen die bepaald niet gereformeerd zijn in de zin van de belijdenis. Ik denk aan de theologie van Karl Barth, Tom Wright, Stanly Hauwerwas en anderen met een ander kijk op bijvoorbeeld de ernst van de eeuwigheid, het gezag van de Schrift en de historische realiteit van de zondeval, visie op het huwelijk enz. dan verwoordt in de gereformeerde belijdenis. 
Voor Kampen geldt dat wel meer dan voor Apeldoorn, maar het verschil is gradueel. Dat staat niet los van het feit dat de Gereformeerde Kerken Vrij­ge­maakt en zij het in veel mindere mate de Christelijke Gereformeerde Kerken toegroeien naar de brede middenstroom van de PKN. Iets wat binnen de PKN zelf voor de Gerefor­meerde Bond geldt. 
Binnen het Hersteld Hervormd Seminarie is geen ruimte voor geluiden strijdig met het volstrekt gezag van de Schrift en voor geluiden die niet sporen met de gereformeerde belijdenis. Het Hersteld Hervormd Seminarie verzorgt voor haar studenten veertig procent van de opleiding. 
Bij de andere zestig procent moeten studenten erop voorbereid zijn op geluiden die helaas ver afstaan van de Schrift en de gereformeerde belijdenis. Dat geldt niet zozeer vakken als Hebreeuws of Grieks, maar wel bijvoorbeeld inleiding Oude en Nieuwe Testament, oecumenica en missiologie.

Het begin van het predikantschap
Na de theologische opleiding aan de orde te hebben gesteld gaat Harman in op het beginnend predikantschap. Hij wijst erop om gebruik te maken van de vaardigheden die bij een theologische opleiding zijn verkregen. In het bijzonder noemt hij kennis van de brontalen. Het is ook zaak die kennis op peil te houden. 
Bij het ambtelijke werk kunnen er heel plotseling zaken op een predikant afkomen. Dat doet niets af van het belang van goede planning. Dat geldt niet in de laatste plaats met betrekking tot het voorbereiden van preken. Harman pleit ervoor lang van te voren na te denken over de keuze van teksten en eventueel al wat aantekeningen te maken die later veel grondiger kunnen worden uitge­werkt.
Een predikant moet leren op goede wijze met verschillen van inzicht om te gaan. Door onverstandig gedrag kan klein ver-schil tot een controverse uitgroeien die heel de gemeente in beroering brengt. Tenslotte wijst Harman er jonge predikanten op te blijven lezen los van het voorbereiden van preken om zo zelf ook geestelijk gevoed te worden en fris te blijven.

Appendices
Harman geeft ook een korte opsomming van een aantal titels die te maken hebben met predikantschap en de voorbereiding erop. Dan volgen er nog een viertal appendices. In de eerste worden een aantal boeken opgesomd die een eerste oriëntatie bieden op de verschillende disciplines binnen de theologie. 
De tweede is een korte handleiding voor he voorbereiden van preken. De derde komt uit Spurgeons Pastorale adviezen en gaat over de zelfwaakzaamheid die een predikant moet beoe-fenen. De laatste is van Benjamin B. Warfield en heeft als onderwerp het geestelijke leven van theologiestudenten.
Het boekje van Harman is een must voor theologiestudenten en voor iedereen die overweegt theologie te gaan studeren.


N.a.v. Allan Harman, Preparation for the Ministry (Edinburgh: The Banner of Truth, 2015) paperback 117 pp., £5,25 (ISBN 9781848716230)

zaterdag 17 februari 2018

Christ Alone

In The 5 Solas series: What the Reformers Taught… and Why It Still Matters published by Zondervan Stephen Wellum wrote on Christ alone. Wellum focuses on the exclusive identity of Christ and the sufficiency of his work. He shows that without the first we can never maintain the latter. The exclusive identity of Christ was not a point of dispute between Rome and the Reformers in the sixteenth century. Both adhered in it their Christology to the New Testament message as confessed in the creeds of the Early Church.
Today, however we cannot get to the work of Christ before first confronting the loss of sense of his exclusive identity. Orthodox Christology is rooted in the conception that God has really revealed himself and that the Scripture is his Word. The church today needs to defend the Trinity and the authoritative Scrip-ture as absolutely necessary. To have the power to proclaim Christ alone, we must submit to the Scripture as the living voice of the living God to know Christ true identity.
With regard to the sufficiency of the work of Christ the ways of Rome and the Reformation parted. Rome always speaks about Christ in connection with the church as the extension of Christ’s incarnation. In her sacramental theology Rome makes clear that the church itself has a mediating role between God and the sinner. Actually Rome denies the sufficiency of the work of Christ.
Wellum shows the rich meaning of the work of Christ as revealed in the New Testament. He rightly states that apart from viewing Christ’s work as our penal substitute none of the biblical data make sense. In the light of the work of Christ as our penal substitute we get the right view on other aspects of his work as his victory of the devil and the renewing and transforming nature of our union with Christ in his death and resurrection.
The author emphasizes that it is necessary for the church to confess and proclaim Christ alone, because Christ alone in his person and work can do what is necessary to redeem us. He writes that to capture the heartbeat of the Reformation con-fession of solus Christus one can do no better than to meditate deeply on the words of John Calvin: ‘We see that our whole salvation and all its parts are comprehended in Christ. We should therefore take care not to derive the least portion of it from anywhere else.’ (Institutes II, xvi, 19).
Christ Alone is a spiritually rich book. Is does full justice to the biblical data of Christ’s person and work. It is a work that com-bines in a very good way biblical theology, historical theology and systematic theology and in this way a stimulus for medi-tation and devotion centered on Christ and his work. I heartily recommend it.

Stephen Wellum, Christ Alone – The Uniqueness of Jesus as Savior, The 5 Solas series: What the Reformers Taught… and Why It Still Matters (Grand Rapids: Zondervan, 2017), paperback 341 pp., $21,99 (ISBN 9780310515746)

donderdag 15 februari 2018

From Creation to New Creation

G.K. Beale is renowned not only for his really excellent commentary on Revelation but also for his studies on the relationship between the New Testament and the Old Testament; for example how the New Testament uses the Old Testament. The writings of Beale are characterized by a keen insight in the importance of salvation history in understanding the Word of God.
Sixteen scholars contribute to an illuminating festschrift in his honor. This festschrift with the From Creation to New Creation. Biblical Theology and Exegesis reveals the immense appreciation that Beale has garnered among scholars and exegetes of several kinds. The two editors of the festschrift were both a teaching assistant of Beale.
I highlight three essays. Daniel I. Block reassess the evidence for Eden as a temple. He thinks it is much better to say that the temple-building accounts as being built on a platform of creation theology instead of the reverse. As a sort of axis mundi, the temple was a divinely revealed and authorized means whereby God in heaven could continue to communicate with men, even after the relationship had been ruptured through human rebellion.
The combination of features derived from the heavenly temple and the original earthly paradise symbolized the LORD’s grace in response to sin. The incarnation, death and resurrection of Jesus Christ rendered superfluous the temple’s role as the link between the fallen world and the heavenly court. The move-ment away from the temple as the locus of divine presence to Jesus Christ climaxes in the vision of a restored cosmos in the book of Revelation.
In his essay ‘The Power and the Glory: The rendering of Psalm 110:1 in Mark 14:62’ Richard Bauckham demonstrates that the use of ‘the Power’ in Mark 14:62 to protect the divine trans-cendence from anthropomorphism is consistent with ways of speaking of God that are well evidenced in the traditions of Jesus’ sayings elsewhere in the Gospels. Bauckham points among other to he use of the divine passive in the sayings of Jesus. This undergirds the authenticity of Mark 14:62.
In ‘From Creation to New Creation: King, Human Viceregency , and Kingdom’ Christopher A. Beetham offers a sketch of the entire biblical epic. He shows the theme of creation is inextricable interwoven with that of divine kingship and human viceregency. The divine program to renew creation is nothing less than the reassertion of rightful divine rule through restored human viceregency over the usurped kingdom of the world.
I think this is right but would that when we restrict ourselves to this aspect of revelation we overemphasize the kingly charac-ter of man as the image of God at the expense of the priestly element it also has. Man is created to have fellowship with God. When we value the relationship between the paradise and the sanctuary we understand that man’s highest privilege was not to be a viceregent over a creation but to be a son of God. Human viceregency is grounded in sonship.
To do justice to this element of the biblical message we must not only be aware of the importance of salvation history but also of application of salvation. Perhaps, there is a weakness with this respect also in the writings of Beale himself. But it remains true we can learn of lot of this gifted scholar and also of his students, friends and colleagues who contributed to his festschrift.

Daniel M. Gurtner and Bejamin L. Gladd (ed.), From Creation to New Creation. Biblical Theology and Exegesis (Peabody: Hendrickson Publishers, 2013), hardcover 339 pp., $49.95 (ISBN 9781598568370)

donderdag 18 januari 2018

Waarom de Reformatie nog altijd van belang is

In de aanloop naar de herdenking van 500 jaar Reformatie zijn inmiddels tal van boeken ver­sche­nen en er zullen er nog veel meer verschijnen. Dat loopt van hoog wetenschappelijke tot meer populaire publicaties. In de laatste categorie valt het boekje van Michael Reeves en Tim Chester. Zij willen duidelijk maken dat de Reformatie er nog altijd toe doet. De Reformatie zelf bleef geen eenheid. Toch is er een gemeenschappelijke kern die erfgenamen van de Refor­matie met elkaar verbindt.
Alleen al het feit dat de anglicaan Reeves en baptist Chester samen dit boekje konden schrijven, laat dit zien. Ik plaats hier wel een kleine kanttekening. De zes­tiende-eeuwse doopsge-zinden stonden verder van de hoofdstroom van de Reformatie af dan de in de zeventiende eeuw opgekomen baptisten. Dit ge-geven laten Reeves en Chester wat onderbelicht.
De auteurs betogen dat wij niet hoeven te betreuren dat de Reformatie tot stand kwam. Wel dat slechts een deel van de Kerk gereformeerd werd. Breder beginnen geluiden te klinken of wij wel zo gelukkig moeten zijn met de Reformatie. Is uiter-lijke eenheid van de Kerk niet zo’n groot goed dat die nooit mag worden prijsgegeven?
Het antwoord van Reeves en Chester is dat het bestaansrecht van de Kerk in haar uiterlijke verschijningsvorm is gelegen in de verkondiging van het Evangelie van Gods genade. Zij ver-braken de band met Rome en haar bisschop om de ware Kerk voort te zetten. De eenheid en continuïteit van de kerk ligt in de gemeenschap met het geloof van de apostelen en hun ver-kondiging van Jezus Christus en Die gekruisigd.
Evenals Rome beleed de Reformatie dat er buiten de Kerk geen zaligheid is. Voor haar wordt het wezen van de Kerk in-nerlijk bepaald. Zij wordt gevormd door allen die gereinigd zijn door Christus’ bloed en vernieuwd door Zijn Geest. Heel kern-achtig is de formulering van Reeves en Chester dat je niet zalig bent als je deel uit maakt van de Kerk, maar dat je deel uit maakt van de Kerk als je zalig bent.
De Reformatie beleed dat uiteindelijk alleen de Bijbel als het Woord van God toetssteen van ons geloof mag zijn. Terecht wijzen de auteurs erop hoe actueel dit beginsel is. In onze tijd wordt het gezag van de Schrift ondermijnt niet zozeer door een beroep op traditie als op ervaring.
Minstens zo belangrijk is dat zij onderstreepten dat de Refor-matie uitging van de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de prediking. Prediking mag en moet altijd weer aan de Schrift worden getoetst. Dat neemt echter niet weg dat wij naar de prediking van het Evangelie behoren te luisteren als naar de stem van Christus. Dat maakt de prediking tot een bijzonder gebeuren.
Voor Rome is genade een substantie die ons via de sacra-menten wordt meegedeeld. De Reformatie daarentegen ver-staat heel terecht de genade relationeel. In Zijn genade komt Christus Zelf tot ons. Wie genade ontvangt, wordt door het geloof met Christus verenigd. John Henry Newman die in de negentiende eeuw van anglicaan rooms-katholiek werd, kon in een gezang verwoorden dat hij vanwege zijn onwaardigheid liever in het vagevuur bleef om zo vanaf een gepaste afstand Gods liefde te bezingen dan in Zijn directe nabijheid. De Reformatie heeft geleerd dat de gemeenschap met God door Christus en daarmee Diens nabijheid, de bron zijn van het bezingen van Gods lof.
We kunnen van het boekje van Reeves en Chester onder andere leren dat het besef dat wij Gods genade niet hebben verdiend, niet betekent dat wij niet zeker mogen zijn van Zijn genade. Een gedachte dat helaas toch ook weer in kerken van de Reformatie ingang vond. 
Ter bestrijding van deze gedachte geef ik een citaat van de puritein Richard Sibbes door uit het laatste hoofdstuk van Why the Reformation Still Matters; het hoofdstuk gewijd aan vreugde en glorie. Een christen hier op aarde mag de zeker-heid hebben dat hij op weg is naar de eeuwige heerlijkheid.
Sibbes schreef: ‘Er zijn veel plichten en gesteldheden die God van vraagt en die zonder een zekerheid op goede gronden niet kunnen zijn (..) God vraagt ons dankbaar in alle dingen te zijn. Hoe kan ik dat zijn als ik niet weet dat God en Christus de mijne zijn?! (..) God vraagt ons: “Verblijdt u, wederom zeg ik: verblijdt u.” Kan een mens zich verheugen dat zijn naam in de hemel is geschreven als hij niet weet dat dit het geval is?! Hoe kan ik God op vreugdevolle wijze dienen wanneer ik betwijfel of hij wel mijn God en Vader is?!’


Michael Reeves en Tim Chester, Why the Reformation Still Matters (Wheaton: Crossway Books, 2016) pb. 224 pp., prijs $14,98 (ISBN 9781433545313)

donderdag 11 januari 2018

Grace Alone

In The 5 Solas series: What the Reformers Taught… and Why It Still Matters published by Zondervan Carl R. Trueman wrote on grace alone. In Grace Alone Salvation as a Gift of God. Trueman looks at the biblical and historical roots of the doctrine of salvation by grace alone; a salvation that is not merited by human works and efforts. He pays attention to Augustine, Thomas Aquinas (whom he characterizes from a Reformed perspective as an unexpected ally), Luther, Calvin and the Reformed Tradition.
He stresses that for those who hold the Reformation doctrine of grace alone, the proclamation of the Word of God is the principal means of grace. It is the thing that God uses to convince people of their sin and misery, to drive them to their knees in repentance and then to draw them to the resurrected Christ by faith. The Holy Spirit applies the faithful proclamation of the preaching to our hearts and unites us so to Christ and give us communion with Him.
In calling attention not only to the meaning of the Word but also of the sacraments in the context of the doctrine of grace alone Trueman goes in the footsteps of the sixteenth century Reformers. They who claim to be their spiritual heirs – and more than once actually are it to a great degree – do not always have the same doctrine of the sacraments as the Reformers. 
Not only for Luther but also for Calvin the sacraments for not first of all an pledge of alliance of the believer nor did they believe that their significance was purely memorial. It were pledges of God that salvation is by grace alone. They sealed and signified what Christ did for those who believe in Him.
Very appropriately also writes about prayer as a means of grace. Prayer must not be seen first of all as something done by us, but as given to us by God as a means of realizing his purposes in our lives. We pray to the Father through Jesus Christ by the Holy Spirit and so we glorify Him as the God of grace and salvation. The book of Trueman informs the head and warms the heart.

Carl R. Trueman, Grace Alone – Salvation as a Gift of God, The 5 Solas series: What the Reformers Taught… and Why It Still Matters (Grand Rapids: Zondervan, 2017), paperback 272 pp., $21,99 (ISBN 9780310515760)

dinsdag 2 januari 2018

Packer on the Christian Life

J.I. Packer is widely recognized as a leading theologian of 20th century evangelicalism. In the series Theologians on the Christian Life Sam Storms wrote the volume Packer on the Christian Life: Knowing God in Christ, Walking by the Spirit. The subtitle is aptly chosen and summarizes the two focuses of Packer’s writings. Actually, it makes clear that for Packer Christian life is always life to the honor and glory of the Triune God, who is himself the Source and Author of spiritual life.
One of the great merits of Packer is that he has written in a very accessible way. He can be describes as a kind of 20th century puritan. Packer himself has again and again testified of his great debt to the puritans. I myself consider the synthetic attitude of Packer towards Anglo-Catholics and Roman-Catho-lics as a serious demerit. But because Storms draws attention of what Packer himself thinks the Bible teaches about Christian life, this demerit has not a real place in the volume Storms has written.
Already as a young theologian the importance to uphold the Bible as the infallible and inerrant Word of God. The central reference point of the message of the Bible is for Packer the atonement. This accent gives his writings both an Christ-centered and experimental emphasis.
For Packer it is very important for the Christian life that we realize that we have a struggle with indwelling sin until death. This was one of the important things Packer himself learned from the puritans. Very valuable is that Storms added an appendix in which he gives exegetical and theological evidence for seeing the man of Romans 7 as a Christian; and then not an immature but mature Christian.
Packer again and again attends us to the fact that the main work of the person of the Holy Spirit is that he unites is to Christ and that Christians have communion with Christ by the indwelling of the Holy Spirit. In this way Packer makes clear that asking attention for the person and work of the Holy Spirit never diminishes our focus on Christ.
I finish this review with the concluding words of Sam Storm’s study on Packer: ‘So, whether you are yeas in years and new to the Christian faith, or, like James Innell Packer, older and spiritual ripe, the call to everyone who knows Christ, at every age, is the same: energetically engage, breathlessly run, relentlessly repent, passionate believe, fervently worship, and zealously seek after God and his holiness.’

Sam Storms, Packer on the Christian Life: Knowing God in Christ, Walking by the Spirit, Theologians on the Christian Life, Stephen J. Nichols and Justin Taylor (ed.), (Wheaton: Crossway, 2015), paperback 224 pp., $18,99 (ISBN 9781433539527)

vrijdag 29 december 2017

Een achttal boeken over Genesis 1-3

C. John Collins, Did Adam and Eve Really Exist? Who They Were and Why You Should Care (Wheaton: Crossway Books, 2011), paperback 192 pp., $16,99 (ISBN 9781433524257)
Collins benadrukt dat de bijbelse openbaring ons mede gege-ven is om de werkelijkheid om ons heen te verstaan. Dat maken de eerste hoofdstukken van Genesis ons al duidelijk. Hoe wij de geschiedenis van Adam en Eva opvatten, heeft te maken met de vraag hoe wij staan tegen­over het gezag van de Schrift. De geschiedenis van de zondeval toont ons dat de zonde een vreemde indringer is in Gods schepping.
Collins wil vasthouden aan Adam en Eva als histo­rische per-sonen, maar houdt het voor moge­lijk dat hij een soort stam-hoofd was, wiens opstand tegen God gevolgen had voor allen die onder zijn gezag vielen. Hoe dicht Collins ook bij Genesis 1-3 wil blijven, in zijn visie zijn Adam en Eva niet het mensen-paar van wie alle mensen afstammen en behoort de natuurlijke dood van de mens bij Gods goede schepping. 
De dood ster­ven zou alleen slaan op wat wij in de dogmatiek de geestelijke dood noemen. Daarmee wijkt hij af van het dui-delijke, bijbelse ge­tui­genis en dat kan niet zonder gevolgen zijn.

Johnny V. Miller en John M. Soden, In the Beginning… We Misunderstood: Interpreting Genesis 1 in Its Original Context (Grand Rapids: Kregel Publications, 2012), paperback 220 pp., $ 14,99 (ISBN 9780825439278)
De auteurs brengen naar voren dat Genesis 1 vaak ten onrechte niet vanuit de originele con­text wordt belicht. Daar-mee bedoelen zij dat lezers zich te weinig realiseren dat het oudtesta­mentische getuigenis in eerste instantie heeft geklon-ken in de wereld van het Oude Midden-Oosten.
Vooral vragen zij aandacht hoe het oudtestamentische getui-genis zich verhoudt tot in het oude Egypte voorkomende ziens-wijze over de oorsprong van de wereld. Dat zij met name voor Egypte aandacht vragen staat niet los van het feit dat zij eraan vasthouden dat de Pentateuch van mozaïsche oorsprong is.
Zij laten zien dat in Egypte de scheppergod zichzelf hebben gecreëerd. Genesis 1 laat daarentegen zien dat God funda-menteel van de schepping onderscheiden en boven de schep­ping verheven is. Ook op andere plaatsen laten zij zien dat Genesis 1 impliciet een polemisch karakter heeft. De zon en maan, die ongetwijfeld welbewust niet bij hun naam worden genoemd, worden als het grote en het kleine licht getypeerd. De hemellichamen zijn geen goden, maar schepselen.
De auteurs bieden interessante en belangwekkende informatie. Echter, het feit dat het Oude Testament waaronder Genesis ontstond in de wereld van het Oude Midden-Oosten wil nog niet zeggen dat Genesis 1 geen feitelijke informatie biedt over het ontstaan van de wereld, ook al wordt deze informatie niet in wetenschappelijke taal maar in de taal van de ervaring weerge­geven.
Zeker is dat wij ons moeten realiseren dat de informatie die Genesis 1 ons biedt in meer dan één opzicht ons voorstellings-vermogen overstijgt. Om het juiste zicht op Genesis 1 te krijgen is de canonieke context uiteindelijke belangrijke dan de buiten-bijbelse parallellen. Het is jam­mer dat dit element niet wordt belicht.

J. Aryl Charles (red.), Reading Genesis 1-2: An Evangelical Conversation (Peabody: Hendrickson Publishers, 2014), paperback 240 pp., $24,95 (ISBN 9781598568882)
Acht hoogleraren Oude Testament leverden een bijdrage aan een studie over de eerste twee hoofdstukken van Genesis. Er worden vijf verschillende interpretaties van Genenis 1-2 aan-gedragen en wel door Richard Averbeck, Todd Beal, Tremper Longmann III, Co John Collins en John H. Walton. 
Victor P. Hamilton schreef een inleiding en Kenneth J. Turner en Jud Davis schreven elk een slotbeschouwing. John H. Walton verdedigt de visie dat Genesis 1-2 niet de oorsprong maar functie van de schepping beschrijft. Terecht wordt daar tegenin gebracht dat die twee elkaar niet uitsluiten.
Alleen Richard Averbeck en Todd Beal gaan ervan uit dat de scheppingsdagen dagen van vierentwintig uur zijn. Het verschil tussen beide is dat Averbeck er in de lijn van Augustinus van uitgaat dat God Zich hierbij heeft aangepast aan ons begrips-vermogen, terwijl Beal het door de overgrote meerderheid van de exegeten en theologen voorgestane standpunt tot aan de Verlichting verdedigt dat Gods scheppingshandelen metter-daad plaatsvond in zesmaal vierentwintig uur.
Jud Davis wijst er terecht op dat vaak al te weinig door oud-testamentici wordt gevraagd naar wat het Nieuwe Testament ons leert over de eerste hoofdstukken van Genesis. Dan moet duidelijk zijn dat het Nieuwe Testament ervan uitgaat dat deze hoofdstukken feitelijke infor­ma­tie bieden. 
We behoeven maar te denken aan de instelling van het huwe-lijk. Wie werkelijk voor de Schrift wil buigen en naar God stem horen, kan en mag niet heengaan op de wijze waarop binnen de Schrift zelf de Schrift wordt verstaan. Helaas komt dat niet in elke bijdrage van Reading Genesis 1-2 tot uiting


Hans Madueme en Michael Reeves (red.), Adam, the Fall, and Orginal Sin: Theological, Bibli­cal and Scientific Perspectives (Grand Rapids: Baker Academic, 2014), paper-back 339 pp., $26,99 (ISBN 9780801039928)
Een bundeling van bijdragen over Adam, de zondeval en het onlosmakelijk met deze ge­ge­vens verbonden leerstuk van de erfzonde. Deze bundel pretendeert niet een definitief ant­woord op de vragen rond geloof en wetenschap in relatie tot Adam en de zondeval te geven. 
Wie de bijdragen van de Bijbelwetenschappers leest die aan deze bundel meewerkten ontdekt ook verschillen. Onder hen komt Collins het verst in het accepteren van de evolutietheorie. De anderen houden allen aan Adam als de eerste mens vast. Het komt niet expliciet naar voren maar Collins gaat verder dan Warfield. 
Deze Amerikaanse theoloog wordt wel eens als een voorbeeld van een orthodox theoloog gezien die geen moeite had met de evolutieleer. Dat is niet geheel juist. Warfield hield heel nadruk-kelijk vast aan de afzonderlijke bovennatuurlijk schepping van Adam en aan de zondeval als historisch feit dat de dood van de mens in de wereld bracht.

Kyle Greenwood, Scripture and Cosmology: Reading the Bible Between the Ancient World and Modern Science (Downers Grove: IVP Academic, 2015), paperback 250 pp., $30,-- (ISBN 9780830840786)
De auteur laat zien hoe het getuigenis van het Oude Testament heeft geklonken in de wereld van het Oude Midden Oosten. De culturen en volken van Egypte en Mesopotamië hebben ver­ha­len gehad over het ontstaan van de wereld. Een van de kenmerken ervan is dat er niet alleen sprake is van het ont-staan van de wereld maar ook van goden. Geen enkel ander geschrift uit het Oude Midden Oosten uitgezonderd het Oude Testament getuigt van de ene God als Schepper van hemel en aarde
Vergelijking met de oorsprongsverhalen van andere culturen doet het eigen karakter van het bijbelse getuigenis uitkomen. Het is niet zo dat God de mens schiep, omdat Hij hem nodig had. De mens is volgens het bijbelse getuigenis helemaal aan-gewezen op God.
Evenals de omliggende volkeren weet Israël van een wer-kelijkheid die uit drie lagen bestaat: de hemel, de aarde en de zee. Het firmament scheidt deze werkelijkheid van de werke-lijkheid die voor de mens in principe onbereikbaar is. De hel of het rijk van de dood bevindt zich in de diepten van de aarde. Daaruit is geen terugkeer mogelijk.
Meer dan Greenwoord zou ik het fenomenologisch karakter van het bijbelse getuigenis over de werkelijkheid willen onder-strepen en ben ik voorzichtig met het spreken over een bijbelse wereldbeeld. Zeker is dat Genesis 1-2 niet de aard hebben van een wetenschappelijk verslag maar zij verwoorden al is het in de taal van de alledaagse ervaring en waarneming wel een reële werkelijkheid.
Gr­eenwood laat zien hoe Aristoteles een wereldbeeld ontwier­p waarbij de aarde als een bol wordt gezien omringd door sferen. En ontwerp dat nader werd verfijnd door Ptolemeüs. Eeu­wenlang was die het geaccepteerde wereldbeeld, al waren er theologen die meenden dat de aarde plat was. De wending kwam met Copernicus.
De aanvankelijke afwijzing van het Copernicaanse wereldbeeld door Rome staat niet los van het weinig tactische optreden van Galileï. Galileï meende dat het boek van de natuur eenduidig was uit te leggen in onderscheid met de Schrift. We hoeven zijn wereldbeeld niet af te wijzen om hierbij toch vragen te stellen. Greenwood laat na dat te doen.
Zijn boek loopt uit op een pleidooi om de evolutieleer en het scheppingsgetuigenis met elkaar te verbinden. Dat is het deel waarbij ik principieel vragen heb. Al zou evolutie voor een deel een wetenschappelijke verklaring voor Gods scheppend handelen kunnen zijn, dan blijft staan dat de evolutie geen recht doet aan de volgens de Schrift volstrekt unieke positie van de mens.
In de evolutie is er ook geen plaats voor een historische staat van rechtheid waaruit het eerste mensenpaar viel. Het loslaten van het feitelijke karakter van deze zaken heeft grote theo-logische gevolgen. Helaas roert Greenwood dat niet aan. Hij besluit met een op zich heel mooi citaat uit De Genesi ad Litteram van Augustinus. 
De kern daarvan is dat het kan gebeuren dat een niet-christen die het een en ander weet over de aarde en de andere elementen van deze wereld, een chris­ten over deze dingen zaken met een beroep op de Schrift hoort verdedigen waarvan hij weet dat zij onjuist zijn. Het gevaar is dan dat zo de indruk ontstaat dat de Schrift op deze punten onjuistheden bevat en dat men daarom de Schrift ook niet gelooft waar die spreekt over zulke belangrijke zaken als de wederopstanding van de doden en het koninkrijk van God.

Richard D. Phillips (red.), God, Adam and You: Biblical Creation Defended and Applied (Philipsburg: Pres­byterian & Reformed Publishing Co. in samenwerking met de Alliance of Confessing Evangelicals, 2015), paperback 212 pp., $14,99 (ISBN 9781629950662)
Dit boekje is de neerslag van lezingen gehouden op de Phi-ladelphia Conference on Reformed Theology van 2013. Er zijn  is de laatste jaren  vele Engelstalige boeken over de openings-hoofdstukken van Genesis verschenen. Dit boekje beveel ik zowel vanwege de grote toegankelijkheid en het niet-aca-demische karakter ervan als ook  en dat het zeer helder bijbels getuigenis dat het laat horen het eerste ter lezing aan. 
Naar voren komt dat een bijbelse visie op de betekenis van het werk van Christus, van de ernst en omvang van de zonde en van Gods bedoeling met seksualiteit staat of valt met het voluit accepteren van de historiciteit van de staat van de rechtheid en van de zondeval van Adam en Eva als het eerste mensenpaar van wie de gehele mensheid afstamt.
Derk Thomas brengt naar voren dat het huidige model over het ontstaan van de wereld, namelijk door een oerknal, niet de vraag kan beantwoorden waarom de oerknal plaatsvond. Hier blijkt dat er grenzen zijn aan de wetenschap en er vragen zijn waarvoor de werkelijkheid ons stelt waarvoor de wetenschap geen antwoord heeft.
Evolutie en het bijbelse getuigenis staan haaks op elkaar, maar wat doen wij het gegeven dat de aarde in ieder geval schijn-baar een zeer hoge ouderdom heeft. Thomas wijst hier naar de lichtsnelheid als meetgegeven. Een gegeven dat breed in de natuurwetenschap wordt toegepast. Douglas Kelly volgt weten-schappers die menen dat de lichtsnelheid niet constant is gebleven. Dat is mogelijk, maar wel heel speculatief.
Terecht stelt Thomas dat het bijbelse getuigenis erom vraagt de geschiedenis van de mens vrij recent. Het is mogelijk daaraan vast te houden en toch van een hoge ouderdom van de aarde uit te gaan. Dan heeft God Zich in de wijze waarop Hij de schepping heeft laten beschrijven aan ons begripsver-mogen aangepast. Hij wil christenen die van een hoge ouder-dom van de aarde uitgaan niet veroordelen, maar houdt zelf vast aan een jonge aarde.
Hij aarzelt bij de zienswijze dat allerlei geologische gegevens vanuit de zondvloed kunnen worden verklaard. Zelf heeft hij een lichte voorkeur dat we deze verschijn­selen vanuit de schijnbare ouderdom van de aarde moet worden verklaard. Thomas geeft het niet met zoveel woorden aan, maar dat betekent dat ook fossielen moeten zijn meegeschapen. Deze ziens­wijze acht ik minder aantrekkelijk.
In de slotbijdrage over erfzonde en moderne theologie citeert Carl Truemann de jong overleden christelijke gereformeerde hoogleraar J.P. Versteeg. Versteeg stelde dat wie het werk van de verlossing losmaakt van het kader waarin de Schrift dit plaatst, de Schrift niet langer als allesbepalende norm kan han-teren. Duidelijk is dat alle opstellers van de bijdragen van God, Adam and You juist wel van het allesbepalende en normatieve karakter van het bijbelse getuigenis overtuigd zijn.

William T. Cavanaugh en James K. Smith (red.), Evolution and the Fall (Grand Rapids: Eerdmans, 2017), paperback pp. 261 pp., $ 26,-- (ISBN 9780802873798) 
De bundel doet een poging om belangrijke punten van het christelijke geloof veilig te stellen, maar vanwege de evolutie-theorie moeten er wel flinke aanpassingen gedaan worden. Er zijn grote overeenkomsten met het boek En de aarde bracht voort van Gijsbert van de Brink.
Duidelijk is dat de tekst van Genesis niet voldoende is, en dat er veel externe informatie toegevoegd wordt. De auteurs spreken met de nodige voorzichtigheid. Het kan niet anders, want de wan­kele constructies kunnen onvoldoende onder-bouwd worden.
Exegetisch overtuigen ze mij niet, omdat niet naar de intentie van het boek Genesis gevraagd wordt en slechts onderdelen van de beschrijving gebruikt zijn. Zo ontbreekt de schepping van Eva uit een rib van Adam. Tevens is er een grote breuk met de wijze waarop de kerk der eeu­wen de Schrift heeft gezien en beleden.
Wat nog ernstiger is dat ook het getuigenis van Jezus en de apostelen grotendeels bui­ten be­schou­wing blijft. Alleen in de bijdrage van Joel B. Geen komt het nieuwtestamentische getui­ge­nis aan de orde. Echter ook die stelt teleur. Green stelt dat wat Paulus over Adam aan de orde stelt, betekenis heeft voor Christus maar niet voor de vraag naar de historiciteit van Adam.
De gevolgen van de door hen verdedigde zienswijze zijn veel ingrijpender dan de auteurs menen. Als de dood geen gevolg is van de zondeval van de mens, heeft consequenties voor het getuigenis dat Christus de dood overwon. Is dat ook een metafoor? In ieder geval kan bij een begrafenis niet worden gezegd dat het feit dat wij daar bij elkaar zijn een gevolg is van de zondeval. Dan kan ook het getuigenis dat Christus de dood en de hel overwon niet meer helder klinken.
Als er geen staat van rechtheid is geweest, kunnen we over het huwelijk niet meer als schep­pingsinstelling spreken. Ook wordt het heel moeilijk om aan de erfzonde vast te houden. De ik-gerichtheid van de mens is dan namelijk niet meer terug te leiden tot de zondeval maar onlosmakelijk met de evolutie verbonden.

Douglas Kelly, Creation and Change: Genesis 1.1-2.4 in the Light of Changing Scientific Paradigms, revised and updated version (Fearn, Ross-shire: Mentor, 2017), hardcover 374 pp., £19,99 (ISBN 9781781919996)
In 1997 schreef Douglas Kelly, die inmiddels emeritus-hoog-leraar dogmatiek is van het Reformed Theological Seminary in Charlotte, North Carolina, Creation and Change: Genesis 1.1-2.4 in the Light of Changing Scientific Paradigms. Daarvan ver-schenen meerdere her­drukken. 
In 2017 verscheen een geheel herziene en bijgewerkte versie. Kelly wijst op grote be­lang van de eerste drie hoofdstukken van Genesis. Wie daaraan het feitelijke karakter ont­zegt, breekt de basis af waarop het Evangelie van Gods genade in Christus is gebaseerd. Het eerste hoofdstuk van Genesis laat ons zien dat onze werkelijkheid een absoluut begin heeft.
Terecht wijst Kelly de zogenaamde gap-theorie af. Deze stelt dat er een tijdkloof is tussen Gen. 1:1 en Gen. 1:2. Aan deze werkelijkheid zou een andere verwoeste werkelijkheid vooraf-gaan. Nergens geeft het Oude Testament echter tot deze gedachte aanleiding. De eerste hoofd­stuk­ken van de Bijbel laten er ook geen misverstand over bestaan dat de dood van de mens geen natuur­gegeven is maar een gevolg van de zondeval.
Een grote vraag is de ouderdom van de aarde. Bepaalde ster-ren staan miljoenen lichtjaren van ons af. De diameter van ons heelal dat naar huidige wetenschappelijke inzichten zich uit­breidt me de snelheid van het licht, is ettelijke miljarden licht-jaren. Kelly neemt aan dat het heelal in een staat van schijnbare ouderdom werd geschapen en dat wellicht de licht-snelheid vroeger hoger lag.
Zelf zou ik op dit punt iets meer een heilige onwetendheid wil-len betrachten. Evenals Gods herscheppend handelen bij de schepping van de nieuwe hemel en aarde ons begrip te boven gaat, geldt dat voor de schepping. De vraag naar de aard van de scheppingsweek is ook een andere dan naar de historiciteit als dateerbaar feit van de van de staat van de rechtheid en van de zondeval.
Van belang is dat Kelly laat zien dat de mens wel de kroon op de schepping maar niet het doel van de schepping is. Dat is de sabbat als de dag waarvan de avond en morgen niet worden vermeld. Uiteindelijk gaat het om rust in God. Kelly schreef een mooie studie die ik hartelijk ter lezing kan aanbevelen.

donderdag 14 december 2017

Hoe brengen we de dag des Heeren door?

De nieuwtestamentische naam voor de eerste dag van de week is de dag des Heeren. Op de eerste dag van de week stond Jezus Christus, de Heere en Koning van Zijn Kerk op uit de doden. Daarom werd reeds in de tijd van de apostelen de eerste dag van de week de dag van samen­komst.
Oorspronkelijk was wellicht de christelijke samenkomst op zater-dagavond, omdat naar Joodse rekening de nieuwe dag zes uur ’s avonds begint. De dag van samenkomst moet en mag ook een rustdag zijn. Dat is goed voor het lichaam en vooral ook voor de ziel.
Met de regering van Constantijn de Grote, de eerste Romeinse keizer die de christenen vrijheid van godsdienst gaf en zich op zijn sterfbed liet dopen, werden zondagswetten ingevoerd. De over­heid ging het houden van de rustdag bevorderen. Dat is eeuwen-lang in Europa zo geweest.
Zowel in Groot-Brittannië als Nederland is de wijze van zondags-heiliging sterk gestempeld door de puriteinse zienswijze op de zondag. Vooral in de negentiende en begin twintigste eeuw was de Neder­landse wetgeving in het algemeen en ook de zondags-wetgeving zeer gestempeld door christelijke normen en waarden. De laatste decennia was er op dit punt een snelle afbraak.
Al bevordert de overheid de eerste dag van de week als rustdag niet of nauwelijks meer, laten wij als christenen de rustdag wel houden. De eerste dag van de week werd door de puriteinen de marktdag van de ziel genoemd. Het is een dag om te worden ver-zadigd met het Brood van het leven.
Hoe vul je de zondag? Als wij weten dat wij onder de verkondiging van het Woord Christus Zelf mogen ontmoeten, spreekt het vanzelf dat wij aanwezig zijn als het Woord wordt verkondigd.
Kunnen we echt niet opgaan, dan luisteren we thuis via kerk-telefoon of internet mee. Laten wij als echtpaar of gezin ook na-praten over de preek. Het is een goede zaak als kinderen een schrift of aantekeningenboekje meenemen naar de kerk en wat aantekeningen maken. 
De zondagavond is zeer geschikt om met het gezin een aantal psalmen en gezangen met elkaar te zingen. Wie de zondag heiligt, heeft ook tijd om eens een goed boek te lezen of aan persoonlijk Bijbelonderzoek te doen. Dit is zeker: wie de Heere Jezus liefheeft, heeft ook Zijn dag lief.
Zelf ben ik erbij opgevoed om zondag zo min mogelijk de telefoon te gebruiken. Ik ben daarin (en ook in andere zaken) in de lijn van mijn opvoeding gebleven. Gaat dan de telefoon, dan pleegt het meestal een ernstig bericht te zijn. Nu lijkt het mij niet verkeerd om op zondag iemand te bellen of te laten bellen die erg eenzaam is, maar wie verder de telefoon ongebruikt laat, heeft rust. Die houding bepleit ik met betrekking tot digitale media.
Het is goed om dan geen twitter-berichten te sturen en het appen tot een minimum te beperken. Dan gaat het niet om wetticisme, maar om de rustdag echt rustdag te laten zijn. Wie eenmaal iets van de waarde van een strikte, maar ook blijde zondags­viering heeft geproefd, gaat beseffen wat een voorrecht de rustdag is voor het lichaam, maar vooral voor de ziel. 
Dan mag bemerkt worden dat God ons juist op de rustdag als marktdag van de ziel zegeningen schenkt waarvoor we niets hoe-ven te betalen. Jezus Christus, de Heere van de sabbat, heeft vol-daan. Zalig zijn we als we uit Hem leven. Dan is het ook geen opgave om voor Hem te leven.

maandag 11 december 2017

Not by Bread Alone. God’s Word on Present Issues

I would ask your attention for attention for a little book published already a couple of years ago, but still available and what is more important still very relevant. The author is David Broughton Knox, who was very many years Principal of Moore Theological College. After his retirement who served for several in the newly founded George Whitefield College in Kalk Bay, South Africa.
The Anglican diocese of Sydney is known for the fact that it still adheres to the original confession of the Anglican Church expressed in the Thirty Nine Articles. David Broughton Knox was just as his brother- in-law Marcus Loane, who was archbishop of Sydney and primate of Australian, a confessing Anglican evangelical and a great lover of the Reformed doctrines of grace.
In Not by Bread Alone David Broughton Knox discusses a wide variety of issues in the contemporary as the purpose of creation, race, money, sex, women liberation, homosexuality and abortus; all areas in which the witness of the Bible and the spirit of this age clash. 
Knox points us the only fully reliable guide, namely the teaching of Scripture which Jesus Himself prescribed. He shows us that a real Christian life is a life in obedience to Scripture as the voice of the living God and centered on God Himself. Such a life is both a really satisfying and enriching life.

David Broughton Knox, Not by Bread Alone. God’s Word on Present Issues (Edinburgh: Banner of Truth, 1989), paperback, 143 pp., £2,80 (ISBN 0-85151-565-7) 

zaterdag 9 december 2017

Gebed tot de Heilige Geest

Mogen wij tot de Heilige Geest bidden? Wanneer wij tot God bidden, bidden we uiteindelijk tot elk van de drie personen. Aan elk van drie personen komt goddelijke eer en aanbidding toe. Als wij tot de drie-enige God bidden, is de Vader de persoon die in het bijz­onder wordt aangesproken. 
Omdat de Vader de fontein van de godheid is, zijn echter ook de Zoon en de Heilige Geest ingesloten. In het gebedsleven heeft elk van de drie Goddelijke personen een plaats. Wij na-deren tot de Vader door de Zoon Die Middelaar is in de kracht van de Heilige Geest (vgl. Efeze 4:18).  
Ik geef door wat Owen schrijft in het werk A Discourse of the Work of the Holy Spirit in Prayer: Zonder een juiste bevat­ting van God als onze Vader kunnen wij niet bidden zoals het behoort. Het komen tot God als Vader door Christus door de hulp en bijstand van de Heilige Geest, Die Hem als een Vader aan ons openbaart en ons in staat stelt tot Hem als Vader te naderen, is een zaak vol van zoetheid en verge­noe­ging!’ (Works, vol. 4 pp. 292, 293).
De eeuwen door heeft het gebed tot de Heilige Geest een plaats gehad in het gebedsleven van christenen. Het kwam in de Vroege Kerk al voor. Ik noem het gebed dat begint met de woorden Veni Creator Spiritus. In het Neder­lands is dit gebed als volgt verwoord: ‘Kom, Schepper, Geest vervul Uw Kerk met al het heil van Christus werk.’
Een heel ontroerend gebed tot Heilige Geest vond ik in het werk The Life, Walk and Triumph of Faith, red. Peter Toon, Cambridge 1970, p. 112.) van de Engelse prediker William Romaine (1714-1795), een orthodox calvinis­tische prediker binnen de Anglicaanse Kerk.
‘O God de Heilige Geest, ik smeek U dat U datgene wat U van de liefde van de Vader in de Schrift hebt geopenbaard, tot praktijk maakt in mijn hart. Verlos mij van schuld en ver­doe-menis door de besprenging van het bloed van Jezus. Pas het effectief aan mij toe. Pas het telkens weer aan mij toe. Help mij met meer troost in mijn geweten en meer standvastigheid in mijn wandel te geloven dat Zijn bloed van alle zonden reinigt. O gezegende Geest, zet Uw werk in mijn ziel voort. Leid mij van geloof tot geloof dat ik altijd vrijmoedigheid heb achter het voorhangsel in te gaan tot een verzoend God en Vader en in staat gesteld mag worden om de vrede met Hem te behouden tegen twijfels en aanvech­tin­gen, tegen boze lusten en vijan-den. O leer mij tot Hem te naderen met een waarachtig hart, ten volle overtuigd van Zijn liefde en in volle ver­zekerdheid van het geloof. Dit is toch Uw genadige ambt: o vervul het in mij, dat mijn hart gereinigd mag worden van een kwaad geweten en mijn lichaam gewassen met rein water. Laat mij genade genoegzaam voor mij vinden, om Jezus; wil; aan wie met U, o Vader, en de eeuwige Geest, drie personen in één HEERE, dezelfde eer en glorie toekomt tot in alle eeuwigheid. Amen.’
Ik noem ook het volgende couplet uit O for a Closer Walk with God van William Cowper (1731-1800):
Return, O holy Dove! return,
Sweet messenger of rest!
I hate the sins that made thee mourn,
And drove thee from my breast.

Gij, Geest van God, Die vrede brengt
daal troostend op mij neer!
Mijn zonden hebben U gekrenkt;
Gij ging, maar ach, keer weer.
Romaine en Cowper hadden kennelijk geen bezwaar tegen het gebed tot de Heilige Geest. Ik noem ook het laatste couplet van de bede uit de Avondzang:
O Vader, dat Uw liefde ons blijk,
O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk,
O Geeft, zend Uwe troost ons neer,
Drie-enig God, U zij al d’eer.
De grote vraag is het Schriftbewijs. Het enige Schriftbewijs is Hooglied 4:16. Dat bewijs wordt alleen erkend als men bereid is Hooglied als een allegorie te lezen. Dat is wel de zienswijze van de Kerk der eeuwen. Spurgeon schrijft in een preek over Hooglied 4:16: Come, Holy Spirit! Come as the Heavenly Dove, or as the rushing wind; but do come. (Kom, Heilig Geest, Kom als hemels duif of als een stormwind, als U maar komt).
De hoofdlijn van het gebed is me dat wij tot de Vader bidden door de Zoon in de kracht van de Heilige Geest. De Schrift geeft expliciet aanleiding om toch ook rechtstreeks tot de verhoogde Christus te bidden. Denk aan Kom Heere Jezus en Heere Jezus ontvang mijn geest en Heere reken hun deze zonde niet toe. Als het gebed tot de Vader door de Zoon niet overschaduwt, weet ik geen fundamentele bezwaren om aan de rand van het gebeds-leven ook het gebed tot de Heilige Geest een plaats te geven.


vrijdag 8 december 2017

Zielezucht van Witsius

Zielezucht
Op de preekstoel heb ik wel coupletten geciteerd uit het gedicht Zielezucht van Witsius.  Het ge­hele gedicht telt er 56. Uit de cou-pletregels ‘Zijt Gij met mijn doem gediend, Zoek Uw' eer. Ik heb ’t verdiend!’ is helaas meer dan eens afgeleid dat een mens Gods recht liever moet krijgen dan eigen zaligheid en er de voorkeur aan moet geven onder Gods recht verloren te gaan dan zalig te worden in strijd met Gods recht. Wie zo denkt en spreekt, heeft waarschijnlijk het ge­dicht Zielezucht nooit in zijn geheel gelezen. In ieder geval wordt Witsius totaal fout begrepen.
Witsius wist dat zalig worden, hoe dan ook, alleen geschieden kan in overeen­stemming met Gods recht. Zalig worden in strijd met Gods recht is voor hem een tegenspraak in zichzelf. Hij wist wel dat als een mens verloren gaat, in Gods overwinning over de tegenstand en het verzet van zo’n mens tegen Hem – of het nu vroom of goddeloos verzet was – Gods recht wordt ver­heerlijkt. Hij betuigt echter ook dat al Gods deugen worden verheerlijkt in ons leven, als God ons uit de kracht van Christus’ bloed roept uit de duisternis tot Zijn licht. We gaan al de deugden bezingen.
Als het waar is dat wij Gods recht liever moeten krijgen dan onze eigen zaligheid voordat wij mogen delen in het Borgwerk van Christus, betekent dat feitelijk dat God vrienden en geen vijanden met Zichzelf verzoent. In strijd met de gereformeerde leer gaat men er zo ook vanuit dat een mens God werkelijk kan liefhebben, voordat hij vrede met God vond door het bloed van het kruis.
Echter, alle liefde tot God die niet voortvloeit uit de verzoening met God, is niet de ware liefde en heeft voor God geen betekenis. Heel duidelijk wordt dit verwoord in 1 Joh. 4:10: ‘Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.’
Daar komt bij, dat wie stelt dat hij Gods recht liever heeft dan eigen zaligheid, beweert dat hij liever heeft dat de ene deugd van Gods recht in zijn rampzaligheid wordt verheerlijkt dan alle deugden van God in zijn zaligheid. Gaan wij af op de woorden, dan heeft men de volle ernst van het recht van God nog niet beleefd en nog veel minder de heerlijkheid van de zaligheid. Wie daar iets van mag kennen, zingt het: ‘Wien heb ik nevens U omhoog.’
De bedoeling van mensen kan beter zijn dan hun woorden doen ver­moeden. Mensen hebben met de genoemde uitdrukkingen meer dan eens willen onder­stre­pen dat de zaligheid totaal onver-diend is. Dat is helemaal waar, maar toch moeten we het niet zo verwoorden dat de centrale betekenis van het kruis van Christus, buiten Wie God voor een mens een verterend vuur is, wordt verduisterd.
Nodig is dat wij gaan beseffen dat wij de eeuwige rampzaligheid dubbel en dwars hebben verdiend en zo met lege handen tot Christus gaan. Dat zijn twee kanten van één zaak. Het omhelzen van Christus zonder de erkenning dat wij de toekomende toorn hebben verdiend heeft geen betekenis. De erkentenis van schuld zonder het omhelzen van Christus heeft geen waarde in de ogen van God.
De coupletten in het gedicht Zielezucht laten zien hoezeer Witsius die ziel die zucht, niet in zich­zelf en ook niet in eigen schuldover-tuiging laat roemen, maar alleen in Christus en Zijn bloed. Hij betuigt ook dat geen verdriet hem kan schaden als kruis en zorg niet uit Gods toorn hem toekomen, maar uit Gods Vaderlijke liefde voortkomt. Voor alle duidelijkheid wijs ik erop dat in het eerste vol­gende couplet de ziel zich richt tot de Voorspraak Jezus Christus met de bede of Hij een ver­zoek tot de Vader wil richten,
Zeg Hem, zoete Voorspraak, zeg Hem,
En met reden onderricht Hem,
Dat de reden niet en duldt
Dubb'le straf voor ééne schuld.
God is immers d' Opperreden.
Zo de Borg heeft straf geleden,
Is dan niet de schuldenaar
Zelve, buiten straf-gevaar?

Ja, Heer', dan zal ik U roemen 
En niet slechts Rechtvaardig noemen,
 
Maar: tesamen straf en zoet,
 
Hard en zacht, gestreng en goed.
 
Dubbel zult Gij zijn geprezen,
 
Dubbel zal dan d' inkomst wezen
 
Van Uw grote heerlijkheid,
 
Daar al 't werk toch henen leidt.

Vaste hoop zal niet beschamen: 
Gods beloft' is Ja en Amen.
 
En Zijn liefd' gestort in 't hart,
 
Zalft en zacht daar alle smart.
 
Och! kond' ik dat maar geloven,
 
'k Kwam dan alles licht te boven.
 
Geen verdriet mij hier verdriet
 
Lijd ik 't in Gods toorne niet.
 


Gij Die tot mijn ziele zeide: 
Kom, mijn Bruid, mij toebereide,
 
Kom, mijn liefste, gij zijt Mijn',
 
En Ik zal de uwe zijn.
 
Eeuw'ge liefd' verbindt ons beiden,
 
Dood nog leven mag ons scheiden
 
'k Weet, gij hebt Mij wel bezind,
 
Maar Ik heb u eerst bemind