donderdag 19 september 2013

Hermanus Hofman (1902-1975): een wegwijzer naar Sion 8

De betekenis van de wet
Hofman was er diep van overtuigd dat de verkondiging van het Evangelie geen nut doet zonder de prediking van de wet. De wet moet ge­preekt worden als een heilige eis, waaraan wij nooit kunnen voldoen. Zonder de kennis van onze volslagen verlorenheid zal er nooit verlan­gen ontstaan door Christus alleen verlost te worden.
Hofman beklem­toonde keer op keer dat wij allen betrokken zijn bij het­geen in het para­dijs is gebeurd. In Adam hebben wij ons van God afgekeerd. Zonder ken­nis van de eerste Adam ontstaat nooit zicht op de tweede Adam. Hij stelde, dat er bij God een heilige orde is, na­melijk dat de wet ons vormt en sch­ikt, om ons geheel buiten hoop in ons­zelf te s­tel­len, opdat wij ge­heel aan­ge­wezen zijn op Chr­istus.
Ik geef zijn eigen woorden weer: ‘Dat is en blijft al­tijd het eer­ste stuk van het zalig­ma­kend werk en van de genadeleer: het kennen hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Want als ik mijn zonden en ellende niet ken, dan kan ik doorleven in de staat waarin ik ben: zon­der God en buiten God. God gaat voor niets en niemand opzij, niet voor vroomheid, ge­be­den, tra­nen, gestalten, teksten, verzen, noch voor een kerkmens, hoe vroom hij ook moge zijn. Het is een vaste wet: zij moeten zich schul­dig kennen.’
 
De wet in dienst van het Evangelie
De mens voelt van nature zijn nood niet. Wanneer echter het Woord in­vloed op ons hart gaat uitoefenen, leren wij dat wij, al zouden wij maar één zonde hebben, door God verdoemd moeten wor­den.
‘Als wij met God in aanraking komen, komt heel onze gods­die­nst niet in aanmerking. Al dekken wij ons met: “Ik ben wel eens ern­st­ig, ik heb wel eens ge­weend, ik ben wel eens aangedaan,” we kunnen met dat kleed onze zonden niet dekken. Ach, laten wij dan bedelen dat Hij ons recht ont­dek­ke.’
De wet was voor Hofman een die­nst­maagd van het Evan­ge­lie. Hij leer­de: ‘Nu is dit de zaak, mijne vrien­den: door de werken der wet zal geen vlees behouden worden. Want God heeft de wet niet gegeven tot zalig­heid. Het ambt der wet is an­ders. Door de wet is de kennis der zonden. De predi­king van het E­van­gelie brengt daarente­gen openbaar, dat men zalig kan worden en wel uit Gods welbeha­gen, door Zijn welbe­hagen en tot Zijn welbehagen.’
In de prediking van Hofman stond Christus centraal. Het leed voor hem geen enkele twijfel, dat er alleen in Christus za­lig­heid en le­ven te vinden is. Wie het leven en de zalig­heid wenst te ont­van­gen, moet bij Christus komen. Hij is de aange­wezen Persoon. Hij is de beant­woor­ding van de nood van onze zonde en ellen­de. Een zon­daar die door de wet wordt veroordeeld, rest niets anders dan Jezus Chris­tus en Die gekruisigd.
Hofman kon in dit verband ernstig waarschu­wen: ‘Als wij betrouwen hebben in opvoeding, kennis, gods­dienst, rechtzin­nigheid, ja laat ik nog verder gaan: in verande­ring, ervaring, bemoei­enissen, dan leven wij in afgoderij.’ Daar stel­de hij tegenover: ‘Als ons alle grond ontvalt, dan zinken wij neer op de ar­beid van Chris­tus, en gaat de Heilige Geest het geloof met zulk een kra­cht in ons hart werken, dat wij ons de ganse arbeid van Chris­tus toeë­igenen. Zo worden wij dan rein verklaard op grond van wat Christus op Golgotha gedaan heeft.’