dinsdag 22 oktober 2013

De belangrijkste levensvraag 1

Inleiding

In 1956 wordt in het blad Woord en Dienst een briefwisseling gevoerd tussen dr. H. Berkhof (1914-1995), die toen rector was van het Hervormd Seminarie in Driebergen, en ds. G. Boer (1913-1973), de toen­malige voorzitter van de Gereformeerde Bond.  Berkhof was reeds in de jaren vijftig van de vorige eeuw één van de toonaangevende theologen van de middenorthodoxe richting in de Nederlandse Hervormde Kerk. Hij was afkomstig uit een behoudend confes­sio­neel milieu. Aanvankelijk stond hij nog betrekkelijk dicht bij de gereformeerde orthodoxie. Uit deze periode dateert zijn boekje Crisis der midden-orthodoxie. Ook het werk Christus, de zin der geschiedenis kan hier worden genoemd. Tijdens zijn pro­fes­soraat in Leiden groeide hij steeds verder weg van de orthodoxie. Hij kreeg toen kritiek op de fun­da­mentele chris­telijke leerstukken van de drie-eenheid en de tweenaturen-leer.
De briefwisseling tussen Berkhof en Boer is later uitgegeven in een klein boekje onder de titel Gedachtewisseling over de positie en problemen van de Gereformeerde bond in de Hervormde kerk. Deze titel wekt niet het vermoeden dat de inhoud ervan nu nog actueel zou kunnen zijn en toch is dat juist het geval. De titel van het boekje dekt maar heel ten dele de inhoud. Aanleiding tot de briefwisseling is het feit, dat in de kringen van de Gereformeerde Bond het gevoelen leeft, dat mensen uit hun kring bij universitaire be­noe­min­gen en benoemingen van leidinggevende kerkelijke posten worden gepasseerd. In de fei­te­lijke briefwisseling is dit weliswaar het vertrekpunt, maar zowel Berkhof als Boer stellen ook inhoudelijke zaken aan de orde.
Deze briefwisseling draagt naar beide kanten alles behalve de trekken van het ver­de­di­gen van par­tijbelangen of van groeps-denken. Waar het vooral om gaat is of ook nu nog de gerefor­meerde belijde­nis­­geschriften als adequate samenvatting van de bijbelse boodschap kunnen wor­den gezien. Deze vraag wordt door Berkhof - met alle waardering die ook hij voor de belij­de­nis­geschriften heeft – ontkennend beantwoord en door Boer juist met heel veel klem bevestigd.
 

Zijn de vragen die in de gereformeerde belijdenisgeschriften voorkomen, ook nu nog bran­dende vragen?

Voor Berkhof is dat niet het geval. Vragen die in de belijdenisgeschriften worden beantwoord, worden nu niet meer gesteld, zo zegt hij. In onze tijd, zo brengt hij naar voren, is niet de grote vraag: Hoe word ik met God verzoend? Hoe krijg ik vrede met God? Nu is, zo zegt Berkhof de grote vraag: Is er wel een God? Is Hij geen illusie of projectie? In onderscheid van degenen die tot de gereformeerde or­tho­­doxie behoren, zo brengt Berkhof naar voren, zijn wij door het nihilisme en existen­tia­lisme heengegaan. Berkhof spreekt dan van genade als men toch in God en Zijn bestaan mag blijven geloven.
Berkhof noemt dan als theologen die in deze worsteling van groot belang zijn geweest onder an­dere de namen van Gunning, Chesterton, Barth, Brunner, Miskotte, Kraemer en Noord­mans. Als wij een beetje thuis zijn in het kerkelijke leven, zien wij direct al iets van de actua­li­teit van de discussie die in 1956 wordt gevoerd. Diezelfde theologen worden nu gewaar­deerd in een groot deel van de Gereformeerde Bond, de Christelijke Gereformeerde Ker­ken en de Gerefor­meerde Kerken Vrijgemaakt. Dezelfde visie op de Schrift die de midden­ortho­doxe richting binnen de Nederlandse Hervormde Kerk huldigde en nog altijd huldigt, vindt nu in­gang in de Gereformeerde Bond, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gere­for­meerde Kerken Vrijgemaakt.
Velen wat nu nog als de gereformeerde gezindte bekend staat, kunnen de relevantie van de gereformeerde belijdenis niet zien. De binding eraan is eigenlijk alleen maar een histo­rische kwestie maar geen zaak van doorleefd geloof. Het is niet zo dat men welbewust zijn geloof met de gereformeerde belijdenis wil verwoorden. Toe­rusting via een vierhonderd jaar oude catechismus is volstrekt ondoelmatig, zo kan men horen. De belijdenisgeschriften zetten de vragen naar het persoonlijke heil in het centrum. Echter, voor velen zijn dat helemaal geen vragen. Dat geldt ook binnen de zogenaamde gereformeerde gezindte. Ik zeg niet dat dit voor ieder­een opgaat, maar helaas wel voor meerderen.
Nederland is in vergelijking met de situatie in de jaren vijftig in vergaande mate gesecu­la­ri­seerd. Toen was er in de volksvertegenwoordiging een confessionele meerderheid. Nu halen de confessionele partijen nog geen vijftien procent van de stemmen. In de jaren vijftig moest de grote omslag binnen de Gereformeerde Kerken nog komen. Nu zien wij, dat alom bewust en expliciet of onbewust vragen bij de relevantie van de gereformeerde belijdenis worden ge­steld. In onze tijd weet een veel kleiner deel van de Nederlandse kerken dan in de jaren vijftig van de vorige eeuw het geval was zich nog zonder re­ser­ve verbonden met de gereformeerde belijdenis. Dat klimaat ademen wij allemaal in en als wij er niet voor worden bewaard, gaan wij daarin mee.